ARREST
TEN AANZIEN VAN DE FEITEN
I — Overzicht van de feiten
Overwegende dat de feiten, die aan het onderhavige geding ten grondslag liggen, als volgt kunnen worden samengevat:
1. In 1953 werd verzoeker bij het Hof aangesteld als technicus bij de reproductie-afdeling. De benoemingsbrief was gedateerd 9 juli 1953 en werd door verzoeker ondertekend op 13 juli 1953. Bij besluit van het Hof d.d. 17 juli 1956 werd hij op grond van het Personeelsstatuut aangesteld als ambtenaar in vaste dienst „in de zin van artikel 2 sub 2 van het Statuut”. In artikel 47 sub 3 van genoemd Statuut wordt een separatievergoeding toegekend „aan die ambtenaren, die voor de aanvang hunner werkzaamheden blijvend en sedert meer dan zes maanden woonachtig waren in een plaats, gelegen op meer dan 25 km afstand van de zetel der Gemeenschap”. Deze bepaling trad in de plaats van artikel 16 sub b van het op 1 juli 1953 in werking getreden Voorlopige Reglement van het personeel, waarbij bedoelde vergoeding werd toegekend aan de ambtenaren „die gedurende de laatste drie maanden voorafgaande aan hun indiensttreding niet te Luxemburg of binnen een straal van 25 km van deze stad hun normale domicilie hadden of hun beroep of bedrijf uitoefenden”. Op 6 maart 1958 richtte requestrant zich tot de administratie van het Hof met het verzoek om toekenning van de in artikel 47 sub 3 van het Personeelsstatuut bedoelde separatievergoeding. Hij bood aan te bewijzen dat hij „sedert 26 jaar blijvend en ononderbroken woonachtig was geweest te Arlon, welke stad, berekend langs de weg, op een afstand van 26 km en per spoor op een afstand van 29 km van Luxemburg is verwijderd”. Bij beschikking van de President van het Hof van 11 maart 1958 werd dit verzoek hem toegestaan, zulks met ingang van 15 maart 1958 en zonder terugwerkende kracht, nadat betrokkene in een memorandum van 13 maart 1958 had verklaard dat zijn verzoek uitsluitend voor de toekomst gold.
2. In zijn rapport met betrekking tot het zesde dienstjaar constateerde de Financiële Commissaris dat de Hoge Autoriteit, anders dan het Hof van Justitie, had besloten dat de in artikel 47 sub 3 van het Personeelsstatuut bedoelde afstand moest worden berekend in vogelvlucht en vestigde hij de aandacht van de betrokken Instellingen erop dat het gewenst was, aan deze verschillen in interpretatie een eind te maken en een uniforme berekeningswijze te kiezen. Op 22 januari 1959 deelde de Griffier van het Hof de Financiële Commissaris mede dat, daar de Commissie voor gemeenschappelijke belangen voor de toekomst een uniforme uitleg had aanvaard, de nieuwe ambtenaren die te Arlon woonden als „ingezetenen” zouden worden beschouwd. Nadat dit vraagstuk in zijn algemeenheid was opgelost, rees de vraag of de separatievergoeding, welke reeds aan enkele ambtenaren was toegekend op grond van een langs de weg of per spoorweg berekende afstand, al dan niet gehandhaafd moest blijven. In haar zitting van 20 oktober 1959 besloot de Commissie van Voorzitters, de onderhavige vraag voor te leggen aan de Commissie voor gemeenschappelijke belangen. Deze onderzocht het geval van de beide ambtenaren van het Hof — onder wie verzoeker — te wier aanzien deze vraag was gerezen en gaf op 16 maart 1960 aan de Commissie van Voorzitters als haar oordeel te kennen dat „dit vraagstuk reeds is opgelost doordat de afstand in vogelvlucht als criterium is aanvaard, met dien verstande dat de verkregen rechten van beide belanghebbenden gehandhaafd dienen te blijven”. Bijgevolg besloot de Commissie op 25 april 1960 de Commissie van Voorzitters voor te stellen, dat de separatievergoeding welke deze beide ambtenaren genoten „geleidelijk zou worden geabsorbeerd naargelang van bevordering in rang en bezoldigingstrap, doch voor het verleden gehandhaafd zou blijven”.
3. In haar zitting van 9 mei 1960 besloot de Commissie van Voorzitters dit voorstel te volgen, waarop de Griffier van het Hof verzoeker bij brief van 8 juli 1960 mededeling deed van de regeling, die voor de intrekking van de separatievergoeding was getroffen. In antwoord hierop richtte verzoeker zich tot de President van het Hof met een brief van 22 juli 1960, waarin hij de wettigheid van de te zijnen opzichte genomen beschikking bestreed en de hoop uitsprak dat een rechtvaardige oplossing zou worden bereikt. Bij brief van 21 september 1960 aan verzoeker gaf de President van het Hof een bevestiging van het besluit dat de Commissie van Voorzitters te zijnen opzichte had genomen. Tegen de in deze brief van de President van het Hof vervatte beschikking richt zich het huidige beroep, dat op 19 oktober 1960 ter Griffie is ingediend.
II — Conclusies van partijen
Overwegende dat verzoeker concludeert dat het den Hove be-hage:
het onderhavige beroep ontvankelijk te verklaren;
— te verstaan dat het beroep gegrond is;
— mitsdien te vernietigen de beschikking van de President van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen houdende intrekking van de aan verzoeker toegekende separatievergoeding”;
Overwegende dat verweerder concludeert dat het den Hove be-hage:
het door Gabriel Simon ingestelde beroep als ongegrond te verwerpen;
— de aan de zijde van verzoeker gevallen gedingkosten te zijnen laste te brengen”.
III — Middelen en argumenten van partijen
Overwegende dat de middelen en argumenten van partijen als volgt kunnen worden samengevat:
1) TEN AANZIEN VAN DE ONTVANKELIJKHEID
De ontvankelijkheid van het beroep wordt door verweerder niet betwist.
2) TEN PRINCIPALE
Verzoeker stelt dat de beschikking vervat in de brief van de President van het Hof d.d. 21 september 1960 onwettig is, daar het besluit van de Commissie van Voorzitters van 9 mei 1960, dat daarbij wordt bekrachtigd, in strijd is met artikel 62 van het Personeelsstatuut van de Gemeenschap. Teneinde de gegrondheid van deze grief te bewijzen geeft verzoeker onderstaande interpretatie van artikel 47 sub 3.
Gelet op de algemene strekking en de geest van de wet is het begrip separatievergoeding verbonden met de afstand die de zetel van de Gemeenschap van de woonplaats harer ambtenaren scheidt en die deze in feite moeten afleggen om zich naar hun woonplaats of naar de plaats hunner werkzaamheden te begeven.
Voorts blijkt bij vergelijking van artikel 47 sub 3 van het Personeelsstatuut met artikel 16 sub b van het voor de vaststelling van het Statuut geldende Voorlopige Reglement van het personeel, dat als niet-ingezetenen, die recht hebben op een separatievergoeding, volgens het Voorlopige Reglement die ambtenaren worden beschouwd die niet „binnen een straal” van 25 km van de zetel woonachtig zijn, daarentegen volgens artikel 47 sub 3 van het Statuut diegenen die hun woonplaats niet binnen een „afstand” van 25 km van de zetel hebben. Dat het woord „straal”, dat kennelijk wijst op het criterium van de afstand in vogelvlucht, is vervallen, bewijst dat de auteurs van het Statuut dit begrip niet hebben willen handhaven en daarentegen hebben gekozen voor het criterium van de afstand die de ambtenaar in feite aflegt.
In plaats van een juiste uitleg te geven van artikel 47 sub 3 van het Personeelsstatuut, doet de door de Commissie van Voorzitters gevolgde opvatting de logische inhoud van dit artikel geweld aan. Dit is te meer het geval, omdat de vroegere interpretatie van het Hof nimmer als onjuist is beschouwd. De Griffier schreef zelf in zijn brief van 22 januari 1959 aan de Financiële Commissaris dat „de wijze van berekening van de in artikel 47 sub 3 bedoelde afstand noch in het Statuut noch in het Algemeen Reglement wordt aangegeven en dat bijgevolg de opvatting van het Hof omtrent de geldende afstand evenveel recht van bestaan had als de bij de Hoge Autoriteit geldende methode” (namelijk die van de afstand in vogelvlucht).
Ook de Financiële Commissaris heeft in zijn rapport met betrekking tot het zesde dienstjaar van de Gemeenschap de destijds door het Hof aanvaarde berekeningswijze (afstand langs de weg of per spoorweg) niet als een onjuiste toepassing van artikel 47 sub 3 van het Statuut beschouwd. Hij heeft zich slechts beperkt tot het uitspreken van de wens, dat in de toekomst ter zake een gemeenschappelijk criterium zou worden aanvaard.
Uitgaande van de gedachte dat het in het besluit van de Commissie van Voorzitters van 9 mei 1960 neergelegde antwoord op de door artikel 47 sub 3 van het Statuut opgeroepen vraag aan inhoud en strekking van deze bepaling geen recht doet wedervaren en derhalve tot gevolg heeft dat het recht van verzoeker op de separatievergoeding vervalt, stelt betrokkene dat bedoelde oplossing in feite neerkomt op wijziging van het artikel. Volgens artikel 62 van het Personeelsstatuut kan het Statuut alleen worden gewijzigd door de Commissie van Voorzitters op voorstel van een der Instellingen en na raadpleging van de andere Instellingen, alsmede van het Personeelscomité van iedere Instelling en eventueel na advies van de Commissie voor het Algemeen Reglement, welke krachtens artikel 46 is ingesteld. Daar het voorschrift van dit artikel in casu niet is gevolgd, nu de vereiste raadpleging niet heeft plaatsgehad, wordt artikel 62 voornoemd door het besluit van de Commissie van Voorzitters van 9 mei 1960 — een besluit houdende wijziging van het Statuut — geschonden. Bijgevolg is de beschikking van de President van het Hof van 21 september 1960 eveneens ongeldig, daar deze strekt tot toepassing op verzoeker van een besluit — namelijk dat van de Commissie van Voorzitters — hetwelk in strijd is met artikel 62 van het Personeelsstatuut.
Verweerder onderzoekt in de eerste plaats het standpunt van de Commissie van Voorzitters
ten opzichte van het rapport van de Financiële Commissaris;
ten opzichte van de toepassing van het Statuut en het Algemeen Reglement van de Gemeenschap.
Ten aanzien van het eerste punt merkt verweerder op, dat de onregelmatigheden of moeilijkheden, die naar aanleiding van de boekhouding of de financiën van de Gemeenschap kunnen rijzen, door de Financiële Commissaris ter kennis worden gebracht van de Commissie van Voorzitters. Het Verdrag bepaalt niet, welke instantie bevoegd is tot het nemen van besluiten ten aanzien van de vragen die door het rapport van de Financiële Commissaris worden opgeworpen; doch uit het feit dat de Commissie de zorg heeft voor de harmonisering van het administratieve beleid der verschillende Instellingen van de E.G.K.S. leidt zij af, dat zij als enige instantie de bevoegdheid heeft om de suggesties van de Financiële Commissaris op te volgen of naast zich neer te leggen.
Ten aanzien van het tweede punt wijst verweerder er op, dat de administraties van de Instellingen, welke in de Commissie voor gemeenschappelijke belangen zijn verenigd, in opdracht van de Commissie van Voorzitters zijn belast met de vaststelling van de wijze van toepassing van de bepalingen van het Statuut (en van het Reglement), indien omtrent de uitleg daarvan onenigheid bestaat.
Deze voorschriften zijn in casu nageleefd, aldus verweerder, daar de Commissie van Voorzitters enerzijds nota heeft genomen van de opmerkingen van de Financiële Commissaris over de toepassing van artikel 47 sub 3 van het Statuut en anderzijds de Commissie voor gemeenschappelijke belangen heeft gelast, voorstellen te doen omtrent een uniforme oplossing van het vraagstuk. Bedoelde oplossing werd door de Commissie van Voorzitters gevolgd in haar besluit van 9 mei 1960 en medegedeeld aan elk der Instellingen die zich daaraan dienden te houden. Hieruit volgt dat de Commissie van Voorzitters bij het nemen van het besluit van 9 mei 1960 binnen de kring van haar bevoegdheden is gebleven en dat bijgevolg de beschikking van de President van het Hof van 21 september 1960 niet als ongeldig mag worden beschouwd op de enkele grond dat deze berust op het besluit van 9 mei 1960.
Verweerder gaat vervolgens na, of de Commissie van Voorzitters bij het nemen van de beslissing vervat in haar besluit van 9 mei 1960 een verkeerde interpretatie heeft gegeven van artikel 47 sub 3 van het Personeelsstatuut. Verweerder houdt staande dat dit besluit wettig is en voert daartoe het volgende aan:
a) Wat betreft de algemene strekking of de geest van de wet valt te bedenken, dat de separatievergoeding ten doel heeft een aanvulling te vormen op het salaris der ambtenaren die, wanneer zij bij de Gemeenschap in dienst treden, een verandering in hun leefwijze en levensstandaard zien intreden. Daarom is de stelling onjuist, dat deze vergoeding is verbonden met de afstand die de ambtenaar in feite moet afleggen om naar zijn woonplaats terug te keren; zulks te meer omdat de ambtenaren volgens artikel 9 van het Personeelsstatuut verplicht zijn in hun standplaats of in de onmiddellijke omgeving daarvan te wonen. De separatievergoeding, waarvan sprake is in artikel 47 sub 3 van het Statuut, heeft voornamelijk ten doel de ambtenaar, die door bij de Gemeenschap in dienst te treden zijn oorspronkelijke woonplaats heeft moeten verlaten om zich in een ander oord te vestigen, in staat te stellen de met zijn verplaatsing samenhangende moeilijkheden te overwinnen. Dit verklaart trouwens waarom in het ontwerp voor het Personeelsstatuut van de E.E.G. en de E.G.A. het woord „separatievergoeding” (indemnité de séparation) is vervangen door „verplaatsingsvergoeding” (indemnité de dépaysement). Artikel 47 sub 3 gaat dus uit van de gedachte dat de ambtenaar is verhuisd naar een plaats die hem vreemd is, niet van de afstand die hij in feite dagelijks moet afleggen om zich naar zijn werk of woonplaats te begeven. Dit leidt tot de logische gevolgtrekking, dat de in dit artikel bedoelde afstand van 25 km moet worden berekend als afstand in vogelvlucht; dit geldt ook voor de E.E.G. en de E.G.A., waar de bedoelde vergoeding is toegekend aan de personeelsleden wier verblijfplaats zich op een straal van meer dan 70 km van het centrum van de stad Brussel bevindt.
b) De conclusies welke verzoeker ontleent aan de vergelijking van artikel 16 sub b van het Voorlopige Reglement van het personeel met artikel 47 sub 3 van het Personeelsstatuut zijn niet gegrond. Bij de opstelling van het ontwerp voor het Statuut had de Comissie van Voorzitters in haar elfde zitting van 24 maart 1955 de formulering overgenomen van voornoemd artikel 16 sub b, waarin het woord „straal” voorkwam. Nadat de Voorzitter van de Hoge Autoriteit een nieuw ontwerp had ingediend, besloot de Commissie op12 december 1955 (14e zitting) haar werkzaamheden voort te zetten op grond van dit ontwerp, waarvan de bepaling betreffende de separatievergoeding (artikel 47 sub 3) anders was geformuleerd dan in het vorige door de Commissie gebruikte ontwerp. Niet alleen was het woord „straal” vervangen door de woorden „op minder dan .. km afstand” doch het voorstel was in een positieve, niet in een negatieve vorm gegoten. De Commissie heeft vervolgens dit ontwerp aangevuld en opnieuw het beginsel opgenomen van een voortdurend verblijf gedurende een zekere tijd, alsmede het criterium van 25 km, dat reeds in het oorspronkelijke ontwerp werd genoemd.
Al deze omstandigheden te zamen bewijzen dus duidelijk dat de Commissie, toen zij de huidige formulering van artikel 47 sub 3 van het Statuut aanvaardde, geenszins de bedoeling had af te wijken van de beginselen en criteria die zij in het aanvankelijke ontwerp had neergelegd en dat het vervallen van het woord „straal”, dat in dit ontwerp voorkwam, te wijten is aan de wens, de redactie van dit artikel te vereenvoudigen. De door de Commissie van Voorzitters gevolgde oplossing moet ook uit dit oogpunt als een juiste en normale uitleg van artikel 47 sub 3 van het Personeelsstatuut, niet als een wijziging daarop, worden beschouwd.
3) TEN AANZIEN VAN DE GESTELDE ONBEVOEGDHEID VAN DE PRESIDENT VAN HET HOF VAN JUSTITIE
Afgezien van de ongeldigheid van het besluit van de Commissie van Voorzitters stelt verzoeker voorts, dat de beschikking van de President van het Hof d.d. 21 september 1960 onwettig is, omdat deze door een onbevoegde instantie is genomen.
Volgens artikel 16 van het Statuut van het Hof van Justitie wordt de status van de personeelsleden van het Hof bepaald door het Hof zelf. Aldus is overeenkomstig deze bepaling het door de Commissie van Voorzitters opgestelde Personeelsstatuut aanvaard bij besluit van het Hof van Justitie d.d. 1 maart 1960 en door het Hof van kracht verklaard op 1 juli 1956 (zie Personeelsstatuut in fine). Nu, aldus verzoeker, het Personeelsstatuut op deze wijze is aanvaard en van kracht verklaard voor het Hof van Justitie, spreekt het vanzelf dat deze methode ook had moeten worden gevolgd in het onderhavige geval, waar het gaat om de aanvaarding en de toepassing van een „nieuwe interpretatie” van artikel 47 sub 3 van het Statuut ten opzichte van het Hof. Daar de uitleg, welke de Commissie voor gemeenschappelijke belangen aan dit artikel heeft gegeven en de Commissie van Voorzitters heeft gevolgd, in strijd met het voorgaande ten opzichte van het Hof is aanvaard en toegepast door de President in de bestreden beschikking en niet door het Hof zelf, is deze beschikking onwettig.
In antwoord op deze grief wijst verweerder er op, dat alle Instellingen het besluit van de Commissie van Voorzitters hebben „opgevolgd” en dat, wat betreft de uitvoering van het Statuut en het Reglement, de bevoegdheid van de President van het Hof niet in twijfel kan worden getrokken, daar uit artikel 1 sub b van bijlage I van het Personeelsstatuut voortvloeit, dat de toepassing van het Statuut en het Reglement binnen het Hof is toevertrouwd aan het tot aanstelling bevoegde gezag: in casu de President van het Hof.
4) TEN AANZIEN VAN DE GESTELDE SCHENDING VAN VERKREGEN RECHTEN
Na te hebben herhaald dat de separatievergoeding was toegekend door het bevoegde gezag, op een juiste interpretatie van artikel 47 sub 3 van het Statuut was gebaseerd en derhalve geldig was, stelt verzoeker dat aldus een subjectief recht in het leven is geroepen. Hieruit volgt dus dat, volgens de rechtspraak van het Hof in de zaak Algera, de rechten welke hij aan de beschikking ontleende hem in beginsel niet konden worden ontnomen, aangezien hier sprake was van een verkregen subjectief recht en aangezien de eis, dat het vertrouwen in de continuïteit van de aldus ontstane situatie wordt gewaarborgd, het wint van het belang van de administratie die op haar eenmaal genomen besluit wenst terug te komen.
In antwoord op dit betoog volstaat verweerder met te wijzen op de beginselen van de rechtspraak van het Hof in deze zelfde zaak Algera. Verweerder ontkent dat de litigieuze beschikking als de „intrekking van een wettige handeling” kan worden beschouwd en merkt op, dat de feiten van het onderhavige geding er op wijzen, dat de Commissie van Voorzitters en de President van het Hof van mening waren dat er in casu geen sprake kon zijn van verkregen rechten in engere zin.
Verzoeker stelt voorts dat het Hof van Justitie, door het Personeelsstatuut te aanvaarden en de separatievergoeding aan verzoeker toe te kennen, met deze een geldige stilzwijgende overeenkomst heeft gesloten, die het Hof niet eenzijdig kan opzeggen. Verweerder antwoordt hierop, dat de beschikking van het Hof van Justitie van 11 maart 1958, waarbij de separatievergoeding aan verzoeker werd toegekend, het karakter heeft van een „beschikking” en niet van een „contractuele verbintenis”. In dit verband voert verweerder aan, dat de na de inwerkingtreding van het Statuut tussen het Hof en verzoeker bestaande rechtsverhouding niet van contractuele aard is, doch tot het publiekrecht behoort en derhalve om redenen van dienstbelang door de administratie kan worden gewijzigd.
5) TEN AANZIEN VAN DE GESTELDE SCHENDING VAN ARTIKEL 60 LID 5 SUB 2 VAN HET PERSONEELSSTATUUT
Verzoeker stelt ten slotte dat de bestreden beschikking in strijd is met artikel 60 lid 5 sub 2 van het Personeelsstatuut, daar de beschikking inbreuk maakt op het beginsel dat is neergelegd in dit artikel, volgens hetwelk „de ambtenaren, die op grond van artikel 47 sub 3 niet langer de separatievergoeding zouden genieten, maandelijks als compenserende vergoeding het verschil ontvangen tussen het bedrag, dat zij op het tijdstip van hun aanstelling ontvingen in hun hoedanigheid van niet op de standplaats woonachtige, en het bedrag van de verblijfsvergoeding op grond van artikel 47 sub 3”.
Verweerder bespreekt deze stelling te zamen met die, volgens welke de toekenning van de separatievergoeding door het Hof van contractuele aard is, en voert dezelfde argumenten ter bestrijding aan.
IV — Procedure
Overwegende dat de procedure een normaal verloop heeft gehad;
Overwegende dat verzoeker bij brief van 16 januari 1961 aan de President van de Eerste Kamer heeft verzocht om overlegging„van de volledige notulen van de zittingen van de Commissie van Voorzitters en van alle andere documenten, welke afkomstig zijn van de andere Instellingen van de Gemeenschap of van interne commissies, in het bijzonder de Commissie voor gemeenschappelijke belangen, en betrekking hebben op de toepassing van artikel 47 sub 3 van het Personeelsstatuut”;
Overwegende dat verweerder in zijn op 26 januari 1961 ingediende opmerkingen heeft gesteld dat bij een nauwgezet onderzoek van de notulen van de verschillende vergaderingen van de Commissie van Voorzitters tussen 24 maart 1955 en 29 maart 1956 is gebleken, dat naar weten van verweerder na 24 maart 1955 de kwestie van de berekening van de afstand voor de toepassing van de standplaatsvergoeding of separatievergoeding door geen enkele instantie opnieuw aan de orde is gesteld; dat verweerder evenmin enige verwijzing naar het voorwerp van het onderhavige geding heeft gevonden bij het onderzoek van de aan de Commissie van Voorzitters voorgelegde documenten, welke het Personeelsstatuut betreffen en van de verschillende geraadpleegde instanties afkomstig waren;
dat verweerder ten slotte, hoewel zich refererende aan het oordeel van het Hof omtrent de vraag of overlegging van de door verzoeker gevraagde documenten noodzakelijk en gewenst is, heeft gewezen op de nadelen welke uit de overlegging zouden voortvloeien;
Overwegende dat het Hof in zijn zitting van 16 februari 1961 op rapport van de Rechter-Rapporteur, de Advocaat-Generaal gehoord, heeft besloten dat geen aanleiding bestond tot het bevelen van maatregelen van instructie.
TEN AANZIEN VAN HET RECHT
A — TEN AANZIEN VAN DE ONTVANKELIJKHEID
Overwegende dat het beroep is ingesteld met inachtneming der in het Verdrag en het Reglement voor de procesvoering gestelde vormvoorschriften en termijnen;
dat de ontvankelijkheid door verweerder niet wordt bestreden en geen aanleiding geeft tot opmerkingen ambtshalve;
dat het beroep ontvankelijk is;
B — TEN PRINCIPALE
I
Overwegende dat het beroep is gegrond op vier grieven;
1. Overwegende dat de eerste grief van verzoeker inhoudt, dat de Commissie van Voorzitters artikel 62 van het Personeelsstatuut heeft geschonden door artikel 47 sub 3 van dit Statuut te vervangen door een bepaling van volkomen andere strekking, zonder de formaliteiten van artikel 62 in acht te nemen; dat verzoeker ter motivering van zijn stelling aanvoert, dat artikel 47 sub 3 van het Statuut niet mag worden uitgelegd op de wijze als in de bestreden beschikking is geschied; Overwegende dat het eerste gedeelte van deze grief ongegrond is, daar niets de conclusie rechtvaardigt dat de Commissie van Voorzitters de bedoeling had de tekst van artikel 47 sub 3 te wijzigen; dat de Commissie van Voorzitters zich er toe heeft beperkt deze tekst te interpreteren; dat, zelfs indien deze interpretatie eventueel als onjuist zou worden beschouwd, deze omstandigheid niet de conclusie zou wettigen dat de tekst is gewijzigd, doch uitsluitend grond zou zijn voor de vaststelling dat een zodanige uitleg onjuist is; dat de grief van schending van artikel 62 mitsdien behoort te worden verworpen, daargelaten de vraag of de Commissie van Voorzitters artikel 47 sub 3 op juiste wijze heeft uitgelegd;
2. Overwegende dat de tweede grief van verzoeker inhoudt, dat de President van het Hof van Justitie onbevoegd was tot het nemen van de bestreden beschikking; dat deze grief op gelijke overwegingen berust als de voorgaande, daar verzoeker zich nogmaals beroept op artikel 62 om aan te tonen dat wijziging van het Statuut tot de competentie van het Hof, niet tot die van de President behoort; Overwegende dat deze grief op de hierboven vermelde gronden behoort te worden verworpen; Overwegende dat verzoeker bij repliek stelt, dat een nieuwe wijze van uitleg gelijkstaat met een nieuwe beschikking; Overwegende dat de grief ook vanuit dit oogpunt bezien ongegrond is, daar vaststaat dat de President van het Hof (juister: de Griffier onder gezag van de President) bevoegd was tot toepassing van artikel 47 sub 3; dat niet kan worden ontkend dat de President van het Hof bevoegd en tevens verplicht was de bepaling, welke hij geroepen was toe te passen, uit te leggen, onder voorbehoud van de controle van het Hof op de juistheid van deze interpretatie;
3. Overwegende dat de derde grief van verzoeker inhoudt, dat de President van het Hof verkregen rechten heeft geschonden; Overwegende dat de beschikking waarbij de separatievergoeding aan verzoeker werd toegekend niet is ingetrokken met werking ex tunc, doch uitsluitend voor de toekomst is gewijzigd; dat de vergoeding voorts ad personam werd gehandhaafd totdat deze geleidelijk zou zijn geabsorbeerd door toekomstige salarisverhogingen; Overwegende dat, indien een administratieve instantie erkent dat een bepaalde uitkering is verleend op grond van de onjuiste interpretatie van een wettelijk voorschrift, zij de bevoegdheid heeft haar vroegere beslissing te wijzigen; dat de intrekking van een beschikking op de grond dat deze onwettig is — zelfs indien in sommige gevallen, vanwege verkregen rechten, nietigverklaring ex tunc is uitgesloten — steeds deze werking ex nunc heeft; Overwegende dat deze grief mitsdien faalt;
4. Overwegende dat verzoeker ten slotte een beroep doet op schending van artikel 60 lid 5 sub 2 van het Personeelsstatuut, waarbij een compenserende vergoeding wordt toegekend aan de ambtenaren „die op grond van artikel 47 sub 3 niet langer de separatievergoeding zouden genieten”; Overwegende dat: artikel 60 lid 5 sub 2 een overgangsbepaling bevat, die uitsluitend is geschreven voor vóór de inwerkingtreding van het Statuut bestaande casusposities en derhalve slechts op deze casusposities kon worden toegepast; aangenomen dat deze bepaling toepassing zou kunnen vinden indien (hetgeen zich in casu niet voordoet) artikel 47 sub 3 afzonderlijk zou zijn gewijzigd, deze toepassing zou zijn uitgesloten in geval een ter uitvoering van dit artikel gegeven beschikking zou worden ingetrokken, althans indien de intrekking daardoor wordt gemotiveerd dat de beschikking was genomen op grond van een onjuiste uitleg van het artikel; Overwegende dat mitsdien deze grief ongegrond is;
II
Overwegende dat thans nog de vraag dient te worden beantwoord, of de interpretatie van artikel 47 sub 3, welke door de Commissie van Voorzitters is aanvaard en door de President van het Hof is gevolgd, juist is;
Overwegende dat verweerder stelt, dat de tekst van dit artikel, dat artikel 16 sub b van het Voorlopige Reglement van het personeel verving, was voorgesteld door de Hoge Autoriteit, welke steeds, zowel onder het systeem van het voorlopige Reglement als van het Statuut, het criterium van de afstand in vogelvlucht heeft toegepast;
dat hieruit zou blijken dat de auteurs van deze bepaling niet de bedoeling hadden, wijziging te brengen in het stelsel zoals dit duidelijk tot uitdrukking kwam in de vroegere tekst en „dat het vervallen van het woord straal niet het gevolg is van een formele beslissing, doch slechts van een vereenvoudiging van redactie”;
Overwegende dat dit argument evenwel niet wordt gestaafd door enig document, waaruit blijkt dat de bedoeling, het bestaande stelsel te wijzigen, uitgesloten moet worden geacht;
dat daarentegen het verschil in redactie tussen beide bepalingen op zichzelf een argument is voor het vermoeden, dat de auteurs van de nieuwe bepaling de bedoeling hadden het vroegere criterium te wijzigen; dat immers behoudens tegenbewijs moet worden aangenomen, dat elk verschil in redactie een verschil in betekenis impliceert, indien de nieuwe tekst aanleiding geeft tot een verschillende interpretatie;
Overwegende dat de formulering van de vroegere bepaling geen twijfel liet bestaan, daar het woord „straal” geheel beantwoord aan het begrip afstand in vogelvlucht;
dat daarentegen de woorden van artikel 47 sub 3, letterlijk genomen, voor dubbele uitleg vatbaar zijn, daar een bepaalde afstand zowel in vogelvlucht kan worden gemeten als langs de weg of per spoor;
Overwegende dat bijgevolg, indien in een voorschrift het woord „straal” was ingevoerd ter vervanging van het woord „afstand”, de betekenis van de wijziging duidelijk zou zijn geweest, daar het dan kennelijk in de bedoeling van de auteurs van het nieuwe voorschrift zou hebben gelegen, tussen de beide mogelijke interpretaties van de vroegere tekst te kiezen voor die lezing, volgens welke de afstand in vogelvlucht moet worden gemeten;
dat in het onderhavige geval evenwel het tegendeel is geschied;
Overwegende dat, nu de opstellers van de tekst in casu het woord „straal” door het woord „afstand” hebben vervangen, duidelijk is aangetoond, dat zij het begrip „vogelvlucht” (hetwelk duidelijk werd uitgedrukt door het woord „straal”) wilden verwerpen en daarentegen het begrip „traject” langs de weg of per spoor wilden invoeren;
Overwegende dat, nu uit de geschiedenis van de totstandkoming van het Statuut de bedoeling van de auteurs der bepaling niet duidelijk blijkt, het Hof slechts van de betekenis van de bestaande tekst kan uitgaan en daaraan de zin geven, die uit een letterlijke en logische interpretatie voortvloeit;
Overwegende ten slotte dat het argument, dat het criterium van de afstand in vogelvlucht zowel onder het systeem van het Voorlopige Reglement als van het Statuut voortdurend is toegepast, wordt verzwakt door de omstandigheid dat het Hof zich niet aan dit criterium heeft gehouden toen het op verzoek van belanghebbenden uitvoering gaf aan artikel 47 sub 3;
Overwegende dat nog dient te worden opgemerkt, dat artikel 47 sub 3 niet nauwkeurig aangeeft op welke wijze de afstand moet worden berekend (langs de weg, per spoor, volgens het kortste traject van de twee);
Overwegende evenwel dat, nu de bepaling gebrekkig is geformuleerd, dient te worden erkend dat niets belet, bij de interpretatie uit te gaan van het criterium dat het meest voor de hand ligt, dat wil zeggen dat van de kortste afstand, langs de weg of per spoor, berekend langs een normaal traject;
Overwegende dat bijgevolg het Hof, hoewel erkennende dat de formulering van artikel 47 sub 3 op het eerste gezicht voor tweeërlei uitleg vatbaar is, moet constateren dat de door de Commissie van Voorzitters en de President van het Hof gegeven interpretatie niet met de betekenis van deze bepaling in overeenstemming is;
dat de beschikking, waarbij de vroegere beschikking werd ingetrokken, onwettig is en bijgevolg behoort te worden nietigverklaard;
TEN AANZIEN VAN DE KOSTEN
Overwegende dat verzoeker in het gelijk is gesteld;
dat bijgevolg verweerder krachtens artikel 69 paragraaf 2 van het Reglement voor de procesvoering in de kosten behoort te worden veroordeeld;
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE
Rechtdoende,
Vernietigt de beschikking van de President van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen houdende intrekking van de aan verzoeker toegekende separatievergoeding;
Bepaalt dat de kosten ten laste van verweerder komen;
Ontzegt het meer of anders gevorderde.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt
Rechtspraak
1Europese Unie
1Hof van JustitieC-348/1827.06.2019