Arrest van het Hof van 10 oktober 1978, 148/77 · Europese rechtspraak, andere materies

Naar de tekst
Juriel

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen Voltallige zitting 148/77 ECLI:EU:C:1978:173 10 oktober 1978

Zoeken

Arrest van het Hof van 10 oktober 1978, 148/77EEG-Verdrag art. 227 en art. 95

https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-148-77-arrest

Rechtscollege
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
Samenstelling
Voltallige zitting
Zaak
148/77
ECLI
ECLI:EU:C:1978:173
Datum
10 oktober 1978

Naar het dictum

De zaak

Procedure
Prejudiciële verwijzing
Verwijzende rechter
Finanzgericht Hamburg (Duitsland) beslissing van 24 oktober 1977 V 30/76 S-H (IV)
Zaak ingediend op
7 december 1977
Advocaat-generaal
Capotorti
Opmerkingen
Duitse regering Commissie
Nationale beslissing na het arrest
Finanzgericht Hamburg beslissing van 23 mei 1979 V 30/76 S-H (IV) ; Bundesfinanzhof beslissing van 17 december 1981 VII R 54/79

Over het document

Verzameling
Europese rechtspraak, andere materies
Taal van de tekst
Nederlands
Procestaal
Duits
Jurisprudentie
Jurispr. 1978, blz. 1787
Meer informatie
Rechter-rapporteur
Pescatore
Repertorium van het Hof

Tekst

81 paragrafen

ARREST

Ten aanzien van de feiten

Overwegende dat de feiten, het proces-verloop en de krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG ingediende schriftelijke opmerkingen kunnen worden samengevat als volgt:

I — De feiten en de schriftelijke behandeling

De firma H. Hansen jun. & O. C. Balle GmbH & Co. (hierna te noemen Hansen), gevestigd te Flensburg, produceert gedistilleerd voor menselijke consumptie. Zij gebruikt hierbij verschillende soorten alcohol, waarvan er enkele worden ingevoerd uit Guadeloupe, Suriname, Jamaica en Indonesië vervolgens in haar eigen depot worden ogeslagen.

Voor de maand september 1974 meldde Hansen gedistilleerd, bevattende in totaal 427884,3 l zuivere alcohol, ter inklaring aan.

Bij beschikking van 11 oktober 1974 vorderde het Hauptzollamt Flensburg van Hansen de betaling van „Branntweinsteuer” ten bedrage van DM 6476473,50, op grondslag van 431764,9 l alcohol en naar rato van een belastingpercentage van DM 1500/hl alcohol.

Hiertegen diende Hansen bij brief van 16 oktober 1974 een bezwaarschrift in, dat door het Hauptzollamt Flensburg bij beschikking van 19 augustus 1975 ongegrond werd verklaard.

Tegen deze beschikking stelde Hansen op 1 september 1976 beroep in bij het Finanzgericht Hamburg.

Hansen was onder meer van mening dat de krachtens § 151, lid 1, van het „Branntweinmonopolgesetz” van 8 april 1922 geheven „Monopolausgleich” voor de ingevoerde rum niet hoger mocht zijn dan de laagste „Branntweinaufschlag”, die voortvloeit uit paragraaf 79, lid 2, van het „Branntweinmonopolgesetz”. Deze laatste bedroeg in het litigieuze tijdvak slechts DM 1210,60 per hl alcohol, zodat de uit derde landen of de Franse overzeese departementen ingevoerde rum overeenkomstig artikel 95, eerste en tweede alinea, EEG-Verdrag slechts met genoemd bedrag en niet met DM 1500 per hl alcohol mocht worden belast.

Het Finanzgericht Hamburg besloot bij beschikking van de IVe Senat van 24 oktober 1977 de procedure te schorsen en het Hof van Justitie krachtens artikel 177 EEG-Verdrag te verzoeken om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:

Dient artikel 227, lid 2, EEG-Verdrag — volgens hetwelk de bijzondere en algemene bepalingen van het Verdrag betreffende het vrije verkeer van goederen van toepassing zijn ten aanzien van de Franse overzeese departementen — aldus te worden uitgelegd, dat genoemde bepalingen tevens de belastingvoorschriften van het Derde deel, Titel I, hoofdstuk 2, en wel met name artikel 95 EEG-Verdrag omvatten, of vallen onder de bepalingen betreffende het vrije verkeer van goederen in de zin van artikel 227, lid 2, alleen de voorschriften van het Tweede deel, Titel I?

2. Dient artikel 37 EEG-Verdrag, en — bijaldien artikel 95 EEG-Verdrag op het goederenverkeer met Franse departementen van toepassing is, ook laatstgenoemd voorschrift — aldus te worden uitgelegd, dat op goederen uit Lid-Staten respectievelijk uit de Franse departementen bij invoer geen hogere heffingen in de vorm van verbruiksbelastingen mogen worden geheven dan waaraan dezelfde, gelijksoortige of substitueerbare binnenslands vervaardigde goederen volgens het laagste heffingpercentage worden onderworpen, ook al wordt dat laagste heffingpercentage slechts op een klein deel van de binnenlandse produktie en om bijzondere redenen van sociale aard geheven?

3. Kan er bij verlaging der belasting van een deel der binnenlandse produktie sprake zijn van een door de staat genomen steunmaatregel, vallende onder de voorschriften van de artikelen 92 tot en met 94 EEG-Verdrag, c.q. volgens welke maatstaven moeten steunmaatregelen van een staat in de zin van artikel 92 EEG-Verdrag worden afgegrensd van belastingvrijstellingen, welker verenigbaarheid met het Verdrag aan de belastingvoorschriften van artikel 95 en eventueel aan de bepalingen inzake nationale monopolies van commerciële aard als bedoeld in artikel 37, moet worden getoetst?

4. Indien er op de uit Lid-Staten c.q. ook uit de in artikel 227, lid 2, EEG-Verdrag genoemde gebieden ingevoerde goederen bij invoer geen hogere belasting mag worden geheven dan de laagste belasting voor dezelfde, gelijksoortige of substitueerbare binnenslands vervaardigde produkten: dient de in artikel 9 EEG-Verdrag gebezigde term heffing van gelijke werking als douanerechten aldus te worden uitgelegd, dat er ook verbruiksbelastingen onder vallen, wanneer bij invoer uit derde landen hogere verbruiksbelastingen worden geheven dan bij invoer van dezelfde, gelijksoortige of substitueerbare goederen uit Lid-Staten respectievelijk uit de in artikel 227, lid 2, EEG-Verdrag genoemde gebieden?

5. Zo ja: Dienen artikel 9 EEG-Verdrag in samenhang met verordening (EEG) nr. 950/68 en artikel 189 EEG-Verdrag aldus te worden uitgelegd, dat de Lid-Staten na 1 juli 1968 geen heffingen van gelijke werking als douanerechten mogen instellen welke ertoe leiden dat uit derde landen ingevoerde goederen zwaarder worden belast dan dezelfde, gelijksoortige of substitueerbare goederen uit Lid-Staten respectievelijk uit de in artikel 227, lid 2, EEG-Verdrag genoemde gebieden?”

De beschikking van het Finanzgericht Hamburg is op 7 december 1977 ingeschreven ter griffie van het Hof.

Krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG zijn op 13 februari 1978 schriftelijke opmerkingen ingediend door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, op 23 februari 1978 door de firma H. Hansen jun. & O. C. Balle GmbH & Co., verzoekster in het hoofdgeding, en op 24 februari 1978 door de regering van de Bondsrepubliek Duitsland.

Het Hof heeft, op rapport van de rechter-rapporteur en gehoord de advocaat-generaal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.

Het heeft evenwel de regering van de Bondsrepubliek Duitsland en van de Franse Republiek alsmede de Commissie van de Europese Gemeenschappen uitgenodigd voor het begin van de mondelinge behandeling schriftelijk bepaalde vragen te beantwoorden. Zulks is na verlenging van de aanvankelijk vastgestelde termijn geschied.

II — Schriftelijke opmerkingen, ingediend krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG

In het betoog van de firma H. Hansen jun. & O. C. Balle GmbH & Co., verzoekster in het hoofdgeding, wordt het probleem vanuit vier invalshoeken benaderd:

a) Zowel artikel 37, lid 1, als artikel 37, lid 2, EEG-Verdrag hebben naar hun aard rechtstreekse werking. De rechtstreekse toepasselijkheid geldt in de eerste plaats voor invoeren uit de andere Lid- Staten, maar daarnaast ook voor invoeren uit de in artikel 227, lid 2, EEG-Verdrag uitdrukkelijk vermelde landen, waaronder de Franse overzeese departementen. Daar artikel 227, lid 2, EEG-Verdrag verwijst naar de bijzondere en algemene bepalingen van het Verdrag betreffende het vrije verkeer van goederen, verwijst het mede naar het discriminatieverbod van artikel 37 EEG-Verdrag. Dit krijgt hier zijn bijzondere werking van verbod van heffingen van gelijke werking als douanerechten en omvat ook invoeren uit derde landen. Voorts dient in het onderhavige geval in aanmerking te worden genomen dat de goederen in de zin van artikel 10 EEG-Verdrag in het vrije verkeer zijn gebracht en bijgevolg voorwerp van het intracommunautaire handelsverkeer zijn. Het Duitse Branntweinmonopol is een nationaal monopolie van commerciële aard in de zin van artikel 37 EEG-Verdrag. Dit voorschrift geldt eveneens voor de door een staat aan andere rechtspersonen overgedragen monopolies. Derhalve heeft deze bepaling het oog op alle maatregelen en gevolgen van een nationaal monopolie van commerciële aard, die van discriminerende aard zijn en het vrije handelsverkeer beperken. Volgens de door het Hof van Justitie gegeven omschrijving van de draagwijdte van het in artikel 37 EEG-Verdrag neergelegde discriminatieverbod is het niet alleen van toepassing op in- of uitvoeren die rechtstreeks het voorwerp vormen van een monopolie; het strekt zich uit tot alle maatregelen die verband houden met het bestaan van een monopolie en die bij bepaalde produkten, die al dan niet onder het monopolie kunnen vallen, het handelsverkeer tussen de Lid-Staten beïnvloeden. Artikel 37, lid 1, verbiedt iedere vorm van discriminatie. Daarom moet rekening worden gehouden met het geheel van voorwaarden die, als gevolg van het monopolie, de prijs van de produkten beïnvloeden. Het aan de Lid-Staten opgelegde gebod hun nationale monopolies van commerciële aard aan te passen, in dier voege dat aan het einde van de overgangsperiode elke discriminatie is uitgesloten, brengt voor de Lid-Staten de verplichting mee zelfs de enkele mogelijkheid van discriminatie uit te sluiten. Artikel 37 EEG-Verdrag is ook toepasselijk op heffingen die ertoe leiden dat ingevoerde produkten worden gediscrimineerd ten opzichte van de onder het monopolie vallende nationale produkten. Het discriminatieverbod en het aanpassingsgebod van artikel 37 EEG-Verdrag tezamen hebben een nog grotere draagwijdte dan artikel 95, tweede alinea, EEG-Verdrag, daar onder het eerste voorschrift ook in- en uitvoeren kunnen vallen die niet rechtstreeks het voorwerp vormen van een monopolie. Een nieuwe heffing krijgt dan een discriminerende werking, indien zij op het ingevoerde produkt zwaarder weegt dan bij gelijksoortige nationale produkten het geval zou zijn. Bij de uitlegging van artikel 95 EEG-Verdrag is met het oog op de vergelijking van de verschillende heffingen het laagste heffingpercentage waaraan een nationaal produkt is onderworpen, doorslaggevend, ook al doet het verschil waartoe dit percentage leidt, zich slechts in enkele gevallen voor. Dezelfde uitlegging gaat op voor het fiscale discriminatieverbod van artikel 37 EEG-Verdrag. Overigens is in feite niet slechts een „klein gedeelte van de nationale produktie” aan de overeenkomstig § 79, lid 2, sub 1, Branntweinmonopolgesetz vastgestelde verlaagde Branntweinaufschlag onderworpen geweest. Volgens 's Hofs rechtspraak is een fiscaal voordeel dat voor een klein gedeelte van de produktie wordt verleend, reeds voldoende om een concrete schending van het discriminatieverbod te doen ontstaan. Het Finanzgericht Hamburg gaat ten onrechte ervan uit, dat de verlaagde Branntweinaufschlag de sociaal zwakkere bevolkingsgroepen ten goede komt. Sociale motieven en overwegingen van welke aard dan ook kunnen de fiscale begunstiging, zelfs van kleine delen van de nationale produktie, niet uitsluiten van de vergelijking tussen heffingen op ingevoerde en nationale produkten. Bijgevolg ware de tweede vraag als volgt te beantwoorden: „Artikel 37 EEG-Verdrag dient aldus te worden uitgelegd, dat alcohol en alcoholprodukten, afkomstig uit Lid-Staten en uit Franse overzeese departementen in de zin van artikel 227, lid 2, EEG-Verdrag, bij invoer met geen hogere Monopolausgleich (verbruiksbelasting) mogen worden belast dan waaraan dezelfde, gelijksoortige of substitueerbare binnenslands gefabriceerde produkten volgens het laagste heffingpercentage zijn onderworpen. Dit geldt ook indien het laagste heffingpercentage slechts op een klein gedeelte van de nationale produktie of om bijzondere redenen van sociale aard wordt toegepast.”

b) Onder het begrip heffingen van gelijke werking als douane-rechten vallen ook verbruiksbelastingen, zodra bij invoer uit derde landen hogere verbruiksbelastingen worden geheven dan bij invoer van dezelfde, gelijksoortige of substitueerbare produkten uit Lid-Staten. Volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie is een heffing die zowel op ingevoerde als op nationale produkten wordt toegepast, zelfs dan een heffing van gelijke werking als douanerechten, indien de heffing niet systematisch en volgens dezelfde maatstaven op de ingevoerde en de nationale produkten wordt toegepast. In casu zij ten deze opgemerkt dat het belastinggedeelte van de Monopolausgleich geenszins volgens dezelfde maatstaven wordt berekend als het belastinggedeelte van de Branntweinaufschlag (§ 78 Branntweinmonopolgesetz) en dat van de regelmatige verkoopprijs van monopoliealcohol (§ § 88 e.v. Branntweinmonopolgesetz). Het voorschrift van § 152 Branntweinmonopolgesetz bepaalt niet dat de Monopolausgleich moet overeenstemmen met de Branntweinsteuer; het bepaalt echter evenmin dat de Monopolausgleich overeenkomstig het voorschrift van § 79, leden 2 en 3, Branntweinmonopolgesetz moet worden verlaagd. Bijgevolg is hier sprake van een discriminatie. Bij gebreke van maatstaven voor de berekening van de Monopolausgleich, overeenkomend met die voor de berekening van de Branntweinaufschlag en de regelmatige verkoopprijs, heeft ook het belastinggedeelte van de Monopolausgleich het karakter van een heffing van gelijke werking als douanerechten. Niet alleen vormt het berekeningssysteem geen garantie dat nationale en ingevoerde produkten in alle gevallen gelijk worden belast, het leidt verder noodzakelijkerwijze tot verschillende heffingen op dezelfde, gelijksoortige of substitueerbare produkten. Het verbod van heffingen van gelijke werking als douanerechten geldt voor alle importen uit derde landen. In zoverre is verwijzing naar artikel 227, lid 2, EEG-Verdrag niet nodig. Het verbod zelf vindt zijn grondslag in verordening (EEG) nr. 950/68 betreffende het gemeenschappelijk douanetarief en is toepasselijk sinds de inwerkingtreding daarvan op 1 juli 1968. De in het gemeenschappelijk douanetarief getrokken grenzen van de tariefbescherming mogen niet via de omweg van naast de douanerechten nog toegepaste heffingen worden verlegd. Uit het verbod van heffingen van gelijke werking als douanerechten vloeit stellig niet voort dat het totale belastinggedeelte van de Monopolausgleich en, gezien de onwettigheid van de Monopolausgleichspitze, de gehele Monopolausgleich onwettig is. Het Hof van Justitie heeft duidelijk uitgemaakt dat het de Lid-Staten eerst sedert de inwerkingtreding van het gemeenschappelijk douanetarief, dus sedert 1 juli 1968, verboden is eenzijdig nieuwe heffingen in te voeren dan wel reeds bestaande te verhogen. Wat de bestaande heffingen betreft staat het aan de communautaire autoriteiten te beoordelen of zij onverenigbaar zijn met het Verdrag en moeten worden afgeschaft. Het belastinggedeelte van de Monopolausgleich op 1 juli 1968 ten bedrage van DM 1200 per hl alcohol geldt ook voor de invoer van rum uit Guadeloupe, waarbij het om „intracommunautair handelsverkeer” in de zin van artikel 227, lid 2, EEG-Verdrag gaat.

c) De vragen inzake de rechtstreekse werking en de uitlegging van artikel 95 EEG-Verdrag zijn slechts van ondergeschikte aard: indien de op de geïmporteerde goederen geheven Monopolausgleich geheel of gedeeltelijk reeds overeenkomstig artikel 37 EEG-Verdrag in samenhang met de bepalingen over het gemeenschappelijk douanetarief onwettig is, komt de toepassing van artikel 95 EEG-Verdrag om juridische en feitelijke redenen niet in aanmerking. Bij discriminerende, van een monopolie uitgaande heffingen is de draagwijdte van het verbod van artikel 37 EEG-Verdrag minstens even groot als die van het verbod van artikel 95 EEG-Verdrag. Aan de rechtstreekse werking van artikel 95 EEG-Verdrag wordt tegenwoordig niet getwijfeld. Onderzocht moet worden, of dit artikel ook tot de „bijzondere en algemene bepalingen betreffende het vrije verkeer van goederen” in de zin van artikel 227, lid 2, EEG-Verdrag moet worden gerekend. Het is opvallend dat volgens artikel 227, lid 2, in het handelsverkeer met Guadeloupe wel de bepalingen betreffende het vrije verkeer van goederen, de landbouw, de vrijmaking van het dienstenverkeer en de regels voor de mededinging gelden, terwijl de fiscale voorschriften, en met name het fiscale discriminatieverbod van artikel 95 EEG-Verdrag, niet afzonderlijk worden genoemd. Overeenkomstig artikel 227, lid 2, EEG-Verdrag stelt de Raad op voorstel van de Commissie de voorwaarden voor de toepassing van de overige bepalingen van het EEG-Verdrag op de Franse overzeese departementen vast. De Raad en de Commissie hebben de voorwaarden voor de toepassing van artikel 95 EEG-Verdrag niet formeel vastgesteld, omdat zij blijkbaar ervan zijn uitgegaan dat dit voorschrift tot de bepalingen betreffende het vrije verkeer van goederen behoort. Reeds op grond van artikel 227, lid 2, EEG-Verdrag geldt het fiscale discriminatieverbod in het handelsverkeer tussen de Gemeenschap en Guadeloupe. Voor het overige bevat artikel 37 EEG-Verdrag, dat tot de bepalingen betreffende het vrije verkeer van goederen behoort, een verbod van discriminerende heffingen, dat op zijn minst even ver gaat als artikel 95 EEG-Verdrag, voor zover de heffingen op grond van een nationaal monopolie van commerciële aard worden toegepast of in het leven geroepen. Volgens de rechtspraak van het Hof is bij een vergelijking van de belasting op ingevoerde en nationale produkten het op nationale produkten geheven laagste heffingpercentage doorslaggevend. Het is in strijd met artikel 95 EEG-Verdrag wanneer de op een ingevoerd produkt toegepaste heffing hoger is dan de heffing waaraan het gelijksoortige nationale produkt — al is het maar in enkele gevallen — is onderworpen. Dat het hierbij slechts gaat om een klein gedeelte van de nationale produktie en bijzondere redenen, naar men zegt van sociale aard, een rol spelen, is onbelangrijk. De eerste en de tweede vraag moeten dan ook bevestigend worden beantwoord.

d) De voorschriften betreffende steunmaatregelen van de artikelen 92, en volgende EEG-Verdrag zijn op het hoofdgeding van toepassing in die zin, dat het daar gaat om ontoelaatbare steunmaatregelen. Wat artikel 42 EEG-Verdrag betreft, kan worden vastgesteld dat alcohol voor menselijke consumptie geen landbouwprodukt is. De verlaging van de heffingen voor een gedeelte van de nationale produktie van alcohol en gedistilleerd kan een steunmaatregel van de staat of „in welke vorm ook” met staatsmiddelen bekostigd in de zin van artikel 92, lid 1, EEG-Verdrag vormen. Daar na de inwerkingtreding van het EEG-Verdrag niet alleen de belastingtarieven, maar ook de prijsfactoren herhaaldelijk zijn gewijzigd zonder dat de Commissie daarvan op de hoogte is gebracht, kunnen particulieren op grond van artikel 93, lid 3, EEG-Verdrag zich voor de bevoegde rechter op de onwettigheid van de steunmaatregelen beroepen. De artikelen 92 en 93 enerzijds en artikel 95 EEG-Verdrag anderzijds hebben verschillende doelen. Dat een maatregel van de staat aan de eisen van artikel 95 EEG-Verdrag voldoet, betekent nog niet dat zij ook met het oog op de artikelen 92 en 93 EEG-Verdrag rechtmatig is. Dit geldt des te meer wanneer de maatregel van de staat evenmin met artikel 95 EEG-Verdrag verenigbaar is. Op dat moment zijn beide voorschriften van toepassing. Omdat moet worden onderzocht of ingevoerde produkten niet met hogere heffingen worden belast dan al dan niet rechtstreeks op gelijksoortige nationale produkten worden gelegd, moeten ook steunmaatregelen in aanmerking worden genomen, voor zover deze het karakter van autonoom ingevoerde en uit vaste bedragen bestaande heffingen hebben. Alleen die heffingen waaraan gelijksoortige nationale produkten al dan niet rechtstreeks rechtmatig onderworpen zijn, worden in aanmerking genomen. Gaat het bij de steunmaatregelen daarentegen niet om van overheidswege vastgestelde heffingen, dan worden ze niet in aanmerking genomen bij de vergelijking van de belastingen waaraan de betrokken produkten in het kader van artikel 95 zijn onderworpen. Artikel 37 EEG-Verdrag heeft andere doelstellingen dan de artikelen 92 en 93 EEG-Verdrag, ofschoon het steunmaatregelen verbiedt voor zover deze een onderdeel vormen van een nationaal monopolie van commerciële aard. In het kader van het Branntweinmonopol vallen alle discriminaties die het gevolg zijn van gesubsidiëerde overnameprijzen en belastingverlagingen, reeds onder het zeer ruime verbod van artikel 37 EEGVerdrag. De artikelen 92 en 93 EEG-Verdrag kunnen echter een rol gaan spelen, wanneer in plaats van maatregelen in het kader van een monopolie „gelijkwaardige waarborgen” in de zin van artikel 37, lid 4, EEG-Verdrag worden geschapen, die niet voldoen aan de voorschriften betreffende steunmaatregelen.

De regering van de Bondsrepubliek Duitsland merkt voornamelijk het volgende op:

a) Het hoofdstuk „Bepalingen betreffende belastingen” behoort niet tot de afdelingen van het EEG-Verdrag, die volgens artikel 227, lid 2, eerste zin, EEG-Verdrag van toepassing zijn ten aanzien van de Franse overzeese departementen. Aangezien de benaming van de daar opgesomde gebieden steeds letterlijk aansluit bij bepaalde titels en benamingen van hoofdstukken van het EEG-Verdrag, kunnen andersluidende titels of hoofdstukken er onmogelijk bij worden betrokken. De verwijzing naar het vrije verkeer van goederen heeft dan ook alleen betrekking op Titel I van het tweede deel van het Verdrag en niet op andere titels of hoofdstukken, zoals het hoofdstuk „Bepalingen betreffende belastingen”. De Raad heeft voorts geen besluit genomen waarbij het toepassingsgebied van artikel 227, lid 2, eerste zin, EEG-Verdrag in zoverre zou zijn uitgebreid. Op grond dat de toepassing van andere bepalingen van het Verdrag volgens de tweede zin van genoemde bepaling afhangt van een Raadsbesluit, mag ook niet worden aangenomen dat de eerste zin slechts een enuntiatieve opsomming bevat die door middel van uitlegging naar believen kan worden uitgebreid. Bij een strikt op de bewoordingen van artikel 227, lid 2, EEG-Verdrag gebaseerde uitlegging ware de vraag derhalve in de zin van het tweede alternatief te beantwoorden. De regering van de Bondsrepubliek Duitsland betwijfelt evenwel of een dergelijke opvatting ook verenigbaar is met de zin van de artikelen 95 en 227 EEG-Verdrag en de doeleinden van het Verdrag. Artikel 95 EEG-Verdrag is voor de verwezenlijking van de doeleinden van het EEG-Verdrag van fundamentele betekenis, omdat het verbod van fiscale discriminaties een van de voorwaarden voor de instelling van de gemeenschappelijke markt is. Het hangt wat zijn inhoud betreft, nauw samen met de bepalingen betreffende het vrije verkeer van goederen. In de betrekkingen van de Gemeenschap met derde landen speelt artikel 95 een al even belangrijke rol, daar het in het belang van een voortschrijdende ontwikkeling van de handelsbetrekkingen belastingen van fiscale aard, die de mededinging vervalsen, verbiedt. Deze uit artikel III, lid 2, van de GATT overgenomen regeling vormt daarom een nagenoeg regelmatig bestanddeel van de associatie- en handelsovereenkomsten, die de Gemeenschap met talrijke derde landen heeft afgesloten. Op grond van het voorgaande is het gevaarlijke een zuiver op de bewoordingen van artikel 227, lid 2, EEG-Verdrag gebaseerde uitlegging te prefereren en de toepasselijkheid van artikel 95 op de Franse overzeese departementen af te wijzen. Gelet op de andere voorgelegde vragen is het evenwel niet noodzakelijk de eerste vraag definitief te beantwoorden.

b) De maatstaf voor de — volgens gemeenschapsrecht toepasselijke — belasting op produkten, ingevoerd uit de Franse overzeese departementen, die — geproduceerd op eigen grondgebied — onderworpen zouden zijn aan het monopolie, wordt gevormd door artikel 37, lid 1, EEG-Verdrag. Deze bepaling omvat alle maatregelen die verband houden met het bestaan van een nationaal monopolie van commerciële aard, en met name ook de onderwerping aan heffingen. In zoverre is deze bepaling een herhaling van het in artikel 95 EEG-Ver drag neergelegde algemene fiscale discriminatieverbod ten aanzien van de invoer van produkten die in eigen land aan het monopolie zijn onderworpen. Dit geldt ook voor produkten die uit de Franse overzeese departementen werden ingevoerd. Als voorschrift van de eerste Titel van het EEG-Verdrag betreffende het vrije verkeer van goederen, is artikel 37 ten aanzien van de Franse overzeese departementen toe te passen overeenkomstig artikel 227, lid 2, EEG-Verdrag. Voor importen uit de Franse overzeese gebieden geldt derhalve ten aanzien van een deel van het goederenverkeer, namelijk de sector die onder het monopolie valt, zijdelings ook het verbod van fiscale discriminatie. Deze uitlegging betekent intussen geen ontoelaatbare uitbreiding van artikel 227, lid 2, EEG-Verdrag, omdat artikel 37 een bijzondere regeling vormt. Het in dit voorschrift neergelegde algemene aanpassingsgebod blijft leemten vertonen indien ten aanzien van bepaalde produkten discriminaties van fiscale aard kunnen voortbestaan. Het in artikel 37, lid 1, EEG-Verdrag neergelegde discriminatieverbod eist dat de heffingen op ingevoerde produkten geen hogere belasting vormen dan die op overeenkomstige nationale produkten. Het eist evenwel niet dat in geval van differentiële rechten de belasting op het ingevoerde produkt telkens wordt afgestemd op het laagste heffingpercentage. Het verbod van fiscale discriminaties geldt na het einde van de overgangsperiode onvoorwaardelijk en zonder uitzonderingen. Het speelt dan ook geen rol of de ongelijke behandeling gering in omvang is, terwijl de sociale doelstelling van een fiscale discriminatie evenmin betekenis heeft. Het beginsel van gelijke heffingen betekent daarentegen niet dat ingevoerde produkten ten opzichte van gelijksoortige nationale produkten fiscaal gunstiger moeten worden behandeld. Dit zou echter het geval zijn indien men bij differentiële heffingen op nationale produkten alle ingevoerde produkten steeds aan het laagste heffingpercentage zou willen onderwerpen. Het beginsel van gelijke heffingen betekent slechts dat de belasting van de import even hoog moet zijn als de belasting van de onder het monopolie vallende nationale produkten. Hiervoor is vereist en voldoende, dat de toegekende preferenties onder dezelfde voorwaarden en op gelijke wijze ook aan de ingevoerde produkten ten goede komen. Wanneer de voor nationale produkten toegekende vermindering niet kan worden doorgevoerd ten aanzien van de ingevoerde produkten, is de betrokken Lid-Staat gehouden de heffingen gelijk te trekken door invoering van een eenvormig belastingtarief of door de belasting terug te brengen tot het laagste heffingpercentage. Bij toepassing van § 79, lid 2, sub 1, Branntweinmonopolgesetz zijn de fiscale heffingmodaliteiten in overeenstemming met het beginsel van gelijke heffingen, zolang de begunstiging ook ten goede komt aan de geïmporteerde produkten. De verplichting om de belasting op ingevoerde produkten steeds aan te passen aan het laagste heffingpercentage, kan tenslotte leiden tot de opheffing van de differentiële heffingen en tot de invoering van eenvormige belastingtarieven, zoals een forfaitair tarief. De belastingwetgever kan dan geen gebruik meer maken van het voor zijn fiscaal beleid gebruikelijke instrument van degressieve en progressieve heffingen. Dit is in strijd met de aan de wetgever toegekende autonomie bij de invoering van belastingsystemen. Het beginsel van gelijke heffingen is in beginsel ook van toepassing op de ingevoerde produkten indien in eigen land niet dezelfde of gelijksoortige, doch slechts substitueerbare produkten worden voortgebracht. Wat de verhouding tussen dezelfde, respectievelijk gelijksoortige en substitueerbare produkten betreft, valt uit de indeling en de inhoud van artikel 95 EEG-Verdrag af te leiden dat de eerste alinea ten opzichte van de tweede een ondergeschikte plaats inneemt. Voor zover voor een bepaald importprodukt een bepaald gelijksoortig nationaal produkt kan worden aangewezen, dient men bij de belastingvergelijking alleen dit produkt in aanmerking te nemen. Bij een aanpassing van de belasting aan de eventueel lagere belasting op substitueerbare produkten kunnen gelijksoortige nationale produkten worden benadeeld. Voor het overige geldt het gebod van gelijke behandeling gelijkelijk voor substitueerbare produkten en gelijksoortige produkten in de zin van artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag, met andere woorden de ingevoerde produkten dienen niet gunstiger te worden behandeld dan de nationale produkten. De tweede vraag ware derhalve als volgt te beantwoorden: „Artikel 37 EEG-Verdrag dient aldus te worden uitgelegd, dat goederen uit Lid-Staten respectievelijk uit de Franse overzeese departementen bij invoer niet mogen worden belast met hogere heffingen in de vorm van verbruiksbelasting, dan waaraan dezelfde, gelijksoortige en — indien deze ontbreken — substitueerbare binnenslands geproduceerde goederen in gelijke omstandigheden zijn onderworpen.”

c) De begunstiging op grond van § 79, lid 2, Branntweinmonopolgesetz van kleine en middelgrote alcoholproducenten is een steunmaatregel in de zin van de artikelen 92 en volgende EEG-Verdrag. Het gaat hier om steunmaatregelen „in welke vorm ook”, waartoe ook alle rechtstreekse of zijdelingse uitkeringen van de staat aan ondernemingen of bedrijfstakken behoren. Het tweede onderdeel van de vraag behoeft geen antwoord, want deze vraag is blijkbaar alleen gesteld voor het geval dat het eerste onderdeel ontkennend zou worden beantwoord. De regeling van § 79, lid 2, Branntweinmonopolgesetz is in ieder geval geldig.

De Commissie van de Europese Gemeenschappen maakt enkel opmerkingen over de eerste twee vragen.

a) De bijzondere en algemene verdragsbepalingen betreffende het vrije verkeer van goederen zijn volgens artikel 227, lid 2, EEG-Verdrag van toepassing ten aanzien van de Franse overzeese departementen en zijn neergelegd in Titel I van het tweede deel van het Verdrag (artikelen 9 tot en met 37). Ook andere onderdelen van het Verdrag hebben betrekking op het vrije verkeer van goederen of zouden hierop betrekking kunnen hebben. Uit de omstandigheid dat artikel 227, lid 2, EEG-Verdrag bij de van toepassing zijnde bepalingen de fiscale voorschriften niet uitdrukkelijk noemt, moet worden afgeleid dat deze laatste en met name artikel 95 EEG-Verdrag niet van toepassing zijn ten aanzien van de Franse overzeese departementen. Tot op heden is voor artikel 95 nog geen beslissing genomen, ofschoon de Raad volgens artikel 227, lid 2, tweede zin, EEG-Verdrag op voorstel van de Commissie de voorwaarden voor de toepassing van de overige bepalingen vaststelt. De eerste vraag ware dan ook aldus te beantwoorden, dat de fiscale voorschriften van het Verdrag, en met name artikel 95, bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht niet van toepassing zijn ten aanzien van de Franse overzeese departementen.

b) Bij de tweede vraag dient in de eerste plaats antwoord te worden gegeven op de voorvraag of artikel 37 EEG-Verdrag, waarvan lid 1 bepaalt dat aan het einde van de overgangsperiode elke discriminatie tussen de onderdanen van de Lid-Staten wat de voorwaarden van de voorziening en de afzet betreft moet zijn uitgesloten, voor de nationale rechter na het einde van de overgangsperiode nog geldend kan worden gemaakt om de discriminerende fiscale belasting van een ingevoerd produkt aan te vechten. Artikel 37, lid 1, EEG-Verdrag bevat voor de Lid-Staten de verplichting om iets te doen, welke verplichting tijdens de overgangsperiode had moeten worden nagekomen. Doel ervan was te verzekeren dat aan het einde van de overgangsperiode voor de aan de nationale monopolies van commerciële aard onderworpen produkten voorwaarden zouden gelden, die in geval van aan geen nationaal monopolie van commerciële aard onderworpen, doch vrij verhandelde produkten worden geschapen door afschaffing van de douanerechten, kwantitatieve beperkingen en heffingen en maatregelen van gelijke werking als douanerechten, alsmede door het verbod van discriminerende fiscale belasting. Sinds 31 december 1969 dienen de nationale monopolies van commerciële aard zodanig te zijn aangepast, dat het alleenrecht van invoer uit andere Lid-Staten niet meer tot de mogelijkheden behoort. Hetzelfde geldt sinds het einde van de overgangsperiode voor het alleenrecht van uitvoer uit de Lid-Staten en het alleenrecht om produkten in de Lid-Staten te verhandelen, want de combinatie van deze alleenrechten vormt de essentie van het monopolie. Met de afschaffing van deze alleenrechten hebben de monopolies opgehouden te bestaan. Bijgevolg vindt artikel 37, lid 1, EEG-Verdrag geen toepassing meer, behalve om de afschaffing van de alleenrechten voor invoer, uitvoer en verhandeling te kunnen vorderen. Bij alle andere maatregelen zijn de algemene voorschriften van het Verdrag, inzonderheid de artikelen 12, 30, 34 en 95, van toepassing. Voor importen uit de Franse overzeese departementen leidt dit niet tot onredelijke resultaten, omdat het kennelijk niet gerechtvaardigd is de gelding van een fiscaal discriminatieverbod te laten afhangen van de vraag of in het land van invoer voor het betrokken produkt al dan niet een monopolie van commerciële aard bestaat. De tweede vraag dient derhalve aldus te worden beantwoord, dat artikel 37, lid 1, EEG-Verdrag na het einde van de overgangsperiode alleen nog maar kan worden ingeroepen om de afschaffing van de alleenrechten voor invoer, uitvoer en verhandeling te vorderen, terwijl voor het overige de algemene bepalingen van het Verdrag van toepassing zijn.

c) Aangezien de derde, de vierde en de vijfde vraag slechts zijn gesteld voor het geval dat artikel 37 dan wel artikel 95 EEG-Verdrag van toepassing zou zijn, behoeven zij geen bespreking.

III — Antwoorden op de door het Hof gestelde vragen

De regering van de Bondsrepubliek Duitsland deelt mee dat de hoeveelheid van de onder § 79, lid 2, Branntweinmonopolgesetz vallende alcohol voor menselijke consumptie in het bedrijfsjaar 1973/1974 4,84 % was van de totale produktie van alcohol voor menselijke consumptie.

Van de begunstigingsregeling in § 79, lid 2, profiteren de „Abfindungsbrennereien” (circa 30000 bedrijven), de „Stoffbesitzer” (circa 200000 bedrijven), de „Verschlußkleinbrennereien”, (46 bedrijven) en de „Obstgemeinschaftsbrennereien” (11 bedrijven met circa 5000 leden). Overeenkomstig de tweede zin van deze bepaling geldt voorts een fiscale begunstiging voor de brandewijnstokerijen met een jaarlijkse produktie tot 300 hl.

Deze laatste produktie buiten beschouwing gelaten, bedraagt het aandeel van de produktie waarvoor de verminderde heffing op gedistilleerd geldt, 2,09 % van de totale produktie in het bedrijfsjaar 1973/1974. Het voorschrift van § 79, lid 2, tweede zin, Branntweinmonopolgesetz, dat overigens met ingang van 18 maart 1976 is afgeschaft, leidt ondanks de begunstiging tot een belasting van de produktie van gedistilleerd van minimaal DM 1500 per hl, zodat deze produktie bij de vergelijking met de totale produktie buiten beschouwing moet worden gelaten.

Volgens de regering van de Franse Republiek zijn twee aspecten van belang voor de uitlegging van artikel 227, lid 2, EEG-Verdrag, te weten het begrip vrij verkeer van goederen en de toepassing van de verdragsbepalingen ten aanzien van de Franse overzeese departementen.

a) Wat het vrije verkeer van goederen betreft, dient te worden onderscheiden tussen de verplichtingen die voor de Lid-Staten enerzijds uit de artikelen 12 en 13 — met betrekking tot het vrije verkeer van goederen — en anderzijds uit artikel 95 EEG-Verdrag — met betrekking tot non-discriminatie op fiscaal terrein — voortvloeien. Dit onderscheid neemt evenwel niet weg dat men van geval tot geval kan onderzoeken of een schijnbaar fiscale discriminatie in werkelijkheid niet een heffing van gelijke werking als douanerechten is. Voor het hoofdgeding dient op grond van de in de rechtspraak van het Hof ontwikkelde maatstaven a contrario te worden aangenomen, dat de belastingheffing op rum uit Guadeloupe in de Bondsrepubliek inderdaad een heffing van gelijke werking als een douanerecht in de zin van artikel 12 EEG-Verdrag is.

b) Artikel 227, lid 2, EEG-Verdrag bepaalt uitdrukkelijk dat het Verdrag geldt ten aanzien van de Franse overzeese departementen, die deel uitmaken van de Franse Republiek. Bepaalde verdragsbepalingen zijn onmiddellijk van toepassing (de bepalingen genoemd in lid 2, eerste zin), terwijl andere eerst na een overgangsperiode van ten hoogste twee jaar en na eventuele aanpassingen van toepassing zijn (lid 2, tweede zin). Deze overgangsperiode is voorbij. Met het oog op de bijzondere positie die het Verdrag aan de overzeese departementen toekent, dient de Raad weliswaar, voor zover nodig, de noodzakelijke bijzondere regelingen ervoor te treffen, maar aangezien deze departementen deel uitmaken van de Gemeenschap, gelden alle verdragsbepalingen zonder meer ook voor hen.

De Commissie van de Europese Gemeenschappen heeft het Hof een chronologische lijst van 44 door de Raad overeenkomstig artikel 227, lid 2, EEG-Verdrag genomen besluiten voorgelegd. Ten aanzien van de vraag of met deze besluiten een definitieve situatie is ontstaan, meent de Commissie dat de in artikel 227, lid 2, EEG-Verdrag genoemde termijn niet peremptoir is, doch slechts indicatieve betekenis heeft. De wetgevende activiteit van de Gemeenschap voor de toepassing van het gemeenschapsrecht ten aanzien van de Franse overzeese departementen is nog niet beëindigd. Zo is er een voorstel van de Commissie voor een verordening van de Raad inzake de gemeenschappelijke marktorganisatie voor ethylalcohol, bepalende dat de Raad op voorstel van de Commissie passende maatregelen kan nemen om de rietsuikerproducenten in de Franse overzeese departementen een gelijkblijvende werkgelegenheid en een passend inkomen te verzekeren. Waarschijnlijk zal worden besloten dat andere bepalingen van het Verdrag en van het afgeleide gemeenschapsrecht ook voor de Franse overzeese departementen gelden, hetgeen telkens een diepgaand onderzoek noodzakelijk maakt wanneer dit grotere lasten voor het gemeenschapsbudget zou kunnen meebrengen. De Commissie is voornemens zich ook in de toekomst de mogelijkheid voor te behouden om dergelijke voorstellen bij de Raad in te dienen.

In verband met de uitbreiding van de fiscale bepalingen van het Verdrag tot de Franse overzeese departementen, moet er nog op worden gewezen dat Frankrijk in die departementen een aantal speciale fiscale voorschriften toepast. De BTW bij voorbeeld wordt in Guyana niet en in de overige departementen in gewijzigde vorm toegepast. Bij de invoer van rum in het moederland worden bepaalde verminderingen op de normale verbruiksbelasting toegestaan. De belasting op de produktie van gedistilleerd wordt in de overzeese departementen gedeeltelijk tegen verlaagd tarief geheven.

Voor de vraag of ingevolge artikel 95 EEG-Verdrag op goederen uit Lid-Staten respectievelijk uit de Franse overzeese departementen bij invoer geen hogere verbruiksbelastingen mogen worden geheven dan waaraan dezelfde, gelijksoortige of substitueerbare nationale produkten volgens het laagste heffing-percentage zijn onderworpen, ook al wordt dit laagste percentage slechts op een klein deel van de nationale produktie en om bijzondere redenen van sociale aard toegepast, is het in de eerste plaats van belang dat de feitelijke elementen van artikel 95 in werkelijkheid genuanceerder zijn dan de tekst van de bepaling doet veronderstellen. Artikel 95, tweede alinea, spreekt niet over „substitueerbare nationale produkten”; doorslaggevend is of „andere produkties zijdelings worden beschermd”. Het gaat niet om een eenvoudige vergelijking tussen de fiscale belasting van het ingevoerde produkt en van de (eventuele) „substitueerbare” nationale produkten. Het tweede lid maakt een onderzoek naar de economische effecten van de binnenlandse belastingen noodzakelijk. Slechts indien deze effecten zodanig zijn, dat „andere produkties” zijdelings worden beschermd, is het verbod van toepassing. Het staat derhalve aan de nationale rechter te beoordelen of eventuele verschillen in fiscale belasting aan de voorwaarden van artikel 95, tweede alinea, voldoen.

Volgens 's Hofs rechtspraak is er sprake van inbreuk op artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag, wanneer de op een ingevoerd produkt toegepaste heffing en de belasting waaraan het gelijksoortige nationale produkt is onderworpen, op verschillende wijze en volgens andere bepalingen worden berekend, met als resultaat dat het ingevoerde produkt — zij het slechts in bepaalde gevallen — zwaarder wordt belast. Een Lid-Staat kan weliswaar op ingevoerde produkten een ander heffingsysteem toepassen dan op gelijksoortige nationale produkten, maar voorwaarde is dat de belasting die voor de ingevoerde produkten uit de heffing voortvloeit, in ieder geval gelijk aan of lager is dan die op gelijksoortige nationale produkten. Artikel 95, eerste alinea, laat de vrijheid van de Lid-Staten om naar eigen inzicht voor ieder afzonderlijk produkt het meest geschikte belastingsysteem in te voeren, onverlet. Wanneer het nationale produkt aan een progressieve, op basis van de jaarlijkse produktie berekende belasting is onderworpen, moet ervoor worden gezorgd dat het buitenlandse produkt aan dezelfde of aan een lagere belasting is onderworpen, die eveneens op basis van de van ieder afzonderlijk produkt gedurende een bepaalde periode geproduceerde hoeveelheid wordt berekend.

Kenmerkend voor de verhouding tussen het discriminatieverbod van artikel 95 en het verbod van steunmaatregelen van artikel 92 EEG-Verdrag is dat in geen geval beide voorschriften op één bepaalde situatie van toepassing kunnen zijn. In het geval van een fiscale begunstiging die onder artikel 92 valt omdat het meer in het bijzonder om de begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde produkties gaat, zijn uitsluitend de artikelen 92 en volgende van toepassing. Wie dan met een beroep op artikel 95 de fiscale begunstiging wil zien uitgebreid tot ingevoerde gelijksoortige produkten, miskent dat steunmaatregelen van de staat steeds tot op zekere hoogte een discriminerende werking hebben. Wanneer het echter bij de differentiëring van de belastingtarieven om een algemene fiscale maatregel gaat, dan is er geen sprake van een steunmaatregel en is uitsluitend artikel 95 van toepassing.

Men dient twee groepen van gevallen te onderscheiden:

In het ene geval onderwerpt een Lid-Staat een bepaald produkt in eigen land aan een binnenlands belastingsysteem, dat weliswaar differentieel is, maar waarbij alle producenten voordeel trekken uit deze differentiëring. Er is dan geen sprake van een begunstiging van bepaalde ondernemingen en dus ook niet van een steunmaatregel in de zin van artikel 92. Een dergelijk belastingsysteem moet met het oog op de belasting van de importen in beginsel aan artikel 95 worden getoetst.

In het andere geval heft een Lid-Staat in eigen land een belasting op bepaalde produkten, waarbij evenwel een differentieel tarief wordt toegepast al naargelang de aard en de grootte van het producerende bedrijf, de basisprodukten en de bestemming van het produkt. Er is dan sprake van „begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde produkties”, zodat de belastingverminderingen die uit een aldus gedifferentieerde fiscale regeling voortvloeien, uitsluitend aan de hand van de artikelen 92 en volgende mogen worden beoordeeld.

Het staat een Lid-Staat vrij om beide systemen met elkaar te combineren. Een nader onderzoek zal moeten aantonen of dit het geval is met de belastingheffing op alcohol voor menselijke consumptie overeenkomstig het Duitse Branntweinmonopolgesetz.

De overige Lid-Staten kennen geen regelingen de geheel vergelijkbaar zijn met het Duitse systeem van belastingheffing op gedistilleerd overeenkomstig § 79 Branntweinmonopolgesetz. Er bestaan wel heffingregelingen die een vergelijkbaar effect sorteren voor zover gedistilleerd dat uit bepaalde grondstoffen wordt verkregen en/of door bepaalde fabrikanten wordt geproduceerd, fiscaal gunstiger wordt behandeld.

Artikel 95 EEG-Verdrag vormt voor de fiscale behandeling van importen van gedistilleerd uit derde landen geen maatstaf, daar het alleen betrekking heeft op het intracommunautaire handelsverkeer. Het verbod van heffingen van gelijke werking als douanerechten geldt sinds de inwerkingtreding van het gemeenschappelijk douanetarief ook bij rechtstreekse invoer uit derde landen. Dit verbod speelt in casu evenwel niet, omdat de bepalingen van de artikelen 9 en volgende en artikel 95 EEG-Verdrag niet tegelijkertijd op hetzelfde geval kunnen worden toegepast; dit geldt ook voor de betrekkingen met derde landen.

Suriname en Jamaica, doch niet Indonesië, zijn aangesloten bij de Overeenkomst van Lomé tussen de ACP-landen en de EEG. Deze overeenkomst bevat wel een verbod van heffingen van gelijke werking als douanerechten, doch geen fiscale bepalingen zoals die van artikel 95 EEG-Verdrag.

Jamaica en Indonesië zijn aangesloten bij de GATT, terwijl Suriname de bepalingen ervan in de praktijk toepast. Artikel III, tweede alinea, van de GATT bevat bepalingen die in ruime mate overeenstemmen met die van artikel 95 EEG-Verdrag. De vraag van het Finanzgericht Hamburg heeft evenwel alleen betrekking op de uitlegging van artikel 9 EEG-Verdrag; zij kan dan ook bezwaarlijk als een vraag over de uitlegging van de GATT-bepalingen worden beschouwd. Het is derhalve overbodig op deze vraag in te gaan; bovendien voorziet artikel 177 EEG-Verdrag uitsluitend in de uitlegging van het gemeenschapsrecht.

IV — Mondelinge behandeling

Ter terechtzitting van 6 juni 1978 hebben verzoekster in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door D. Ehle, advocaat te Keulen; de regering van de Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door M. Seidel, Ministerialrat bij het Bondsministerie van Economische Zaken, bijgestaan door E. Scherping, Ministerialrat bij het Bondsministerie van Financiën; en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur R. Wägenbaur, mondelinge opmerkingen gemaakt en de door het Hof gestelde vragen beantwoord.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 4 juli 1978 conclusie genomen.

Ten aanzien van het recht

1.

Overwegende dat het Finanzgericht Hamburg bij beschikking van 24 oktober 1977, ingekomen ten Hove op 7 december daaropvolgende, krachtens artikel 177 EEG-Verdrag vijf prejudiciële vragen heeft gesteld met betrekking tot de uitlegging van de artikelen 9, 37, 92 tot en met 94, 95 en 227, lid 2, EEG-Verdrag, in verband met het op bepaalde soorten ingevoerde gedistilleerde dranken toepasselijke belastingstelsel;

2.

Overwegende dat blijkens het dossier verzoekster in het hoofdgeding in 1974 gedistilleerde dranken van verschillende herkomst hetzij onverwerkt, hetzij versneden in het verkeer heeft gebracht, waaronder naast binnenlands gedistilleerd ook produkten uit Guadeloupe, Suriname, Jamaica en Indonesië;

3.

dat tussen verzoekster en de belastingdienst een geschil is ontstaan over het op die gedistilleerde dranken toepasselijke belastingtarief, daar de belastingdienst het normale tarief heeft toegepast terwijl verzoekster vordert dat op het ingevoerde gedistilleerd het laagste belastingtarief wordt toegepast dat ingevolge de Duitse wettelijke regeling van § 79, lid 2, Branntweinmonopolgesetz is voorbehouden voor bepaalde soorten produkten, en met name voor gedistilleerde dranken op basis van vruchten, en voor bepaalde categorieën branderijen, zoals de „Abfindungsbrennereien”, de „Verschlußkleinbrennereien” en de „Obstgemeinschaftsbrennereien”;

4.

dat verzoekster in het hoofdgeding van mening is dat zij ten aanzien van de door haar ingevoerde gedistilleerde dranken recht heeft op dezelfde fiscale voordelen, en uit dien hoofde beroep heeft ingesteld bij het Finanzgericht Hamburg dat met het oog op zijn beslissing de navolgende vragen heeft gesteld :

1.„ Dient artikel 227, lid 2, EEG-Verdrag — volgens hetwelk de bijzondere en algemene bepalingen van het Verdrag betreffende het vrije verkeer van goederen van toepassing zijn ten aanzien van de Franse overzeese departementen — aldus te worden uitgelegd, dat genoemde bepalingen tevens de belastingvoorschriften van het Derde deel, Titel I, hoofdstuk 2, en wel met name artikel 95 EEG-Verdrag omvatten, of vallen onder de bepalingen betreffende het vrije verkeer van goederen in de zin van artikel 227, lid 2, alleen de voorschriften van het Tweede deel, Titel I?

2.Dient artikel 37 EEG-Verdrag, en — bijaldien artikel 95 EEG-Verdrag op het goederenverkeer met Franse departementen van toepassing is, ook laatstgenoemd voorschrift — aldus te worden uitgelegd, dat op goederen uit Lid-Staten respectievelijk uit de Franse departementen bij invoer geen hogere heffingen in de vorm van verbruiksbelastingen mogen worden geheven dan waaraan dezelfde, gelijksoortige of substitueerbare binnenslands vervaardigde goederen volgens het laagste heffingpercentage worden onderworpen, ook al wordt dat laagste heffingpercentage slechts op een klein deel van de binnenlandse produktie en om bijzondere redenen van sociale aard geheven?

3.Kan er bij verlaging der belasting van een deel der binnenlandse produktie sprake zijn van een door de staat genomen steunmaatregel, vallende onder de voorschriften van de artikelen 92 tot en met 94 EEG-Verdrag, c.q. volgens welke maatstaven moeten steunmaatregelen van een staat in de zin van artikel 92 EEG-Verdrag worden afgegrensd van belastingvrijstellingen, welker verenigbaarheid met het Verdrag aan de belastingvoorschriften van artikel 95 en eventueel aan de bepalingen inzake nationale monopolies van comerciële aard als bedoeld in artikel 37, moet worden getoetst?

4.Indien er op de uit Lid-Staten c.q. ook uit de in artikel 227, lid 2, EEG-Verdrag genoemde gebieden ingevoerde goederen bij invoer geen hogere belasting mag worden geheven dan de laagste belasting voor dezelfde, gelijksoortige of substitueerbare binnenslands vervaardigde produkten: dient de in artikel 9 EEG-Verdrag gebezigde term heffing van gelijke werking als douanerechten aldus te worden uitgelegd, dat er ook verbruiksbelastingen onder vallen, wanneer bij invoer uit derde landen hogere verbruiksbelastingen worden geheven dan bij invoer van dezelfde, gelijksoortige of substitueerbare goederen uit Lid-Staten respectievelijk uit de in artikel 227, lid 2, EEG-Verdrag genoemde gebieden?

5.Zo ja:

Dienen artikel 9 EEG-Verdrag in samenhang met verordening (EEG) nr. 950/68 en artikel 189 EEG-Verdrag aldus te worden uitgelegd, dat de Lid-Staten na 1 juli 1968 geen heffingen van gelijke werking als douanerechten mogen instellen welke ertoe leiden dat uit derde landen ingevoerde goederen zwaarder worden belast dan dezelfde, gelijksoortige of substitueerbare goederen uit Lid-Staten respectievelijk uit de in artikel 227, lid 2, EEG-Verdrag genoemde gebieden?”

De eerste vraag (toepassing van de belastingbepalingen van het Verdrag ten aanzien van de Franse overzeese departementen)

5.

Overwegende dat aangezien een deel van de in geding zijnde gedistilleerde dranken is ingevoerd uit Guadeloupe, een Frans overzees departement, het Finanzgericht de vraag betreffende de toepasselijkheid op bedoelde produkten van de belastingbepalingen van het Verdrag, en met name van de non-discriminatieregel van artikel 95, heeft opgeworpen;

dat hierover twijfel is ontstaan doordat artikel 227, lid 2, EEG-Verdrag bepaalde met name genoemde groepen bepalingen van toepassing verklaart ten aanzien van de Franse overzeese departementen, doch de belastingbepalingen in deze opsomming ontbreken;

6.

dat blijkens het dossier verzoekster in het hoofdgeding zich ter staving van haar aanspraken in de eerste plaats beroept op de non-discriminatieregel van artikel 95, die zij ten aanzien van de Franse overzeese departementen van toepassing acht;

dat de opvattingen hieromtrent, welke tijdens de procedure door de Commissie enerzijds en de regering van de Franse Republiek anderzijds zijn uiteengezet, tegenstrijdig zijn;

dat volgens de Commissie de belastingbepalingen van het Verdrag niet van toepassing zijn ten aanzien van de Franse overzeese departementen, op grond dat zij niet uitdrukkelijk worden genoemd in artikel 227, lid 2, en evenmin bij een later besluit van toepassing zijn verklaard;

dat daarentegen de Franse regering de mening heeft uitgesproken dat de Franse overzeese departementen als integrerend deel van de Franse Republiek tot de Gemeenschap behoren, en dat bijgevolg alle bepalingen van het Verdrag van rechtswege op hen van toepassing zijn, behoudens bijzondere bepalingen, door de Raad voor zover nodig vastgesteld ten einde rekening te houden met hun door het Verdrag erkende bijzondere positie;

dat de regering van de Bondsrepubliek Duitsland ten aanzien van deze principiële vraag geen standpunt heeft ingenomen, doch van mening is dat artikel 95 in ieder geval van toepassing is als noodzakelijke aanvulling op de bepalingen betreffende de afschaffing van de douanerechten en heffingen van gelijke werking;

7.

Overwegende dat het EEG-Verdrag volgens artikel 227, lid 1, van toepassing is op de gehele „Franse Republiek”;

dat de bijzondere positie van de Franse overzeese departementen in artikel 227, lid 2, is geregeld als volgt:

„Ten aanzien van … de Franse overzeese departementen zijn zodra dit Verdrag in werking treedt van toepassing de bijzondere en algemene bepalingen daarvan betreffende

—het vrije verkeer van goederen,

—de landbouw, met uitzondering van artikel 40, lid 4,

—de vrijmaking van het dienstenverkeer,

—de regels voor de mededinging,

—de vrijwaringsmaatregelen bedoeld in de artikelen 108, 109 en 226,

—de instellingen.

De voorwaarden voor de toepassing van de overige bepalingen van dit Verdrag worden uiterlijk twee jaar na zijn inwerkingtreding bij beschikkingen van de Raad met eenparigheid van stemmen op voorstel van de Commissie vastgesteld.

De instellingen van de Gemeenschap dragen er, binnen het raam van de procedures waarin dit Verdrag voorziet, met name van artikel 226, zorg voor dat de economische en sociale ontwikkeling van die streken mogelijk wordt gemaakt”;

8.

dat de wetgevingspraktijk van de Gemeenschap aantoont dat de Raad, afgezien van enkele geïsoleerde bepalingen, de door artikel 227, lid 2, tweede alinea, geboden mogelijkheid onbenut heeft gelaten;

dat daarentegen nadien tal van bijzondere bepalingen ten gunste van de Franse overzeese departementen zijn vastgesteld in het kader van regelingen inzake de meest uiteenlopende onderwerpen, doch dat geen daarvan betrekking heeft op de fiscale bepalingen;

dat de door de nationale rechter opgeworpen vraag in het licht van deze juridische en feitelijke gegevens moet worden beantwoord;

9.

Overwegende dat ingevolge artikel 227, lid 1, de status van de Franse overzeese departementen binnen de Gemeenschap in eerste instantie wordt bepaald door verwijzing naar de Franse grondwet, volgens welke — zoals de Franse regering heeft uiteengezet — deze departementen een integrerend deel van de Republiek vormen;

dat evenwel, om recht te doen aan de bijzondere geografische, economische en sociale positie van deze departementen, bij artikel 227, lid 2, is bepaald dat de toepassing van het Verdrag etappegewijs zal geschieden, terwijl het artikel voorts de meest ruime mogelijkheden biedt om bijzondere, aan de specifieke behoeften van deze delen van het Franse grondgebied aangepaste, bepalingen vast te stellen;

10.

dat artikel 227 daartoe nauwkeurig aangeeft welke hoofdstukken en artikelen vanaf de inwerkingtreding van het Verdrag van toepassing zijn, waarbij het evenwel voorziet in een termijn van twee jaar waarbinnen de Raad bijzondere toepassingvoorwaarden kan vaststellen met betrekking tot andere groepen van bepalingen;

dat derhalve na afloop van deze periode de bepalingen van het Verdrag en van het afgeleide gemeenschapsrecht van rechtswege van toepassing behoren te zijn ten aanzien van de Franse overzeese departementen als integrerend deel van de Franse Republiek, met dien verstande evenwel dat het steeds mogelijk is naderhand bijzondere maatregelen vast te stellen om aan de behoeften van die gebieden tegemoet te komen;

dat uit bovenstaande overwegingen volgt dat artikel 95 van toepassing is op de fiscale behandeling van produkten uit de Franse overzeese departementen;

11.

dat derhalve op de eerste vraag moet worden geantwoord dat artikel 227, lid 2, EEG-Verdrag in het licht van het eerste lid van dit artikel aldus moet worden verstaan, dat de verdragsbepalingen betreffende belastingen en inzonderheid de non-discriminatieregel van artikel 95 van toepassing zijn op produkten afkomstig uit de Franse overzeese departementen;

De tweede en de derde vraag (behandeling van gedistilleerde dranken van oorsprong uit de Gemeenschap, gelet op de artikelen 37, 92 tot en met 94 en 95 EEG-Verdrag)

12.

Overwegende dat het Finanzgericht met de tweede en de derde vraag tegelijkertijd aanwijzingen wenst te krijgen omtrent de uitlegging van artikel 37, betreffende nationale monopolies van commerciële aard, de artikelen 92 tot en met 94, betreffende steunmaatregelen, en artikel 95, betreffende non-discriminatie bij de toepassing van binnenlandse belastingen, ten einde de verenigbaarheid met het Verdrag van de nationale wettelijke bepalingen ten gunste van bepaalde soorten gedistilleerde dranken of bepaalde groepen producenten te kunnen beoordelen en uit deze beoordeling de gevolgtrekkingen te kunnen maken voor de fiscale behandeling van ingevoerde gedistilleerde dranken van communautaire oorsprong;

13.

Overwegende dat uit een op verzoek van het Hof door de Commissie verstrekt overzicht blijkt dat begunstigingsregelingen van gelijkbare aard als die van § 79 Branntweinmonopolgesetz in diverse Lid-Staten, zij het in vrij sterk uiteenlopende vormen, bestaan;

dat blijkens hetzelfde onderzoek dergelijke regelingen, zonder enig verband met een monopolie van commerciële aard, in het kader van wettelijke regelingen met een zuiver fiscaal karakter kunnen bestaan;

dat het dan ook de voorkeur verdient het door de nationale rechter opgeworpen probleem in de eerste plaats te onderzoeken in het licht van het algemene belastingvoorschrift van artikel 95, en niet in het licht van artikel 37, dat een specifieke regeling voor de nationale monopolies geeft;

dat dit te meer gerechtvaardigd is, waar artikel 37 op hetzelfde beginsel berust als artikel 95, te weten de afschaffing van iedere discriminatie in het handelsverkeer tussen Lid-Staten;

14.

dat het evenzo de voorkeur verdient de door de nationale rechter gestelde vraag in het licht van artikel 95, en niet aan de hand van de bepalingen inzake steunmaatregelen van de artikelen 92 tot en met 94 te onderzoeken, waar deze laatste bepalingen eveneens berusten op dezelfde grondgedachte als artikel 95, namelijk de afschaffing van overheidsinterventies — waaronder ook belastingverminderingen — die de normale voorwaarden voor de handel tussen Lid-Staten kunnen vervalsen;

15.

Overwegende dat de vragen van het Finanzgericht, gezien in het licht van artikel 95, in wezen ertoe strekken te vernemen of, en zo ja onder welke voorwaarden, voor ingevoerde gedistilleerde dranken belastingvoordelen kunnen worden toegekend die een nationale wetgeving voorbehoudt voor bepaalde soorten produkten of bepaalde groepen producenten;

16.

Overwegende dat het bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht en zolang de betrokken bepalingen niet zijn eengemaakt of geharmoniseerd, het de Lid-Staten niet verboden is aan bepaalde soorten gedistilleerde dranken of bepaalde groepen producenten belastingvoordelen in de vorm van een ontheffing of vermindering van rechten toe te kennen;

dat immers belastingfaciliteiten als deze ter bereiking van wettige economische en sociale doelen kunnen worden aangewend, zoals het gebruik van bepaalde grondstoffen door de branderijen, het behoud van de produktie van typische gedistilleerde dranken van hoge kwaliteit of het in stand houden van bepaalde categorieën bedrijven, zoals de branderijen in de landbouwsector;

17.

dat evenwel zulke begunstigingsregelingen zich naar de eisen van artikel 95 zonder onderscheid tot gedistilleerde dranken uit andere Lid-Staten moeten uitstrekken;

dat artikel 95 niet toestaat hier onderscheid te maken op grond van de aan deze bijzondere regelingen ten grondslag liggende sociale of andere overwegingen of op grond van de betekenis van deze regelingen ten opzichte van het gewone belastingstelsel;

18.

dat zich in dit verband grote moeilijkheden kunnen voordoen bij de vergelijking van de factoren waaraan de verschillende nationale wettelijke regelingen bij de toekenning van bedoelde belastingvoordelen aanknopen, zoals de aard van de grondstoffen, de technische eigenschappen van de installaties, de distillatieprocédés, de wijze van belastingheffing en de toegepaste belastingcontrole;

dat deze moeilijkheden zeer duidelijk optreden in een geval als het onderhavige, waar het gaat om een produkt — rum — dat afkomstig is uit streken buiten de Europese klimaatzone;

19.

dat met het oog op deze problemen die zich bij vergelijking voordoen, erop dient te worden gewezen dat artikel 95, eerste alinea, betrekking heeft op „al dan niet rechtstreekse” discriminaties en dat de toepasselijkheid van deze bepaling niet afhankelijk is van de strenge eis dat de produkten gelijk zijn, doch van het „gelijksoortige” karakter van de produkten;

dat bovendien artikel 95, tweede alinea, ieder stelsel van binnenlandse belastingen, waardoor „andere produkties zijdelings worden beschermd”, verbiedt;

dat bijgevolg steeds wanneer is voldaan aan de criteria welke ten grondslag liggen aan artikel 95, eerste en tweede alinea, bij de invoer van gedistilleerde dranken van communautaire oorsprong aanspraak kan worden gemaakt op de bijzondere begunstigingen die ingevolge een nationale wettelijke regeling worden toegekend aan bepaalde soorten gedistilleerde dranken of bepaalde groepen producenten;

20.

dat mitsdien de tweede en de derde vraag aldus moeten worden beantwoord, dat wanneer een nationale belastingregeling de produktie van bepaalde soorten gedistilleerde dranken of bepaalde groepen producenten door middel van belastingvrijstellingen of toekenning van lagere tarieven begunstigt, deze voordelen, zelfs wanneer zij slechts aan een gering deel van de nationale produktie ten goede komen of om bijzondere redenen van sociale aard worden verleend, zich moeten uitstrekken tot uit de Gemeenschap ingevoerde gedistilleerde dranken die, gelet op de criteria van artikel 95, eerste en tweede alinea, EEG-Verdrag, aan dezelfde voorwaarden voldoen;

De vierde en de vijfde vraag (fiscale regeling voor gedistilleerde dranken uit derde landen)

21.

Overwegende dat de vierde en vijfde vraag betrekking hebben op het belastingstelsel voor gedistilleerde dranken uit derde landen;

dat, gezien de verwijzing naar artikel 9 EEG-Verdrag en verordening nr. 950/68 van de Raad van 26 juni 1968 betreffende het gemeenschappelijk douanetarief, het Finanzgericht zich blijkbaar afvraagt of — aangenomen dat een belastingstelsel als discriminerend voor ingevoerde produkten is te beschouwen — een dergelijke ongelijke behandeling eventueel valt onder het verbod van heffingen van gelijke werking als douanerechten, dan wel is aan te merken als een verzwaring van de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief, en derhalve strijdig met het eenvormige karakter daarvan;

22.

Overwegende dat ten deze moet worden opgemerkt dat artikel 9 EEG-Verdrag de heffingen van gelijke werking als douanerechten slechts verbiedt in het verkeer „tussen de Lid-Staten onderling”, zodat deze bepaling geen betekenis heeft voor de invoer van produkten uit derde landen, en dat, afgezien van bijzondere omstandigheden, een en dezelfde belastingheffing niet tegelijkertijd als een binnenlandse belasting en als een heffing van gelijke werking als douanerechten kan worden beschouwd (arrest van 18 juni 1975, zaak 94/74, IGAV/ENCC, Jurispr. 1975, blz. 700; arrest van 22 maart 1977, zaak 78/76, Steinike & Weinlig, Jurispr. 1977, blz. 597);

dat, gezien het bovenstaande, de door de nationale rechter gestelde vragen aldus moeten worden verstaan, dat het in werkelijkheid gaat om de vraag of er voor het economische verkeer met derde landen een met artikel 95 EEG-Verdrag overeenkomende non-discriminatieregel bestaat;

23.

Overwegende dat het Verdrag zelf voor het verkeer met derde landen geen enkele regeling betreffende binnenlandse belastingen bevat die overeenkomt met die van artikel 95, dat slechts van toepassing is ten aanzien van produkten van oorsprong uit de Lid-Staten;

dat dan ook — behoudens bepalingen in verordeningen, wier toepassing hier niet in geding is — het antwoord op de door de nationale rechter gestelde vraag afhangt van de desbetreffende betrekkingen uit multilaterale en bilaterale verdragen tussen de Gemeenschap en de verschillende derde landen;

24.

dat mitsdien de vierde en de vijfde vraag aldus moeten worden beantwoord, dat het Verdrag geen bepaling bevat welke eventuele discriminaties bij de toepassing van binnenlandse belastingen op uit derde landen ingevoerde produkten verbiedt, zulks onverminderd eventueel bestaande regelingen tussen de Gemeenschap en het land van oorsprong van een bepaald produkt;

Ten aanzien van de kosten

25.

Overwegende dat de kosten door de regering van de Bondsrepubliek Duitsland en de Commissie wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, niet voor vergoeding in aanmerking kunnen komen;

dat de procedure ten aanzien van partijen in het hoofdgeding als een aldaar gerezen incident is te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen;

Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE,

uitspraak doende op de door het Finanzgericht Hamburg bij diens beschikking van 24 oktober 1977 gestelde vragen, verklaart voor recht:

1. Artikel 227, lid 2, EEG-Verdrag is in het licht van het eerste lid van dit artikel aldus te verstaan, dat de verdragsbepalingen betreffende belastingen en inzonderheid de non-discriminatieregel van artikel 95 van toepassing zijn op produkten afkomstig uit de Franse overzeese departementen.

2. Wanneer een nationale belastingregeling de produktie van bepaalde soorten gedistilleerde dranken of bepaalde groepen producenten door middel van belastingvrijstellingen of toekenning van lagere tarieven begunstigt, moeten deze voordelen, zelfs wanneer zij slechts aan een gering deel van de nationale produktie ten goede komen of om bijzondere redenen van sociale aard worden verleend, zich uitstrekken tot uit de Gemeenschap ingevoerde gedistilleerde dranken die, gelet op de criteria van artikel 95, eerste en tweede alinea, EEG-Verdrag, aan dezelfde voorwaarden voldoen.

3. Het EEG-Verdrag bevat geen bepaling welke eventuele discriminaties bij de toepassing van binnenlandse belastingen op uit derde landen ingevoerde produkten verbiedt, zulks onverminderd eventueel bestaande regelingen tussen de Gemeenschap en het land van oorsprong van een bepaald produkt.

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

Aangehaalde teksten

12
EEG-Verdrag art. 227uitgelegd34 voorkomens
EEG-Verdrag art. 95uitgelegd33 voorkomens
EEG-Verdrag art. 3724 voorkomens
EEG-Verdrag art. 9213 voorkomens
EEG-Verdrag art. 98 voorkomens
EEG-Verdrag art. 934 voorkomens
EEG-Verdrag art. 944 voorkomens
EEG-Verdrag art. 1773 voorkomens
EEG-Verdrag art. 1892 voorkomens
EEG-Verdrag art. 101 voorkomen
EEG-Verdrag art. 121 voorkomen
EEG-Verdrag art. 421 voorkomen

Rechtspraak

5

Europese Unie

5

Conclusie van advocaat-generaal LégerC-111/0514.09.2006

Goederenleveringen

Hof van JustitieC-230/8918.04.1991

EEG-Verdrag art. 95 en art. 169

Hof van Justitie252/8603.03.1988

Zesde richtlijn 77/388 art. 33, EEG-Verdrag art. 95

Bekijk alle 5

Bekijk de 5 documenten

Rechtsleer

4
Morse, Geoffrey: Article 95 and the Treatment of Spirits Coming from within the Community, European Law Review 1979 p.298-299
Wyatt, Derrick: State Monopolies of a Commercial Character, European Law Review 1980 p.213-220
Germain, Jean: Les départements d'Outre-Mer et la Communauté Economique Européenne, La CEE en crise 1982 p.151-157
Prost, Olivier ; Grisay, Dominique: L'Octroi de mer à l'épreuve du droit communautaire, L'Observateur de Bruxelles 1997 nº 21 p.10-11