Arrest van het Hof van 10 december 1987, 151/86 e.a. · Europese rechtspraak, andere materies

Naar de tekst
Juriel

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen Derde kamer 151/86, 152/86, 153/86, 154/86 ECLI:EU:C:1987:541 10 december 1987

Zoeken

Arrest van het Hof van 10 december 1987, 151/86 e.a.

https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-151-86-arrest

Rechtscollege
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
Samenstelling
Derde kamer
Zaken
151/86, 152/86, 153/86, 154/86
ECLI
ECLI:EU:C:1987:541
Datum
10 december 1987

Naar het dictum

De zaak

Procedure
Ambtenarenzaak ongegrond
Zaak ingediend op
25 juni 1986
Advocaat-generaal
Mischo

Over het document

Verzameling
Europese rechtspraak, andere materies
Taal van de tekst
Nederlands
Procestaal
Duits
Jurisprudentie
Jurispr. 1987, blz. 4951
Meer informatie
Rechter-rapporteur
Galmot
Repertorium van het Hof
    • Beoordeling, bevordering Wisseling van categorie of groep
    • Wetenschappelijke en technische groepen

Tekst

31 paragrafen

Arrest

1.

Bij vier verzoekschriften, neergelegd ter griffie van het Hof op 25 juni 1986, hebben E. Bauer, R. Freidhof, H. Kutschera en W. Böttcher, B-ambtenaren van de wetenschappelijke en technische groepen, tewerkgesteld bij het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek te Ispra, beroep ingesteld tot nietigverklaring van de hun bij brief van 16 september 1985 ter kennis gebrachte besluiten, waarbij het comité ad hoc belast met de beoordeling van de geschiktheid van B-ambtenaren van de wetenschappelijke en technische groepen om functies van categorie A te vervullen, heeft geweigerd hen op de daartoe voorziene lijst van geschikte kandidaten te plaatsen, alsmede van de besluiten van de Commissie van 4 april 1986 houdende afwijzing van hun klacht tegen eerstgenoemde besluiten.

2.

Bij dezelfde verzoekschriften vorderden Bauer, Freidhof, Kutschera en Böttcher voorts, dat de Commissie zou worden veroordeeld, primair, om hen op de lijst van geschikte kandidaten te plaatsen, en, subsidiair, om hun daartoe strekkende sollicitatie opnieuw aan het comité ad hoc voor te leggen.

3.

Verzoekers hadden zich in 1983 aangemeld voor overgang naar categorie A. Hun sollicitaties waren door een comité ad hoc onderzocht, overeenkomstig de door de Commissie op 3 juni 1983 vastgestelde „procedure welke voorafgaat aan de besluiten tot wijziging van categorie, van B naar A, voor ambtenaren en tijdelijke functionarissen van de wetenschappelijke of technische groepen” (hierna: de Procedure— Mededelingen van de administratie, nr. 409 van 24 juni 1983).

4.

Na afloop van die procedure deelden de president van het comité ad hoc en de directeurgeneraal Personeelszaken en algemeen beheer van de Commissie betrokkenen bij brief van 16 september 1985 mee, dat het comité ad hoc had besloten hen niet te plaatsen op de lijst van kandidaten die geschikt zijn om een functie van categorie A te vervullen. De door Bauer, Freidhof, Kutschera en Böttcher krachtens artikel 90 Ambtenarenstatuut tegen deze besluiten ingediende klachten werden door de Commissie bij besluiten van 4 april 1986 afgewezen.

5.

Voor de op het geschil toepasselijke bepalingen en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.

6.

Tot staving van hun beroep voeren verzoekers vier middelen aan. Als eerste middel wordt aangevoerd, dat het comité ad hoc zijn opdracht in het kader van de „voorafgaande procedure” heeft miskend; als tweede, dat het comité ad hoc bij de opstelling van de lijst van geschikte kandidaten ten onrechte rekening heeft gehouden met de eisen van de begroting; als derde, dat de toegepaste selectieprocedure neerkwam op een vergelijkend onderzoek, wat in strijd is met het Ambtenarenstatuut; en als vierde middel, dat het beginsel van gelijke behandeling is geschonden.

Het comité ad hoc had verzoekers op de lijst van geschikte kandidaten moeten plaatsen

7.

Verzoekers betogen, dat het comité ad hoc ingevolge de Procedure verplicht was hen op de lijst van geschikte kandidaten te plaatsen, omdat zij een universitair diploma of diploma van een hogeschool bezaten. Het comité diende enkel na te gaan of zij een dergelijk diploma bezaten en te bepalen in welk vakgebied zij functies van categorie A konden uitoefenen. Het gelijkheidsbeginsel zou hier niet met succes kunnen worden tegengeworpen, omdat kandidaten met diploma en kandidaten zonder diploma zich in objectief verschillende situaties bevinden.

8.

Volgens punt III.2 van de Procedure dient het comité ad hoc de sollicitanten op de aldaar bepaalde wijze te onderzoeken. De procedure begint met het onderzoek van het sollicitatiedossier, eventueel gevolgd door een onderhoud met de kandidaat en zo nodig met zijn hiërarchieke meerderen. De volgende stap is in beginsel een verhandeling van wetenschappelijke of technische aard over een onderwerp, dat door het comité wordt vastgesteld. Sollicitanten die in het bezit zijn van een universitair diploma of een diploma van een hogeschool en bovendien over de vereiste beroepservaring en anciënniteit beschikken, dienen geen verhandeling in te dienen: zij „kunnen worden geacht geschikt te zijn voor een wijziging van categorie, na verificatie van het diploma en een onderhoud met het comité ter beoordeling van het terrein en het niveau van hun vakbekwaamheid”. Na beëindiging van zijn werkzaamheden stelt het comité de lijst van de geschikte kandidaten op en stuurt het deze lijst samen met een met redenen omkleed verslag naar het tot aanstelling bevoegd gezag.

9.

Zoals uit de bewoordingen zelf van genoemde bepaling blijkt, „kunnen” sollicitanten die in het bezit zijn van een universitair diploma of een diploma van een hogeschool worden geacht geschikt te zijn voor een wijziging van categorie. Het bezit van een dergelijk diploma verleent hen derhalve niet het recht om zonder meer geschikt te worden geacht voor de uitoefening van functies van categorie A. Voorts is aan het comité ad hoc uitdrukkelijk opgedragen bij de vaststelling van de lijst van geschikte kandidaten niet alleen het terrein, maar ook het niveau van vakbekwaamheid van de betrokkenen te onderzoeken.

10.

Er zijn weliswaar objectieve verschillen tussen de situatie van personeelsleden met diploma en die van de andere sollicitanten, zodat de Commissie mocht voorzien in een bijzondere regeling voor de beoordeling van de vakbekwaamheid van laatstgenoemden, doch dit is — anders dan verzoekers beweren — geen gegronde reden om bij de opstelling van de lijst van geschikte kandidaten sollicitanten met een diploma gunstiger te behandelen.

11.

Alle personeelsleden van categorie B komen immers in gelijke mate in aanmerking voor overgang naar de hogere categorie, ongeacht of zij al dan niet in het bezit zijn van een diploma. Deze overgang dient te gebeuren op basis van een vergelijkend onderzoek van de verdiensten van de sollicitanten, waarbij aan niemand de voorkeur mag worden gegeven op de enkele grond dat hij een diploma bezit.

12.

Bijgevolg diende het comité ad hoc na te gaan, of de sollicitanten met een diploma geschikt waren voor overgang naar een hogere categorie, en was het niet verplicht al die sollicitanten op de lijst te plaatsen.

13.

Mitsdien faalt het eerste middel.

Het comité had geen rekening mogen houden met de eisen van de begroting

14.

Verzoekers betogen, dat het comité ad hoc uit overwegingen in verband met de begroting slechts een beperkt aantal personeelsleden op de lijst van geschikte kandidaten heeft geplaatst. Het comité had dat niet mogen doen; met de eisen van de begroting mag immers slechts rekening worden gehouden bij daadwerkelijke aanstelling.

15.

Krachtens punt Ld van de Procedure diende het comité ad hoc bij het opstellen van de lijst van geschikte kandidaten rekening te houden met de „te verwachten beschikbare begrotingsmiddelen”. Deze bepaling — die, anders dan verzoekers beweren, geenszins in strijd is met punt III.2.e, volgens hetwelk het tot aanstelling bevoegd gezag tot de benoeming zal besluiten aan de hand van de „beschikbare begrotingsmiddelen” — kan slechts worden uitgelegd als een verzoek aan het comité om het aantal op de lijst van geschikte kandidaten te plaatsen personeelsleden af te stemmen op het aantal posten die naar verwachting tijdens de geldigheidsduur van de lijst vacant zullen worden.

16.

Het comité is immers opgericht om het tot aanstelling bevoegd gezag bij zijn keuze te helpen. Dit doel wordt niet bereikt, indien het aantal personeelsleden op de lijst van geschikte kandidaten niet in verhouding staat tot de te verwachten beschikbare begrotingsmiddelen.

17.

Mitsdien moet ook het tweede middel worden afgewezen.

De toegepaste selectiemethode kwam neer op een vergelijkend onderzoek

18.

Verzoekers betogen, dat gevolgde methode om de sollicitanten te selecteren, neerkomt op een vergelijkend onderzoek. Artikel 98, tweede alinea, Ambtenarenstatuut zou de procedure van het vergelijkend onderzoek echter verbieden voor de overgang naar een hogere categorie van personeelsleden van de wetenschappelijke en technische groepen.

19.

Volgens artikel 45, lid 2, Ambtenarenstatuut kan de overgang van een ambtenaar naar een andere groep of een hogere categorie in beginsel alleen plaatsvinden na een vergelijkend onderzoek. Ingevolge artikel 98, tweede alinea, is die bepaling evenwel niet van toepassing op de in artikel 92 bedoelde ambtenaren. Uit het samenstel van deze bepalingen blijkt, dat het tot aanstelling bevoegd gezag ambtenaren van de wetenschappelijke en technische groepen zonder vergelijkend onderzoek naar een hogere categorie kan laten overgaan; die bepalingen hebben echter tot doel noch tot gevolg, het tot aanstelling bevoegd gezag te verbieden die procedure te gebruiken.

20.

Voorts zij erop gewezen, dat de Commissie in het onderhavige geval geen procedure van vergelijkend onderzoek in de zin van het Statuut heeft willen instellen. Aangezien zij de bijzondere procedure voor de overgang naar een hogere categorie van ambtenaren van de wetenschappelijke en technische groepen naar eigen goeddunken mocht regelen, had zij — gelijk elk gezag met een beslissingsbevoegdheid die een beoordeling impliceert — het recht om een procedure sui genens in te stellen. Ofschoon deze procedure tot doel had, de sollicitanten uit te kiezen die het best geschikt waren voor het vervullen van functies van categorie A, verschilde zij toch op vele punten van een vergelijkend onderzoek.

21.

Mitsdien faalt ook het derde middel.

Schending van het beginsel van gelijke behandeling

22.

Verzoekers betogen, dat zij door de wijze waarop hun onderhoud met het comité is verlopen, werden benadeeld ten opzichte van sollicitanten zonder diploma, hetgeen in strijd is met het beginsel van gelijke behandeling.

23.

Opgemerkt zij, dat volgens de Procedure het comité zelf mocht beslissen over de vorm van het onderhoud met de sollicitanten die in het bezit waren van een diploma. Door dit onderhoud aldus op te vatten, dat de leden van het comité een aantal vragen stellen over de door de betrokkene ingediende verhandeling over een technisch onderwerp van zijn vakgebied, heeft het comité zijn bevoegdheden niet overschreden. Uit de processtukken blijkt niet, dat de voorwaarden betreffende de voorbereiding van de uiteenzettingen of de keuze van de onderwerpen van dien aard waren dat sollicitanten met een diploma minder gunstig werden behandeld dan sollicitanten zonder diploma, gezien de wetenschappelijke en technische kennis die zij op grond van hun diploma werden geacht te bezitten.

24.

Mitsdien moet het vierde middel eveneens worden afgewezen.

25.

Ingevolge het voorgaande moeten verzoekers' vorderingen tot nietigverklaring worden afgewezen.

26.

Hetzelfde geldt derhalve ook — zonder dat op de ontvankelijkheid behoeft te worden ingegaan — voor het verzoek, om de Commissie te gelasten verzoekers op de lijst van geschikte kandidaten te plaatsen of om hun daartoe strekkende sollicitatie opnieuw aan het comité ad hoc voor te leggen.

Kosten

27.

Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Volgens artikel 70 van hetzelfde Reglement blijven echter de kosten door de instellingen ter zake van beroepen van personeelsleden der Gemeenschappen gemaakt, te haren laste.

Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),

rechtdoende :

1) Verwerpt de beroepen.

2) Verstaat dat elk der partijen de eigen kosten zal dragen.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

Rechtspraak

1

Europese Unie

1

Conclusie van advocaat-generaal LenzC-172/9616.09.1997

Werkingssfeer, deviezentransacties

Bekijk het document