ARREST
De feiten
De verwijzingsbeschikking en de krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG ingediende schriftelijke opmerkingen kunnen worden samengevat als volgt:
I — De feiten en het procesverloop
a) Feiten
De firma Roquette Frères heeft de Franse Staat — douaneadministratie — gedagvaard voor het Tribunal d'Instance te Rijsel, ten einde terugbetaling te verkrijgen van door de douane vanaf 25 maart 1976 te veel geïnde monetair compenserende bedragen (hierna mcb's), vermeerderd met de wettelijke interessen over die bedragen, te rekenen vanaf de datum van de dagvaarding (18 juli 1978).
Zij heeft het Tribunal verzocht voor recht te verklaren, dat de mcb's sedert 25 maart 1976, de datum van inwerkingtreding van verordening nr. 652/76 van de Commissie van 24 maart 1976 houdende wijziging van de monetair compenserende bedragen naar aanleiding van de ontwikkeling van de wisselkoersen van de Franse frank (PB L 79 van 1976, blz. 4), op de door haar in haar conclusie uiteengezette wijze moeten worden berekend. De betrokken produkten zijn verwerkte produkten van de maïs- en tarwezetmeelindustrie, te weten maïszetmeel, tarwezetmeel, aardappelzetmeel, sorbitol en isoglucose.
Tenslotte heeft zij gevorderd dat de Franse Staat — douaneadministratie — zal worden veroordeeld haar het voorlopige bedrag van FF 30 miljoen te betalen, in afwachting van de verrekening op basis van de in haar conclusie neergelegde beginselen.
b) De betrokken verordeningen
1) De regeling van de onderhavige produkten
De bij de onderhavige zaak betrokken produkten zijn maïszetmeel, tarwezetmeel en aardappelzetmeel (tariefposten 11.08 A), sorbitol (posten 29.04 en 38.19 T) en isoglucose (posten 17.02 D en 17.05 C).
Maïszetmeel, tarwezetmeel en aardappelzetmeel vallen onder de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen, welke is geregeld in verordening nr. 2727/75 van de Raad van 29 oktober 1975 (PB L 281 van 1975, blz. 1), Volgens artikel 11 van die verordening kan een „restitutie bij de produktie” worden toegekend :
voor maïs en zachte tarwe die in de Gemeenschap worden gebruikt voor de vervaardiging van zetmeel;
b) voor aardappelzetmeel.”
In een uitvoeringsregeling van de Raad (verordening nr. 2742/75 van 29 oktober 1975, PB L 281 van 1975, blz. 57) zijn de voorwaarden vastgesteld waaronder de Lid-Staten voor ieder betrokken produkt de restitutie bij de produktie toekennen.
Op het gebied van de prijzen van die produkten bestaat geen enkele interventiemaatregel in de eigenlijke zin des woords. Alleen de basisprodukten maïs en zachte tarwe komen in aanmerking voor een gewaarborgde prijs, waarop maandelijkse verhogingen worden toegepast die over het gehele verkoopseizoen of over een gedeelte daarvan worden verspreid (artikel 6, lid 1, van verordening nr. 2727/75.
Aan maïs bestaat in de Gemeenschap een groot tekort, zodat grote hoeveelheden van dit produkt moeten worden ingevoerd uit derde landen om in de behoeften te voorzien. Daardoor ligt de maïsprijs in de Gemeenschap tussen de interventieprijs en de drempelprijs, op een niveau dat verschilt al naar gelang de regio.
Sorbitol is geregeld in verordening nr. 1059/69 van de Raad van 28 mei 1969 (PB L 141 van 1969, blz. 1). Zoals voor alle onder deze regeling vallende produkten, bestaat de enige specifieke maatregel in de toepassing van een invoerheffing, die een vast en een variabel element omvat (artikel 5). Voor de berekening van het variabele element zijn in verordening nr. 1060/69 van de Raad van 28 mei 1969 (PB L 141 van 1969 blz. 7) de hoeveelheden basisprodukt die worden geacht bij de vervaardiging van de onder verordening nr. 1059/69 vallende goederen te zijn gebruikt, forfaitair vastgesteld.
Isoglucose tenslotte wordt beheerst dooide in verordening nr. 1111/77 van de Raad van 17 mei 1977 (PB L 134 van 1977, blz. 4) vastgestelde „gemeenschappelijke bepalingen”. Ten tijde van de onderhavige feiten, dat wil zeggen vóór 1979, voorzag de verordening in een produktieheffing, berekend op grond van de op suiker toegepaste heffing met een maximum van 5 rekeneenheden per 100 kg. Voor dit produkt bestaat geen enkele directe prijsgarantie. In werkelijkheid wordt de marktprijs van isoglucose indirect bepaald door de interventieprijs voor suiker, zodat deze prijs, waarvoor een prijsgarantie geldt, voor isoglucose economisch gezien de belangrijkste lijkt te zijn in het kader van de gemeenschappelijke ordening der markten.
2) Het stelsel der monetair compenserende bedragen
Verordening nr. 974/71 van de Raad van 12 mei 1971 betreffende bepaalde conjunctuurpolitieke maatregelen welke naar aanleiding van de tijdelijke verruiming van de fluctuatiemarges van de valuta's van sommige Lid-Staten dienen te worden genomen in de landbouwsector (PB L 106 van 1971, blz. 1) voorziet in artikel 1 in mcb's (te heffen of toe te kennen al naar gelang het geval), niet alleen voor de landbouwprodukten (a) waarvoor in het kader van de gemeenschappelijke ordening der markten is voorzien in interventiemaatregelen, maar ook voor die (b) waarvan de prijs afhankelijk is van die van de sub (a) bedoelde produkten. Artikel 2, lid 2, bepaalt dat voor deze tweede categorie produkten de mcb's „gelijk (zijn) aan de invloed die de prijzen van het betrokken produkt ondergaan door de toepassing van het compenserend bedrag op die prijzen van het in lid 1 bedoelde produkt waarvan eerstgenoemde prijzen afhankelijk zijn.”
De bij verordening nr. 974/71 ingevoerde mcb's zijn vastgesteld bij verordening nr. 572/76 van de Commissie van 15 maart 1976 (PB L 68 van 1976, blz. 5). Deze verordening voorzag evenwel niet in mcb's voor Frankrijk.
Bij verordening nr. 652/76 van de Commissie van 24 maart 1976 (PB L 79 van 1976, blz. 4), tot wijziging van verordening nr. 572/76, zijn ook voor Frankrijk mcb's vastgesteld.
Verordening nr. 572/76 is tenslotte afgeschaft en vervangen door verordening nr. 938/77 van de Commissie van 29 april 1977 (PB L 110 van 1977, blz. 6).
c) Procedure
Overeenkomstig zijn vonnis van 26 oktober 1978 heeft het Tribunal een deskundige aangewezen met de opdracht een onderzoek in te stellen naar de afhankelijkheid van de prijzen van sorbitol en isoglucose ten opzichte van de prijs van een onder een gemeenschappelijke marktordening vallend produkt en naar het door Roquette beweerde bestaan van distorsies van de mededinging tussen de producenten van de gemeenschappelijke markt.
De deskundige heeft op 13 maart 1979 zijn rapport uitgebracht. In een eerste gedeelte zet hij uiteen welke uitlegging zijns inziens moet worden gegeven aan de communautaire voorschriften betreffende het beginsel van een compensatie van monetaire fluctuaties, met als doel het behoud van gelijke mededingingsvoorwaarden bij het betrekken van agrarische basisprodukten. Vervolgens gaat de deskundige in op de vorderingen van de firma Roquette, waarbij hij voor ieder onderdeel het resultaat van zijn eigen onderzoekingen alsmede zijn opmerkingen weergeeft. Tenslotte beantwoordt hij de vragen van het Tribunal betreffende de prijs van sorbitol en isoglucose. Volgens de deskundige bestaan de door Roquette aangevoerde verstoringen van de mededinging tussen de producenten van de gemeenschappelijke markt daadwerkelijk. In een aanvullende nota, eveneens van 13 maart 1979, beantwoordt de deskundige de opmerkingen van de firma Roquette over het deskundigenrapport.
Uitspraak doende in de uitoefening van de hem bij artikel 7 van het besluit nr. 58.1284 van 22 december 1958 toegekende bevoegdheid op douanegebied, heeft het Tribunal geoordeeld „dat de conclusies van het deskundigenrapport als vaststaand moeten worden aangenomen voor zover daarin
het bestaan en het belang van de door de firma Roquette gestelde en uit de berekeningsmethoden van de mcb's voortvloeiende distorsies
de afhankelijkheid van de prijs van sorbitol met een mannitolgehalte van meer dan 2 % ten opzichte van de prijs van maïs en niet van die van suiker
dezelfde afhankelijkheid van de prijs van isoglucose ten opzichte van de prijs van maïs
worden aangetoond.”
Voorts heeft het Tribunal besloten de uitspraak omtrent de vorderingen van de firma Roquette aan te houden „totdat het Hof van Justitie zal hebben geoordeeld of bovengenoemde distorsies in strijd zijn met artikel 40 EEG-Verdrag en of de wijze van berekening van de mcb's overeenkomstig de wens van de firma Roquette moet worden gewijzigd.”
In verband met de vordering tot toekenning van interessen over de ten onrechte geïnde bedragen, heeft het Tribunal voorts geoordeeld het Hof van Justitie de vraag te moeten voorleggen, of die eventuele interessen ten laste van de Franse schatkist dienen te komen dan wel in mindering moeten worden gebracht op de bedragen die door Frankrijk ten gunste van de gemeenschapsbegroting worden betaald.
Bijgevolg heeft het Tribunal d'Instance te Rijsel bij vonnis van 29 juni 1979 besloten, het Hof van Justitie de volgende prejudiciële vragen voor te leggen:
Moet de restitutie bij de produktie, uitgekeerd in groene munteenheden, in aanmerking worden genomen bij de berekening van de monetair compenserende bedragen voor maïszetmeel en daarvan afgeleide produkten?
2. Dient bij de berekening van het monetair compenserende bedrag voor tarwezetmeel de prijs van het basisprodukt vóór aftrek van de restitutie bij de produktie gelijk te zijn aan die waarvan wordt uitgegaan voor de berekening van het monetair compenserende bedrag voor tarwe?
3. Mag de som van de monetair compenserende bedragen voor alle bij de verwerking van een zelfde basisprodukt verkregen produkten en bijprodukten groter zijn dan het monetair compenserende bedrag voor het basisprodukt? In geval van een ontkennend antwoord op de derde vraag: Dienen bij de berekening van het monetair compenserende bedrag voor het voornaamste afgeleide produkt de monetair compenserende bedragen voor de bijprodukten te worden afgetrokken? Dient op elk der afgeleide produkten een coëfficiënt te worden toegepast, overeenkomende met de verhouding tussen de hoeveelheid van het basisprodukt die daadwerkelijk is aangewend en die welke wordt geacht te zijn gebruikt?
4. Moet het op aardappelzetmeel toegepaste monetair compenserende bedrag gelijk zijn aan het bedrag dat op maïszetmeel wordt toegepast?
5. Dient op basis van maïs vervaardigde sorbitol met een mannitolgehalte van meer dan 2 %, waarvan de prijs is gerelateerd aan die van maïs, te worden onderworpen aan een monetair compenserend bedrag gebaseerd op dat voor maïs?
6. Dient op basis van maïs vervaardigde isoglucose, waarvan de prijs is gerelateerd aan die van maïs, te worden onderworpen aan een monetair compenserend bedrag gebaseerd op dat voor maïs?
7. Voor het geval van een bevestigend antwoord op een van de hiervoor geformuleerde vragen, met andere woorden, gesteld dat het aangezochte Tribunal ingevolge de gegeven antwoorden een — zelfs gedeeltelijke — terugbetaling van monetair compenserende bedragen zou moeten gelasten, dienen dan de moratoire interessen die eventueel — niet krachtens communautaire maar krachtens nationale voorschriften — zouden kunnen worden toegekend, ten laste van de begroting van de Europese Gemeenschappen te worden gebracht door ze in mindering te brengen op de door Frankrijk voor rekening van de Gemeenschap geïnde bedragen?”
Het verwijzingsvonnis is op 17 september 1979 ten Hove ingekomen.
Krachtens artikel 20 van 's Hofs Sta-tuut-EEG zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door de firma Roquette, verzoekster in het hoofdgeding, te dezen vertegenwoordigd door M. Veroone, advocaat te Rijsel, door de regering van de Franse Republiek, te dezen vertegenwoordigd door T. Le Roy als gemachtigde, en door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, te dezen vertegenwoordigd door J. Delmoly, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde.
Het Hof heeft, op rapport van de rechterrapporteur en gehoord de advocaat-generaal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.
II — Schriftelijke opmerkingen, ingediend krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG
De Commissie verklaart om te beginnen zich te distantiëren van het vonnis van de verwijzende rechter, op grond dat zij de conclusies van voornoemd deskundigenrapport niet aanvaardt.
In antwoord op een door het Hof gestelde vraag betoogt de firma Roquette, dat de behandeling van de eerste zes vragen juridisch gezien van twee kanten kan worden bezien.
In de eerste plaats zouden hier de geldigheid van de bijlagen van verordening nr. 652/76 en de door de Commissie toegepaste (impliciete) berekeningsmethode aan de orde zijn. Maar voor de vaststelling van een juiste berekeningsmethode dienen volgens Roquette de in verordening nr. 974/71 en subsidiair in verordening nr. 572/76 neergelegde beginselen en voorschriften te worden uitgelegd.
De eerste vraag (maïszetmeel)
Roquette wijst erop dat de restitutie bij de produktie wordt vastgesteld in rekeneenheden (verordening nr. 1665/77 van de Raad van 20 juli 1977, PB van L 186 1977, blz 15) en dat dit bedrag vervolgens wordt omgezet in elk der nationale valuta's tegen de met de representatieve of de groene koers overeenstemmende wisselkoers (verordening nr. 878/77 van de Raad van 26 april 1977, PB L 106 van 1977, blz. 27).
Het gebruik van de agrarische wisselkoersverhouding heeft gevolgen voor het bedrag van de in de verschillende Lid-Staten toegekende produktierestituties. Zo zijn de in landen met een sterke valuta toegekende restituties hoger dan die welke in landen met een zwakke valuta worden toegekend.
De restitutie bij de produktie heeft een vermindering van de prijs van het basisprodukt tot gevolg. Bijgevolg wordt door de invloed van de monetaire maatregelen op het bedrag van de restitutie de invloed van de maatregelen op de prijs van het basisprodukt geringer.
Roquette betoogt dat het mcb voor de verwerkte produkten van de maïszetmeelindustrie wordt berekend over de interventieprijs van maïs, zonder dat rekening wordt gehouden met de restitutie bij de produktie. Dit veroorzaakt distorsies van de mededinging tussen de producenten van de verschillende Lid-Staten. De producenten in landen met een sterke valuta ontvangen immers een te groot bedrag uit hoofde van de monetaire compensatie, terwijl de producenten in landen met een zwakke valuta uit dien hoofde te veel betalen.
Die berekeningsmethode is om twee redenen onwettig. In de eerste plaats vindt, in strijd met de zesde overweging van verordening nr. 974/71, een bovenmatige compensatie van de invloed van de monetaire maatregelen plaats, terwijl de toe te passen bedragen beperkt dienen te zijn tot de bedragen die strikt noodzakelijk zijn om de invloed van de monetaire maatregelen op de prijzen van de basisprodukten te compenseren. In de tweede plaats is zij in strijd met het in artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag vervatte discriminatieverbod.
Volgens Roquette dient derhalve voor de berekening van het mcb voor de verwerkte produkten van de zetmeelindustrie, het bedrag van de produktierestitutie te worden afgetrokken van de interventieprijs van maïs.
Roquette erkent dat bij de verordeningen nr. 746/79 van 11 april 1979 (PB L 95 van 1979, blz. 3) en nr. 851/79 van 30 april 1979 (PB L 108 van 1979, blz. 11) inmiddels is getracht in een oplossing te voorzien, doch wijst erop dat deze maatregelen bovenbedoelde distorsies van de mededinging slechts zeer ten dele opheffen.
De Commissie acht verzoeksters stelling, dat voor de berekening van de mcb's voor maïszetmeel en daarvan afgeleide produkten moet worden uitgegaan van de interventieprijs verminderd met het bedrag van de voor zetmeel toegekende produktierestitutie, economisch ongegrond.
Deze stelling zou volgens haar aanvaardbaar zijn indien de marktprijs van maïs, dat wil zeggen de prijs waartegen de communautaire producenten van maïszetmeel dit produkt betrekken, op hetzelfde niveau lag als de interventieprijs van maïs. Dit is evenwel niet het geval, want de marktprijs van maïs heeft gedurende het betrokken tijdvak tussen de interventieprijs en de drempelprijs gelegen. Deze situatie wordt verklaard door het feit dat aan maïs in de Gemeenschap een tekort bestaat, zodat de marktprijs van dit produkt in de Gemeenschap in de regel door de drempelprijs wordt beïnvloed.
De Commissie wijst erop dat het bij verordening nr. 974/71 ingevoerde agromonetair stelsel niet voorschrijft, dat voor de berekening van de mcb's moet worden uitgegaan van de interventieprijs. Indien in het algemeen wordt uitgegaan van de interventieprijs, is dit omdat het stelsel ten doel heeft de interventieregeling te beschermen. Indien aldus voor het betrokken produkt in een interventieprijs is voorzien, is het logisch dat deze laatste prijs de berekeningsgrondslag vormt voor het mcb. Een dergelijke keuze heeft bovendien voordelen voor de uitvoerbaarheid van het stelsel der mcb's op het administratieve vlak.
In casu echter ontbreekt iedere specifieke interventieprijs voor de op basis van graan verwerkte produkten. De voor de berekening van de mcb's in de regel gekozen eenvoudige oplossing kwam derhalve niet in aanmerking. Daarentegen leek het passend, voor de berekening van de voor die produkten geldende mcb's uit te gaan van de economisch gezien belangrijkste prijs. Rekening houdend met haar eerdere opmerking over de overheersende invloed van de drempelprijs van maïs op de marktprijs in de Gemeenschap, heeft de Commissie het economisch gerechtvaardigd geacht, uit te gaan van de drempelprijs van maïs en deze vervolgens te verminderen met het bedrag van de voor ieder verwerkt produkt geldende produktierestitutie. Aldus verkrijgt men de aankoopprijs (de drempelprijs verminderd met de restitutie bij de produktie). Dit is de prijs die de bepalingen betreffende de invoering van een produktierestitutie voor zetmeel in zekere zin beogen te beschermen.
Derhalve is het logisch voor de berekening van het mcb uit te gaan van die aankoopprijs, daar deze het dichtst bij de marktprijs ligt en bovendien in het licht van de regeling van de gemeenschappelijke ordening der graanmarkten de belangrijkste prijs is voor bepaalde verwerkte produkten.
Van die keuze van de aankoopprijs voor de bereking van de mcb's is evenwel afgeweken in de gevallen waarin die prijs beneden de interventieprijs van maïs lag. Het niveau van de aankoopprijs ten opzichte van de interventieprijs is ten dele afhankelijk van het bedrag van de restitutie bij de produktie. Tot 1975 lag de aankoopprijs weliswaar in het algemeen beneden de interventieprijs van maïs, doch nadien heeft hij steeds daarboven gelegen. Sedert 1975 is de Commissie dan ook voor de berekening van het mcb voor het verwerkte produkt uitgegaan van de interventieprijs van maïs. Die keuze heeft de Commissie gebaseerd op de overweging, dat de interventieprijs de maximumprijs is aan de hand waarvan de mcb's kunnen worden berekend. Dit is in overeenstemming met de logica van het agromonetair stelsel, waar de toe te passen mcb's niet hoger dienen te zijn dan die welke uit een op grond van de interventieprijs van het produkt uitgevoerde berekening voortvloeien.
Gezien deze omstandigheden vormt de keuze van de interventieprijs van maïs als berekeningsgrondslag voor het mcb voor verwerkte produkten een pas in de richting van verzoeksters stelling, die zijn rechtvaardiging vindt in de hierboven aangevoerde redenen.
Voorts werken een hele reeks factoren in het voordeel van de producenten in landen van een zwakke valuta.
Zo verklaart de Commissie, bij de berekening van de mcb's voor op basis van maïs (en graan) verwerkte produkten geen rekening te houden met de maandelijkse verhogingen van de interventieprijs (of referentieprijs) en de drempelprijs van de basisprodukten. Deze uitsluiting van de maandelijkse verhogingen bij de berekening van de mcb's werkt ten gunste van de producenten in de landen met een zwakke valuta, omdat het aldus berekende mcb lager is dan het bedrag dat wordt verkregen door genoemde verhogingen in aanmerking te nemen.
Hetzelfde geldt voor de in artikel 2, lid 1, bis, van verordening nr. 974/71 voorziene franchise van 1,50 punt voor de berekening van de mcb's voor de Lid-Staten met een zwakke valuta.
De Commissie beklemtoont tenslotte dat de Franse producent binnenlandse maïs kan betrekken, waarvan de prijs minder in bovenwaartse richting wordt beïnvloed door de drempelprijs dan de prijs waartegen bijvoorbeeld de Duitse producent maïs moet betrekken.
Concluderend is de Commissie van mening dat de keuze van de prijs waaraan het meeste belang moet worden toegekend voor de berekening van de mcb's voor op basis van graan verwerkte produkten, deel uitmaakt van een globale economische beoordeling. Uit dien hoofde behoort een dergelijke keuze volgens haar tot de ruime bevoegdheid die het Hof de Commissie in vaste rechtspraak heeft toegekend voor de toepassing van het stelsel der mcb's (zaak 43/72, Merkur, Jurispr. 1973, blz. 1055; zaak 5/73, Balkan-Import-Export, Jurispr. 1973, blz. 1091; zaak 74/74, CNTA. Jurispr. 1975, blz. 533; zaak 55/75, Balkan-Import-Export, Jurispr. 1976, blz. 19)
De tweede vraag (tarwezetmeel)
Roquette betoogt dat voor de tarwezetmeelindustrie het mcb voor de verwerkte produkten wordt berekend aan de hand van de drempelprijs (van tarwe), terwijl het mcb voor het basisprodukt, dat wil zeggen tarwe, aan de hand van de referentieprijs wordt berekend.
Deze berekeningsmethode heeft voor het handelsverkeer tot gevolg:
dat men de producenten van landen met een zwakke valuta een mcb laat terugbetalen dat hoger is dan het mcb dat zij voor het basisprodukt hebben ontvangen, zodat zij worden belast;
dat de producenten in landen met een sterke valuta een hoger mcb ontvangen dan het mcb voor het basisprodukt, zodat zij worden gesteund.
Voor de verwerkte produkten zijn de mcb's dan ook niet meer gelijk aan de invloed op de prijs van die produkten van het mcb voor het basisprodukt. Deze ongelijkheid is in strijd met artikel 2 van verordening nr. 974/71 en met het in artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag vervatte discriminatieverbod.
Volgens Roquette dient voor de verwerkte produkten te worden uitgegaan van dezelfde prijs als voor het basisprodukt, verminderd met de produktierestitutie.
De Commissie betoogt dat deze vraag in hoofdzaak gelijk moet worden beantwoord als de eerste, behoudens twee verschillen.
In de eerste plaats is de aankoopprijs van tarwe, dat wil zeggen de drempelprijs verminderd met de produktierestitutie, gedurende het betrokken tijdvak (1976 tot 1978) steeds lager geweest dan de referentieprijs van tarwe. Derhalve zijn de mcb's voor tarwezetmeel steeds berekend aan de hand van de aankoopprijs, terwijl daarentegen bij de berekening van de mcb's voor maïszetmeel sedert 1975 steeds is uitgegaan van de interventieprijs van het basisprodukt, die toen onder de aankoopprijs lag.
In de tweede plaats bestaat over de gestelde vraag een verschil van mening tussen de producenten van maïszetmeel in de Gemeenschap, zodat het op de weg lag van de communautaire autoriteiten, het conflict in het licht van bredere economische belangen op te lossen.
De derde vraag (maïs- en tarweprodukten)
Roquette noemt om te beginnen een aantal technische aspecten betreffende de vervaardiging en wijst er met name op dat:
bij de verwerking van een ton maïs
621 kg zetmeel
+ 61 kg kiemen
+ 45 kg gluten
+ andere, niet aan mcb's onderworpen bijprodukten ontstaan;
bij de verwerking van een ton tarwe
454,55 kg zetmeel
+ 72,00 kg gluten
+ 214,30 kg zemelen
+ 51,40 kg slijpsel ontstaan.
Rekening houdende met het voorgaande dient de som van de mcb's voor de afgeleide produkten gelijk te zijn aan het mcb voor het basisprodukt (verminderd met de restitutie bij de produktie).
Dit is evenwel niet het geval. Integendeel, het mcb voor het basisprodukt wordt geheel afgewenteld op zetmeel:
mcb voor 1 ton maïs: FF 101,99
som van de mcb's voor verwerkte produkten: FF 115,83
waarvan mcb voor zetmeel: FF 101,97.
Een dergelijke berekeningsmethode is in strijd met verordening nr. 974/71. De Commissie heeft overigens toegegeven dat zulk een situatie „een klaarblijkelijke vergissing” vormt (verordening nr. 546/71 van 15 maart 1971, PB L 63 van 1971, blz. 15).
Concluderend betoogt Roquette, dat bij de berekening van het mcb voor zetmeel rekening moet worden gehouden met de mcb's voor de andere op basis van maïs of tarwe verwerkte produkten.
De Franse regering verwijst naar de opmerkingen, door haar onlangs bij het Hof ingediend in zaak 4/79, Providence agricole de la Champagne, welke zaak nog bij het Hof aanhangig is.
De Commissie betoogt dat bij de vervaardiging van maïszetmeel in de diverse Lid-Staten behalve zetmeel verschillende bijprodukten worden verkregen, waarvan slechts enkele aan het stelsel der mcb's zijn onderworpen.
Voor tarwezetmeel is de situatie van de afgeleide produkten minder duidelijk. Evenwel blijkt uit de statistische gegevens van geen enkele distorsie van de mededinging ten aanzien van dat produkt. Van een vermindering van het mcb voor zetmeel (posten 23.02 A II a en A II b) van 10 % zou zijn afgezien, omdat zulks zou hebben geleid tot een verhoging van de mcb's voor tarwemeel.
De totale bedragen voor de landen met een sterke valuta en voor die met een zwakke valuta dienen met voorzichtigheid te worden bekeken, omdat dubbele berekeningen niet zijn uitgesloten. Zij tonen evenwel duidelijk aan, dat importen nagenoeg alleen plaatsvinden in de landen met een sterke valuta, waar betere prijzen worden verkregen. Voor de producenten van maïsgriesmeel en zetmeel van die landen betekenen die importen een hevige concurrentie voor hun eigen afgeleide produkten, waarvoor zij minder krijgen, zulks in tegenstelling tot de producenten in landen met een zwakke valuta, die beter zijn wegens het ontbreken van mcb's.
Voorts vestigt de Commissie de aandacht op de volgende factoren die, voor de zetmeelindustrie in het algemeen, haars inziens in het voordeel werken van de in bepalde landen gevestigde producenten:
de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector granen is niet neutraal op mededingingsgebied. Zij waarborgt de industrieën in de producerende landen interessantere kostprijzen voor het basisprodukt, doordat de drempelprijs Rotterdam wordt afgeleid van de interventieprijs Ormes (Loiret), hetgeen zeer in het bijzonder gunstig is voor Frankrijk;
een reeks afgeleide produkten kan in de handel worden gebracht zonder mcb's, als gevolg waarvan de landen met een zwakke valuta worden bevoordeeld en die met een sterke valuta worden benadeeld;
belangrijke hoeveelheden zetmeel ontsnappen aan de mcb's omdat zij worden verhandeld als veranderd zetmeel;
bij de berekening van de uitvoerrestitutie voor zetmeel wordt geen rekening gehouden met de afgeleide produkten, hetgeen gunstig werkt bij uitvoer naar derde landen.
Blijkens bovenstaande overwegingen, en met name de verscheidenheid van de situaties, bestond er voor de Commissie aanleiding een forfaitair stelsel voor de berekening van de mcb's in te voeren, rekening houdend met het respectievelijke belang van de bijprodukten in de verschillende Lid-Staten.
De vierde vraag (aardappelzetmeel)
Volgens Roquette dient een gelijk mcb voor maïszetmeel en aardappelzetmeel te worden gehandhaafd. Deze gelijkheid is verbroken door verordening nr. 746/79 van 11 april 1979 (PB L 95 van 1979, blz. 3). Maïszetmeel wordt daar vermeld als een van de produkten, waarvoor het mcb is verminderd met 6 %. Nu genoemde verordening geen melding maakt van aardappelzetmeel, zijn de mcb's voor maïszetmeel en aardappelzetmeel voortaan verschillend.
De Commissie wijst erop dat maïszetmeel en aardappelzetmeel gedurende het betrokken tijdvak (1976 tot 1978) gelijk zijn behandeld. Zij ziet derhalve niet het belang van de gestelde vraag voor de oplossing van het hoofdgeding.
De vijfde vraag (sorbitol)
Volgens Roquette kan sorbitol met een mannitolgehalte van meer dan 2 % op basis van zowel maïs als suiker worden vervaardigd. In beide gevallen is de samenstelling van sorbitol gelijk.
Maar sorbitol met een mannitolgehalte van meer dan 2 % wordt steeds aan hetzelfde mcb onderworpen, dat wordt berekend aan de hand van de interventieprijs van saccharose.
Dat mcb is meer dan twee keer zo hoog dan het bedrag dat noodzakelijk is ter compensatie van de invloed van de monetaire maatregelen op de prijs van maïs, waarvan die van sorbitol daadwerkelijk afhankelijk is, hetgeen een inbreuk vormt op artikel 2 van verordening nr. 974/71 en artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag.
Roquette betoogt dat wanneer sorbitol wordt vervaardigd op basis van maïs, bij de berekening van het mcb moet worden uitgegaan van maïs.
Indien daarentegen middels een chemische analyse van sorbitol het gebruikte basisprodukt niet kan worden vastgesteld, kunnen met behulp van de boekhoudingen van de voorraden van de in de Gemeenschap gevestigde fabrikanten en een eenvoudige administratieve samenwerking voor de uit derde landen ingevoerde sorbitol, een excessieve compensatie en het risico van een verlegging van de goederenstromen gemakkelijk worden vermeden. Hetzelfde onderscheid wordt overigens gemaakt voor de toekenning van de restituties bij uitvoer naar derde landen, hetgeen voor sorbitol op basis van maïs tot gevolg heeft dat deze met het voor suiker geldende mcb wordt belast en slechts voor de voor maïs voorziene restitutie bij uitvoer in aanmerking komt.
De Commissie betoogt dat zij voor de berekening van de mcb's is uitgegaan van de hoeveelheden basisprodukt (maïs of suiker) als voorzien in verordening nr. 1060/69 van de Raad van 28 mei 1969, die deze hoeveelheden vaststelt voor de berekening van de op de buiten bijlage II vallende produkten toe te passen variabele elementen. Die hoeveelheden worden in het algemeen forfaitair vastgesteld.
Voor sorbitol is een forfaitaire vaststelling noodzakelijk op grond dat een chemische analyse van het daadwerkelijk gebruikte basisprodukt bijzonder moeilijk is. In verordening nr. 1060/69 van de Raad wordt dan ook — aldus de Commissie — onderscheiden tussen sorbitol met een mannitolgehalte van 2 % of minder en sorbitol met een hoger mannitolgehalte: de eerste wordt geacht te zijn vervaardigd op basis van maïs, de tweede op basis van suiker. Dit onderscheid is steeds gerechtvaardigd, want blijkens de gegevens waarover de Commissie beschikt is het maximum mannitolgehalte dat op basis van maïs vervaardigde sorbitol kan bevatten, inderdaad ongeveer 2 % (zie bijlage V bij de opmerkingen van de Commissie).
De Commissie is van mening dat indien een chemische analyse die forfaitaire classificatie in een bepaald geval tegenspreekt, de algemene regel moet worden aangehouden, daar deze is gebaseerd op een ruim aanvaard vermoeden en de regeling anders niet uitvoerbaar zou zijn. Een chemische analyse als bovenbedoeld kan immers alleen plaatsvinden in de fabriek waar het produkt is vervaardigd.
De Commissie acht het dan ook op grond van bovenstaande overwegingen gerechtvaardigd, dat zij het mcb voor sorbitol met een mannitolgehalte van meer dan 2 % op basis van de prijs van suiker heeft berekend.
De zesde vraag (isoglucose)
Roquette stelt dat isoglucose een glucosestroop is met een hoog gehalte aan fructose, verkregen op basis van maïs door middel van isomerisatie.
Voor isoglucose geldt hetzelfde mcb als voor saccharose, doch volgens Roquette dient het mcb voor isoglucose op basis van de interventieprijs van maïs te worden berekend.
Volgens de Commissie is isoglucose een produkt dat rechtstreeks concurreert met stropen van vloeibare suiker. Bijgevolg heeft de marktprijs van isoglucose de neiging, zich aan te passen aan de marktprijs van vloeibare suiker. Voor isoglucose bestaat geen interventieprijs. Aangezien in tijden van zelfvoorziening of overschotten de marktprijs van suiker gelijk is aan de voor dat produkt geldende interventieprijs, is het economisch gerechtvaardigd gebleken het mcb voor isoglucose op basis van die interventieprijs te berekenen. Voor de berekening van de restitutie bij uitvoer van isoglucose is dezelfde redenering gevolgd. Om redenen die met de markt verband houden, is derhalve voor een economische en niet voor een technische benadering gekozen. Dit was een coherente benadering, daar zij zowel op de berekening van de mcb's als op die van de restituties is toegepast.
De zevende vraag
Volgens de Franse regering vormt de terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen een aan de nationale private en publieke rechtsorde van de Lid-Staten gemeenschappelijk beginsel van natuurlijke gelijkheid, dat zich zo sterk opdringt dat men het als van openbare orde kan beschouwen. Volgens Frans recht omvat de terugvordering van het onverschuldigd betaalde niet alleen het ten onrechte betaalde bedrag, maar ook de moratoire interessen overeenkomende met de blokkering van de hoofdsom waarvan die interessen niet kunnen worden losgemaakt.
In tegenstelling tot de betaling van schadevergoeding, staat de restitutie van die interessen derhalve los van iedere schuldvraag.
De Franse regering betoogt dat het Hof de restitutie van de hoofdsom niet van die van de interessen kan scheiden. Zij geeft het Hof in overweging voor recht te verklaren, dat beide ten laste van hetzelfde organisme moeten worden gebracht, en wel van het organisme dat daadwerkelijk aanleiding heeft gegeven tot de onverschuldigde betaling.
In antwoord op een door het Hof gestelde vraag heeft de Franse regering als haar mening kenbaar gemaakt, dat de in de zevende vraag van het Tribunal opgeworpen rechtskwestie niet om de oplossing vraagt van de juridische problemen betreffende de financiële operaties tussen de schatkisten van de Lid-Staten en de geldmiddelen van de Gemeenschap. Het Hof kan die problemen uit de weg gaan door een omschrijving te geven van de inhoud van het gemeenschapsrecht met betrekking tot de terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen.
Een beslissing van de nationale rechter waarbij de terugbetaling van ten onrechte ontvangen bedragen en eventueel de betaling van interessen wordt bevolen, heeft geen gevolgen voor de vraag ten laste van welk budget de te betalen bedragen moeten worden gebracht.
Volgens de Commissie kan deze vraag niet worden beantwoord in het kader van een prejudiciële procedure, doet zij althans niet terzake voor de oplossing van het geding.
Een dergelijke vraag, die de betrekkingen tussen de Lid-Staten en de communautaire instellingen raakt, kan in beginsel niet worden beslist in het kader van een bij een nationale rechter aanhangig geschil tussen een particuliere onderneming en de administratie van een Lid-Staat. Derhalve kan zij niet als prejudiciële vraag aan het Hof worden voorgelegd.
Mocht het Hof zich uitspreken over de vraag ten laste van welk budget de moratoire interessen moeten worden gebracht, dan zou die uitspraak overigens voor de nationale rechter van generlei betekenis zijn voor de oplossing van het hoofdgeding.
III — Mondelinge behandeling
Ter terechtzitting van 4 maart 1980 zijn mondelinge opmerkingen gemaakt door verzoekster in het hoofdgeding, te dezen vertegenwoordigd door M. Veroone, advocaat te Rijsel, de regering van de Franse Republiek, te dezen vertegenwoordigd door H. Marty-Gauquie, attaché van de centrale administratie van het S.G.C.I. te Parijs, als gemachtigde, en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, te dezen vertegenwoordigd door J. Delmoly, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 11 maart 1980 conclusie genomen.
IV — Ontwikkeling van de procedure
Bij beschikking van 26 maart 1980 heeft het Hof, de advocaatgeneraal gehoord, de heropening van de mondelinge behandeling bevolen en verzoekster in het hoofdgeding, de Franse regering en de Commissie uitgenodigd hun opmerkingen aan te vullen door een zeker aantal vragen schriftelijk te beantwoorden.
In hun antwoorden hebben verzoekster in het hoofdgeding en de Franse regering hun eerdere opmerkingen bevestigd, terwijl de Commissie haar standpunt op bepaalde punten nader heeft uiteengezet.
Met betrekking tot de plafonneringsregel, dat wil zeggen de eis dat de som van de mcb's op alle van een basisprodukt afgeleide produkten niet hoger mag zijn dan het mcb voor dat basisprodukt, betoogt de Commissie dat indien men die regel wil toepassen, het voornaamste verwerkte produkt met zijn verwerkingscoëfficiënt alsmede de kwaliteit en de categorieën van de diverse bijprodukten nauwkeurig moeten worden vastgesteld. Die berekening is uiterst moeilijk, daar zij afhankelijk is van de kwaliteit van de gebruikte grondstof en van de verschillende afzetmarkten voor de verkregen verwerkte produkten. De Commissie meent niettemin in zo groot mogelijke mate met dit plafonneringsbegrip rekening te hebben gehouden.
Met betrekking tot aardappelzetmeel betoogt de Commissie, dat de verkregen bijprodukten geen reële waarde hebben en niet aan mcb's zijn onderworpen. Bijgevolg kan de voor de berekening van de mcb's voor maïszetmeel geldende methode niet worden toegepast voor de berekening van de mcb's voor aardappelzetmeel. Voor het overige behoeft het voor maïszetmeel geldende mcb niet noodzakelijkerwijs van invloed te zijn op de berekening van het mcb voor aardappelzetmeel; de Commissie meent in het kader van haar economische beoordelingsbevoegdheid rekening te moeten houden met de bijzondere moeilijkheden van de aardappelzetmeelindustrie.
Ten aanzien van de berekeningsmethode van de voor maïszetmeel geldende mcb's merkt de Commissie op, dat de reële prijzen waartegen de transacties tussen ondernemers plaatsvinden moeilijk zijn vast te stellen. Om die reden had men zich bij de berekening van het mcb voor maïs moeten bedienen van een stabielere en de instellingen door en door bekende parameter, te weten de interventieprijs. In de meeste gevallen kunnen door de inaanmerkingneming van die prijs als berekeningsgrondslag voor de mcb's, die bedragen tegelijkertijd op hét laagst mogelijke niveau worden vastgesteld. In het algemeen ligt de marktprijs immers op een hoger, en in ieder geval op hetzelfde niveau als de interventieprijs.
De gemeenschappelijke ordening van de graanmarkt bevat evenwel een bijzonder element, dat in voorkomend geval ertoe kan leiden dat de marktprijs van maïszetmeel beneden het uit de interventieprijs voortvloeiend niveau komt te liggen: het betreft hier de restitutie bij de produktie. Die restitutie vormt voor de ondernemer in die sector de maatregel die zijn aankoopprijs van maïs doorslaggevend beïnvloedt.
Om die reden is met die restitutie rekening gehouden door haar in mindering te brengen, niet op de interventieprijs maar op de drempelprijs, die de belangrijkste communautaire „invloedprijs” vormt voor de maïsmarkt. De aldus verkregen prijs is de aankoopprijs. Telkens wanneer de aankoopprijs lager was dan de interventieprijs, is deze laatste in aanmerking genomen voor de berekening van de mcb's voor op basis van maïs verwerkte produkten.
De Commissie beklemtoont dat nergens in de Gemeenschap een aankoopprijs bestaat ter hoogte van de interventieprijs verminderd met de produktierestitutie. Zij ziet niet in hoe verstoringen van het handelsverkeer, de enige rechtvaardiging voor de toepassing van mcb's (zie artikel 1, lid 3, van verordening nr. 974/71), op dit „irreële” prijsniveau zouden kunnen bestaan.
V — Mondelinge behandeling
Ter terechtzitting van 20 mei 1980 hebben verzoekster in het hoofdgeding, te dezen vertegenwoordigd door M. Veroone, advocaat te Rijsel, de regering van de Franse Republiek, te dezen vertegenwoordigd door H. Marty-Gauquie als gemachtigde, en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, te dezen vertegenwoordigd door J. Delmoly, bijgestaan door R. Reifenrath, mondelinge opmerkingen gemaakt.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 17 juni 1980 opnieuw conclusie genomen.
In rechte
Bij vonnis van 29 juni 1979, ingekomen ten Hove op 17 september 1979, heeft het Tribunal d'Instance te Rijsel krachtens artikel 177 EEG-Verdrag zeven vragen gesteld over de uitlegging van artikel 40 EEG-Verdrag en van de artikelen 1 en 2 van verordening nr. 974/71 van de Raad van 12 mei 1971 betreffende bepaalde conjunctuurpolitieke maatregelen welke naar aanleiding van de tijdelijke verruiming van de fluctuatiemarges van de valuta's van sommige Lid-Staten dienen te worden genomen in de landbouwsector (PB L 106 van 1971, blz. 1).
Bij het Tribunal is door de naamloze vennootschap Roquette Frères een rechtsvordering aanhangig gemaakt tegen de Franse Staat, douaneadministratie, tot terugbetaling van door de douane sedert 25 maart 1976, de datum van inwerkingtreding van verordening nr. 652/76 van de Commissie van 24 maart 1976 houdende wijziging van de monetaire compenserende bedragen naar aanleiding van de ontwikkeling van de wisselkoersen van de Franse frank (PB L 79 van 1976, blz. 4), te veel geïnde monetair compenserende bedragen.
Verzoekster in het hoofdgeding, Roquette, bestrijdt de door de Commissie toegepaste berekeningsmethoden voor de vaststelling van de monetair compenserende bedragen voor de verwerkte produkten van de maïszetmeelindustrie, de verwerkte produkten van de tarwezetmeelindustrie, aardappelzetmeel, sorbitol en isoglucose. Die methoden zouden in strijd zijn met de door de Raad vastgestelde regels met betrekking tot de wijze van berekening van de monetair compenserende bedragen voor de produkten die afhankelijk zijn van produkten waarvoor in interventiemaatregelen is voorzien; zij zouden inzonderheid inbreuk maken op artikel 2, lid 2, van verordening nr. 974/71. Bovendien zouden die methoden tot distorsies van de mededinging tussen de producenten van de gemeenschappelijke markt hebben geleid.
Verweerster in het hoofdgeding betoogt dat de Franse Staat enkel de communautaire regeling toepast, zonder de gegrondheid van de wijze van berekening van de monetair compenserende bedragen te kunnen beoordelen. Hij zou de inning van die bedragen uitvoeren en deze afdragen aan het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw.
Het Tribunal heeft een deskundigenonderzoek gelast. Het heeft de conclusies van het deskundigenrapport bekrachtigd met betrekking tot het bestaan en de omvang van de door Roquette gestelde, uit de berekeningsmethoden van de compenserende bedragen voortvloeiende distorsies. Op die grondslag heeft het Tribunal termen aanwezig geacht, de procedure te schorsen in afwachting van een beslissing van het Hof van Justitie over de vraag, of de aldus in het licht gestelde distorsies in strijd zijn met artikel 40 EEG-Verdrag en of de berekeningsmethode van de compenserende bedragen in de door Roquette gewenste zin dient te worden gewijzigd.
Inleidende opmerking
Met de eerste zes vragen wenst het Tribunal te vernemen, welke de juiste methode is voor de berekening van de voor maïszetmeel, tarwezetmeel, aardappelzetmeel, sorbitol en isoglucose geldende monetair compenserende bedragen. Opgemerkt moet worden, dat de betrokken compenserende bedragen zijn vastgesteld en gewijzigd bij verordeningen van de Commissie, die daartoe bevoegd is verklaard in de artikelen 3 en 6 van verordening nr. 974/71. Met de zes vragen wordt het Hof verzocht zich uit te spreken over de berekeningsmethoden die de Commissie heeft gevolgd voor de bepaling van de door haar vastgestelde bedragen. Langs indirecte weg wordt aldus een oordeel gevraagd over de geldigheid van de wettelijke bepalingen waarbij de Commissie de voor de betrokken produkten geldende compenserende bedragen heeft vastgesteld.
In het kader van de taakverdeling tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof voor de toepassing van artikel 177 EEG-Verdrag staat het weliswaar aan de nationale rechterlijke instanties, te beslissen of de gestelde vragen ter zake dienend zijn, doch het blijft voorbehouden aan het Hof, uit alle door de nationale rechter verstrekte gegevens die gemeenschapsrechtelijke elementen naar voren te halen welke, rekening houdend met het onderwerp van het geding, moeten worden uitgelegd of op hun geldigheid moeten worden beoordeeld.
Algemene overwegingen
Het antwoord op de gestelde vragen moet worden gezocht in het licht van de doelstellingen welke ten grondslag liggen aan de instelling, bij verordening nr. 974/71, van de monetair compenserende bedragen in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, en van de verdragsbepalingen betreffende dat gemeenschappelijk landbouwbeleid, inzonderheid de artikelen 39, 40 en 43.
De monetair compenserende bedragen zijn bij verordening nr. 974/71 ingesteld ten einde, in het kader van de gemeenschappelijke ordening der markten, een ontwrichting van het in de communautaire regeling voorziene interventiesysteem alsmede abnormale prijsbewegingen als gevolg van de fluctuaties van de valuta's van sommige Lid-Staten te voorkomen. Volgens de considerans van verordening nr. 974/71 dienen de toe te passen bedragen niet hoger te zijn dan strikt noodzakelijk is om de invloed te compenseren van de monetaire maatregelen op de prijzen van de basisprodukten waarvoor is voorzien in interventiemaatregelen, en dienen zij slechts te worden toegepast in de gevallen waarin deze invloed moeilijkheden zou veroorzaken.
Volgens artikel 1, lid 2, van de verordening worden compenserende bedragen geheven op, respectievelijk toegekend voor produkten waarvoor in het kader van de gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten is voorzien in interventiemaatregelen, en op produkten waarvan de prijs afhankelijk is van die van eerstgenoemde categorie produkten en die hetzij onder de gemeenschappelijke ordening der markten vallen, hetzij het voorwerp zijn van een specifieke regeling krachtens artikel 235 EEG-Verdrag. Artikel 2, lid 2, bepaalt' dat voor de andere produkten dan die waarvoor in interventiemaatregelen is voorzien, de compenserende bedragen, gelijk zijn aan de invloed die de prijs van het betrokken produkt ondergaat door de toepassing van het compenserende bedrag op de prijs van het aan het interventiesysteem onderworpen produkt, waarvan eerstgenoemde prijs afhankelijk is.
Uit die bepalingen volgt dat, zowel voor de basisprodukten als voor de afhankelijke produkten, de instelling van monetair compenserende bedragen ten doel heeft de gevolgen te corrigeren van de schommelingen van onstabiele wisselkoersen die, in een stelsel van een op gemeenschappelijke prijzen gebaseerde marktordening voor landbouwprodukten, verstoringen in het handelsverkeer van die produkten zouden kunnen veroorzaken en met name de voor die produkten voorziene interventieregeling in gevaar zouden kunnen brengen. Met de instelling van monetair compenserende bedragen wordt derhalve in hoofdzaak de handhaving van het stelsel van eenvormige prijzen in de agrarische marktordeningen beoogd. Dit stelsel van eenvormige prijzen vormt immers, gelet op de aan die marktordeningen inherente doelstellingen — de handhaving van de levensstandaard van de agrarische producenten en de stabilisatie der markten — de grondslag van het vrije verkeer van landbouwprodukten binnen de Gemeenschap. Het stelsel heeft niet tot doel en mag ook niet tot doel hebben, een bepaalde Lid-Staat ten opzichte van de andere een aanvullende marktbescherming op het gebied van de landbouwprijzen te verlenen; dit zou immers onverenigbaar zijn met de nagestreefde markteenheid.
Meer in het bijzonder met betrekking tot de afhankelijke produkten dient voorts te worden opgemerkt dat, gelijk het Hof vaststelde in zijn arrest van 12 november 1974 (zaak 34/74, Roquette, Jurispr. 1974, blz. 1217), voor de basisprodukten de monetaire fluctuaties krachtens artikel 2 van verordening nr. 974/71 volledig kunnen worden gecompenseerd, doch dat dit niet geldt voor de afhankelijke produkten. Voor deze laatste kan de Commissie, gezien de in artikel 2, lid 2, gebezigde term „invloed”, bij de vaststelling van de monetair compenserende bedragen enkel rekening houden met de gevolgen voor de prijs van het afhankelijke produkt van de op het basisprodukt toegepaste compenserende bedragen.
Het Hof erkent dat de berekening van de invloed van het voor een basisprodukt vastgestelde monetair compenserend bedrag op de prijzen van de afhankelijke produkten, voor een groot aantal produkten waarvan de produktiemethode en de samenstelling in de verschillende gebieden van de Gemeenschap kunnen variëren, moeilijke problemen van technische en economische aard oplevert. Het is aan de Commissie die problemen op te lossen, met behoud van een zekere coherentie en een minimum aan doorzichtigheid in het door haar in die sector in te voeren stelsel der compenserende bedragen. Zij dient daartoe te beschikken over een ruime beoordelingsvrijheid, met name bij de vraag of er verstoringen van het handelsverkeer optreden of dreigen op te treden, met betrekking tot het aantal afhankelijke produkten waarop een compenserend bedrag moet worden toegepast, en de invloed op de prijs van het afhankelijke produkt van het op het basisprodukt toegepaste compenserende bedrag. De vaststelling van het compenserende bedrag voor een verwerkt produkt kan niet worden betwist op de enkele grond dat ten aanzien van een bepaalde onderneming of groep van producenten de berekening van de invloed van het voor het basisprodukt geldende compenserende bedrag niet geheel adequaat zou zijn, want het kan zijn dat men zijn toevlucht wel moet nemen tot forfaitaire schattingen.
De beoordelingsvrijheid die de Commissie moet worden toegekend, is niettemin aan beperkingen gebonden. Indien de toegepaste berekeningsmethode tot gevolg heeft dat verwerkte produkten systematisch worden onderworpen aan compenserende bedragen waarvan de last — of, in voorkomend geval, het voordeel — voortdurend groter is dan noodzakelijk is om rekening te houden met de invloed van het compenserende bedrag voor het basisprodukt, kan niet meer worden aangenomen dat de bepalingen waarbij die bedragen zijn vastgesteld, dienen om de gevolgen van de monetaire fluctuaties tussen de Lid-Staten op te heffen. In een dergelijk geval blijft de Commissie niet binnen het kader van de haar bij verordening nr. 974/71 gegeven bevoegdheid.
In het licht van deze overwegingen dienen thans de eerste zes vragen van de nationale rechter te worden onderzocht.
Maïszetmeel (eerste vraag)
Met de eerste vraag wenst het Tribunal te vernemen of de restitutie bij de produktie, berekend tegen de groene koers, in aanmerking moet worden genomen bij de berekening van de monetair compenserende bedragen voor maïszetmeel en daarvan afgeleide produkten.
Blijkens het dossier en de toelichtingen van de Commissie zijn de compenserende bedragen voor maïszetmeel, vastgesteld bij verordening nr. 652/76 — die aanleiding heeft gegeven tot het hoofdgeding — en bij de latere wijzigingsverordeningen, berekend op basis van de interventieprijs van maïs. De nationale rechter vraagt of die berekeningswijze niet op dwaling berust, voor zover zij geen rekening houdt met de restitutie bij de produktie die krachtens de communautaire regeling wordt toegekend voor in de Gemeenschap ter vervaardiging van zetmeel gebruikte maïs.
Tijdens de procedure voor het Hof heeft de Commissie uiteengezet op welke wijze zij de compenserende bedragen voor maïszetmeel berekent. Volgens haar is er geen reden, bij die berekening de interventieprijs van maïs in aanmerking te nemen, aangezien zetmeelproducenten maïs betrekken tegen een prijs die hoger is dan de interventieprijs, die ongeveer op het niveau van de drempelprijs ligt. Gezien de problemen die zouden ontstaan indien rekening werd gehouden met de werkelijke aankoopprijs, die afhankelijk is van de marktsituatie, zegt de Commissie te zijn uitgegaan van een forfaitair vastgestelde aankoopprijs. Voor de berekening van de compenserende bedragen voor maïszetmeel heeft zij dus rekening gehouden met de drempelprijs van mais, verminderd met de restitutie bij de produktie van zetmeel. In gevallen waarin de aldus vastgestelde aankoopprijs hoger was dan de interventieprijs, is de Commissie evenwel uitgegaan van deze laatste prijs en niet van de aankoopprijs, aangezien zij, gelet op de kenmerken van de betrokken landbouwsector, de laagst mogelijke compenserende bedragen diende vast te stellen. In die gevallen echter was het economisch gezien geenszins gerechtvaardigd, de restitutie bij de produktie in mindering te brengen op de interventieprijs, daar deze lager is dan de aankoopprijs, waarin de restitutie bij de produktie reeds is verwerkt.
Blijkens de door de Commissie aan het Hof overgelegde cijfers is de interventieprijs van maïs sinds 1975 steeds lager geweest dan de drempelprijs, verminderd met het bedrag van de restitutie bij de produktie van zetmeel. Gedurende het voor het onderhavige geding relevante tijdvak is bijgevolg het compenserende bedrag voor maïszetmeel vastgesteld op de grondslag van de interventieprijs van maïs, zonder aftrek van de restitutie bij de produktie.
Aangezien de instelling van de monetair compenserende bedragen hoofdzakelijk ten doel heeft, het risico van een ontwrichting van het interventiesysteem als gevolg van de monetaire fluctuaties af te wenden, is het niet noodzakelijk die bedragen vast te stellen op basis van de marktprijs van het betrokken landbouwprodukt of van een forfaitair bepaalde aankoopprijs. De compenserende bedragen voor het basisprodukt maïs zijn vastgesteld op basis van de interventieprijs van maïs.
Indien de compenserende bedragen voor het basisprodukt worden gebaseerd op de interventieprijs, valt moeilijk in te zien hoe de invloed op de prijs van het verwerkte produkt van de toepassing van het compenserende bedrag op de prijs van het basisprodukt, als bedoeld in artikel 2, lid 2, van verordening nr. 974/71, zou kunnen worden berekend op grond van een andere prijs van het basisprodukt dan de interventieprijs. Blijkens het dossier worden de compenserende bedragen voor de andere op basis van maïs verwerkte produkten dan zetmeel — waarvoor geen enkele restitutie bij de produktie is voorzien — inderdaad op basis van de interventieprijs van maïs berekend.
Blijkbaar heeft de inaanmerkingneming van de aankoopprijs van maïs dan ook slechts gediend tot vaststelling van de compenserende bedragen voor een verwerkt produkt dat in aanmerking kan komen voor een restitutie bij de produktie, en heeft die inaanmerkingneming tot gevolg gehad dat die compenserende bedragen in feite worden vastgesteld aan de hand van de interventieprijs van maïs, zonder aftrek van de restitutie bij de produktie.
Ter rechtvaardiging van die berekeningswijze heeft de Commissie in haar memorie betoogd, dat de keuze van de prijs waaraan het meeste belang moet worden gehecht voor de berekening van de monetair compenserende bedragen voor op basis van granen verwerkte produkten, een onderdeel is van een globale economische beoordeling. In dit verband heeft zij gewezen op bepaalde omstandigheden die in het voordeel zouden werken van de in landen met een zwakke valuta, zoals Frankrijk, gevestigde producent, zoals bijvoorbeeld de mogelijkheid binnenlandse maïs te betrekken, de in artikel 2, lid 1 bis, van verordening nr. 974/71 voorziene franchise voor de berekening van de compenserende bedragen voor de Lid-Staten waarvan de munteenheid in waarde is gedaald, en de omstandigheid dat bij de berekening van de compenserende bedragen voor op basis van maïs verwerkte produkten geen rekening wordt gehouden met de maandelijkse verhogingen van de interventieprijs. Om die redenen zou de keuze van de in aanmerking te nemen prijs vallen binnen de ruime beoordelingsvrijheid waarover de Commissie op het onderhavige terrein beschikt.
Deze argumenten doen evenwel niet terzake. De beoordelingsvrijheid van de Commissie ten aanzien van de berekeningswijze van de compenserende bedragen voor verwerkte produkten, houdt niet in dat zij rekening zou mogen houden met de economische situatie in een bepaalde produktiesector, doch alleen dat zij, binnen de bij verordening nr. 974/71 getrokken grenzen, de invloed van de prijs van de verwerkte produkten van de voor de basisprodukten geldende compenserende bedragen schattenderwijs mag bepalen. Door rekening te houden met aan die situatie vreemde elementen en dusdoende compenserende bedragen voor maïszetmeel vast te stellen op basis van de interventieprijs van maïs zonder aftrek van de restitutie bij de produktie, terwijl de compenserende bedragen voor andere op basis van maïs verwerkte produkten waarvoor in geen enkele restitutie bij de produktie is voorzien, eveneens op basis van de interventieprijs van maïs worden berekend, is de Commissie verder gegaan dan verordening nr. 974/71 toestaat.
De eerste vraag dient derhalve aldus te worden beantwoord, dat de monetair compenserende bedragen voor maïszetmeel ingevolge verordening nr. 974/71 moeten worden berekend op basis van de interventieprijs van maïs, verminderd met de restitutie bij de produktie van maïszetmeel.
Tarwezetmeel (tweede vraag)
In de tweede plaats wordt gevraagd of, voor de berekening van' het monetair compenserende bedrag voor tarwezetmeel, de prijs van het basisprodukt vóór aftrek van de restitutie bij de produktie dezelfde moet zijn als die waarvan wordt uitgegaan voor de berekening van het compenserende bedrag voor tarwe.
De Commissie zegt, bij de bepaling van de berekeningswijze van de compenserende bedragen voor tarwezetmeel een gelijke behandeling van tarwezetmeel en maïszetmeel voor ogen te hebben gehad, ook al is zij uitgegaan van de referentieprijs van tarwe en niet van de interventieprijs, aangezien eerstgenoemde prijs voor de berekening van de compenserende bedragen voor tarwe en de daarvan afgeleide produkten dezelfde functie vervult als de interventieprijs voor maïs en maïsprodukten. Blijkens het dossier worden de compenserende bedragen voor tarwe op basis van de referentieprijs van tarwe berekend, terwijl die voor tarwezetmeel worden vastgesteld aan de hand van de drempelprijs van tarwe, verminderd met de restitutie bij de produktie.
Volgens de inlichtingen die zij het Hof heeft verstrekt, is de Commissie uitgegaan van de drempelprijs verminderd met de restitutie bij de produktie, omdat dit de prijs zou zijn waartegen de zetmeelproducenten tarwe kopen. Anders dan in de sector maïs het geval is, zou die aankoopprijs evenwel steeds onder de referentieprijs hebben gelegen en daardoor zou hij voortdurend in aanmerking zijn genomen voor de berekening van de compenserende bedragen voor tarwezetmeel.
Gelet op het ten aanzien van maïszetmeel overwogene en op de verklaring van de Commissie, dat zij maïszetmeel en tarwezetmeel gelijk wilde behandelen, is het duidelijk dat de Commissie haar bevoegdheden heeft overschreden door voor de compenserende bedragen voor tarwezetmeel een andere berekeningsgrondslag te kiezen dan de referentieprijs verminderd met de restitutie bij de produktie. Bijgevolg dient de tweede vraag bevestigend te worden beantwoord.
Alle van een zelfde basisprodukt afgeleide produkten (derde vraag)
In de derde plaats wordt gevraagd, of de som van de compenserende bedragen voor alle bij de verwerking van een zelfde basisprodukt verkregen produkten en bijprodukten, groter mag zijn dan het compenserende bedrag voor het basisprodukt.
Het Hof heeft deze vraag onderzocht in de eveneens op deze 15e oktober 1980 gewezen arresten in de zaken 4/79 (Providence agricole de la Champagne) en 109/79 (Maïseries de Beauce).
Blijkens die arresten heeft de Commissie verordening nr. 974/71 alsmede artikel 43, lid 3, EEG-Verdrag geschonden door een berekeningsmethode vast te stellen voor de monetair compenserende bedragen voor op basis van een zelfde basisprodukt, zoals maïs of tarwe, verwerkte produkten, waarvan de prijs afhankelijk is van die van maïs of tarwe, die ertoe leidt dat voor de verschillende, bij de verwerking van een bepaalde hoeveelheid maïs of tarwe in een bepaalde produktieketen verkregen produkten compenserende bedragen worden verkregen waarvan de som aanzienlijk hoger is dan het compenserende bedrag voor die bepaalde hoeveelheid maïs of tarwe.
Aardappelzetmeel (vierde vraag)
De vierde vraag luidt of het op aardappelzetmeel toegepaste compenserende bedrag gelijk dient te zijn aan het bedrag dat op maïszetmeel wordt toegepast.
Er zij aan herinnerd, dat verordening nr. 974/71 voorziet in compenserende bedragen voor de produkten waarvoor in interventiemaatregelen is voorzien, alsmede voor de produkten waarvan de prijs afhankelijk is van die van eerstgenoemde categorie produkten en die bovendien onder de gemeenschappelijke ordening der markten vallen dan wel het voorwerp zijn van een specifieke regeling krachtens artikel 235 EEG-Verdrag. Vaststaat dat voor aardappelen in geen enkele interventiemaatregel is voorzien, maar dat de prijs van aardappelzetmeel afhankelijk is van die van maïs, aangezien aardappelzetmeel en maïszetmeel concurrerende produkten en zelfs onderling vervangbaar zijn.
De invloed — in de zin van artikel 2, lid 2, van verordening nr. 974/71 — op de prijs van aardappelzetmeel van de toepassing van compenserende bedragen op de prijs van maïs moet dan ook gelijk zijn aan die invloed op de prijs van maïszetmeel.
De Commissie heeft deze zienswijze echter bestreden. Zij heeft beklemtoond dat, voor wat aardappelzetmeel betreft, de verkregen bijprodukten geen werkelijke waarde hebben en daarom niet aan monetair compenserende bedragen zijn onderworpen, in tegenstelling tot hetgeen in de sector maïs het geval is. Voorts meent zij, in het kader van haar economische beoordelingsvrijheid rekening te moeten houden met de bijzondere moeilijkheden in de sector aardappelzetmeel, die door het Hof zijn erkend in het arrest van 12 juli 1979 (zaak 166/78, Italiaanse Republiek t. Raad, Jurispr. 1979, blz. 2575).
Deze aspecten, die — zoals het Hof in voornoemd arrest heeft erkend — van belang kunnen zijn voor de steunverlening aan de produktie, dienen evenwel buiten beschouwing te blijven bij de vaststelling van de monetair compenserende bedragen. Deze laatste hebben niet tot doel, bijzondere moeilijkheden in een bepaalde tak van de verwerkende industrie te verhelpen, doch de gevolgen van de monetaire fluctuaties voor het stelsel van eenvormige prijzen in het kader van de gemeenschappelijke ordeningen der landbouwmarkten op te heffen.
Dat bij de vervaardiging van aardappelzetmeel verkregen bijprodukten niet aan monetair compenserende bedragen zijn onderworpen, is niet van belang. Waar de prijs van aardappelzetmeel wegens de rechtstreekse concurrentieverhouding tussen aardappelzetmeel en maïszetmeel afhangt van die van maïs, mag de berekening van de toe te passen compenserende bedragen niet worden bepaald door de produktievoorwaarden die eigen zijn aan de aardappelsector. Blijkens het antwoord op de derde vraag is het daarentegen niet uitgesloten, dat het compenserende bedrag voor maïszetmeel wordt beïnvloed door de som der compenserende bedragen voor de van dezelfde hoeveelheid maïs afgeleide bijprodukten. In dat geval zou het compenserende bedrag voor aardappelzetmeel dezelfde invloed moeten ondergaan.
Indien derhalve, overeenkomstig de zesde overweging van verordening nr. 974/71, de in te stellen compenserende bedragen niet hoger dienen te zijn dan strikt noodzakelijk is om de invloed te compenseren van de monetaire maatregelen op de prijzen van de basisprodukten waarvoor is voorzien in interventiemaatregelen, dan dient op de vierde vraag te worden geantwoord, dat het compenserende bedrag voor aardappelzetmeel niet hoger mag zijn dan dat voor maïszetmeel.
Sorbitol (vijfde vraag)
Met zijn vijfde vraag wenst de nationale rechter te vernemen, of op basis van maïs vervaardigde sorbitol met een mannitolgehalte van meer dan 2 %, waarvan de prijs is gerelateerd aan die van maïs, moet worden onderworpen aan een monetair compenserend bedrag gebaseerd op dat voor maïs.
Sorbitol is een produkt dat het voorwerp vormt van een specifieke regeling krachtens artikel 235 EEG-Verdrag. De handelsregeling voor sorbitol is vastgesteld bij verordening nr. 1059/69 van de Raad van 28 mei 1969 tot vaststelling van de handelsregeling die van toepassing is op bepaalde goederen, verkregen door verwerking van landbouwprodukten (PB L 141 van 1969, blz. 1), en bij verordening nr. 1060/69 van de Raad van dezelfde datum, tot vaststelling van de hoeveelheden basisprodukten die worden geacht bij de vervaardiging van de onder verordening nr. 1059/69 vallende goederen te zijn gebruikt (PB L 141 van 1969, blz. 7).
Krachtens verordening nr. 1059/69 wordt sorbitol bij invoer in de Gemeenschap onderworpen aan een belasting, bestaande uit een vast element en een variabel element. De berekeningswijze van het variabele element wordt bepaald door verordening nr. 1069/69, die daartoe onderscheidt tussen sorbitol met een mannitolgehalte van 2 of minder gewichtspercenten berekend op het sorbitolgehalte, die wordt geacht te zijn vervaardigd op basis van maïs, en sorbitol met een gehalte aan mannitol van meer dan 2 gewichtspercenten, die wordt geacht op basis van suiker te zijn vervaardigd (bijlage bij de verordening, post 29.04 C III). De Commissie is bij de berekening van de compenserende bedragen voor sorbitol van hetzelfde onderscheid uitgegaan.
Roquette betoogt dat de opvatting dat sorbitol met een hoog gehalte aan mannitol in de regel op basis van suiker zou zijn verkregen, onjuist is. Zij wijst erop dat haar sorbitolproduktie, die meer dan de helft van de communautaire produktie van dat produkt zou vertegenwoordigen, uitsluitend op basis van maïs plaats vindt, terwijl 60 % van de door haar geproduceerde sorbitol een mannitolgehalte heeft van tussen 3 en 4 % ; voor het overige zou 90 % van de in de Gemeenschap geproduceerde sorbitol, waarvan meer dan de helft een mannitolgehalte van 3 tot 4 % heeft, op basis van maïs worden vervaardigd. De door de nationale rechter benoemde deskundige heeft vastgesteld dat, door op sorbitol die op basis van maïs is vervaardigd, een op basis van de prijs van suiker gebaseerd compenserend bedrag toe te passen, kunstmatige prijsverschillen worden geschapen.
Deze feitelijke gegevens kunnen evenwel niet afdoen aan de geldigheid van de voor sorbitol vastgestelde compenserende bedragen. Op grond van artikel 2, lid 2, van verordening nr. 974/71 moest de Commissie rekening houden met de invloed op de prijzen van sorbitol van de toepassing van het compenserende bedrag op de prijs van het produkt waarvan de prijzen van sorbitol afhankelijk zijn. Door dit laatste produkt te bepalen aan de hand van het mannitolgehalte ervan, heeft de Commissie gehandeld volgens de door de Raad vastgestelde regels met betrekking tot de voor sorbitol geldende gemeenschappelijke marktordening. Zij heeft dus de haar bij verordening nr. 974/71 verleende bevoegdheid niet overschreden.
De vijfde vraag dient derhalve aldus te worden beantwoord, dat op basis van maïs vervaardigde sorbitol met een gehalte aan mannitol van meer dan 2 % niet noodzakelijkerwijze behoeft te worden onderworpen aan een monetair compenserend bedrag gebaseerd op dat voor maïs.
Isoglucose (zesde vraag)
De zesde vraag houdt in, of op basis van maïs vervaardigde isoglucose, waarvan de prijs is gerelateerd aan die van maïs, moet worden onderworpen aan een monetair compenserend bedrag gebaseerd op dat voor maïs.
Het antwoord op deze vraag luidt ontkennend. Isoglucose is het onderwerp van een reeks communautaire maatregelen tot vaststelling van een op dat produkt afgestemde, doch op die voor vloeibare suiker gelijkende regeling, met welk laatste produkt isoglucose wordt geacht rechtstreeks te concurreren. Mitsdien heeft de Commissie de compenserende bedragen voor isoglucose terecht berekend op basis van die voor witte suiker.
Geldigheid van verordening nr. 652/76 en van de verordeningen tot wijziging daarvan
Uit het antwoord op de eerste vier vragen volgt dat verordening nr. 652/76 ongeldig is
—voor zover daarbij compenserende bedragen voor maïszetmeel zijn vastgesteld op een andere grondslag dan die van de interventieprijs van maïs, verminderd met de restitutie bij de produktie van zetmeel;
—voor zover daarbij compenserende bedragen voor tarwezetmeel zijn vastgesteld op een andere grondslag dan die van de referentieprijs van tarwe, verminderd met de restitutie bij de produktie van zetmeel;
—voor zover daarbij de compenserende bedragen voor de verschillende, bij de verwerking van een bepaalde hoeveelheid van een zelfde basisprodukt, zoals maïs of tarwe, in een bepaalde produktieketen verkregen produkten, zijn vastgesteld op een aanzienlijk hoger niveau dan het compenserende bedrag voor die bepaalde hoeveelheid van het basisprodukt;
—voor zover daarbij compenserende bedragen voor aardappelzetmeel zijn vastgesteld die hoger zijn dan die voor maïszetmeel.
Dezelfde conclusie dient te gelden ten aanzien van de geldigheid van de latere verordeningen van de Commissie, houdende vaststelling of wijziging van de monetair compenserende bedragen voor de in de voorgaande alinea bedoelde produkten.
Daar deze ongeldigheid in het kader van een prejudiciële procedure krachtens artikel 177 EEG-Verdrag is uitgesproken, dienen de gevolgen ervan nader te worden aangeduid.
Weliswaar zijn in het Verdrag de gevolgen van een ongeldigverklaring in het kader van een prejudiciële procedure niet uitdrukkelijk omschreven, doch de artikelen 174 en 176 bevatten nauwkeurige regels met betrekking tot de gevolgen van de nietigverklaring van een verordening in het kader van een rechtstreeks beroep. Zo bepaalt artikel 176, dat de instelling die de vernietigde handeling heeft verricht, gehouden is de maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn ter uitvoering van het arrest van het Hof. In de arresten van 19 oktober 1977 (gevoegde zaken 11/76 en 16/77, Ruckdeschel e. a., Jurispr. 1977, blz. 1753, en gevoegde zaken 124/76 en 20/77, Moulins Pont-à-Mousson e. a., Jurispr. 1977, blz 1795) heeft het Hof in het kader van een prejudiciële procedure reeds naar dat voorschrift verwezen.
In casu moet artikel 174, tweede alinea, EEG-Verdrag, bepalende dat het Hof die gevolgen van de vernietigde verordening kan aanwijzen welke als gehandhaafd moeten worden beschouwd, overeenkomstige toepassing vinden om dezelfde redenen van rechtszekerheid als die welke aan genoemde bepaling ten grondslag liggen. In de eerste plaats zou de ongeldigheid waarom het in casu gaat, aanleiding kunnen geven tot terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen door daarbij belanghebbende ondernemingen in landen met een zwakke valuta en nationale overheidsinstanties in landen met een sterke valuta, hetgeen, wegens het ontbreken van eenvormigheid in de toepasselijke nationale wettelijke regelingen, tot aanzienlijke verschillen in behandeling en bijgevolg tot nieuwe distorsies van de mededinging zou kunnen leiden. In de tweede plaats kunnen de economische nadelen die voortvloeien uit de ongeldigheid van de betrokken bepalingen van de verordeningen niet worden geschat dan aan de hand van beoordelingen waartoe ingevolge verordening nr. 974/71 alleen de Commissie bevoegd is, die daarbij rekening heeft te houden met andere relevante factoren zoals de toepassing van de groene koers op de restitutie bij de produktie.
Om die redenen moet worden vastgesteld dat, voor wat betreft het vóór de datum van dit arrest gelegen tijdvak, de erkenning van de ongeldigheid van de betrokken bepalingen niet de weg opent voor betwisting van een op grond van die bepalingen verrichte heffing of toekenning van monetair compenserende bedragen door de nationale autoriteiten.
Moratoire interessen (zevende vraag)
De zevende vraag luidt als volgt:
„Voor het geval van een bevestigend antwoord op een van de hiervoor geformuleerde vragen, met andere woorden, gesteld dat het aangezochte Tribunal ingevolge de gegeven antwoorden een — zelfs gedeeltelijke — terugbetaling van monetair compenserende bedragen zou moeten gelasten, dienen dan de moratoire interessen die eventueel — niet krachtens communautaire, maar krachtens nationale voorschriften — zouden kunnen worden toegekend, ten laste van de begroting van de Europese Gemeenschappen te worden gebracht door ze in mindering te brengen op de door Frankrijk voor rekening van de Gemeenschap geïnde bedragen?”
Uit het vorenoverwogene volgt dat deze vraag niet meer behoeft te worden beantwoord.
Kosten
De kosten door de regering van de Franse Republiek en door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de door het Tribunal d'Instance te Rijsel bij vonnis van 29 juni 1979 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1. Verordening nr. 652/76 van de Commissie van 24 maart 1976 is ongeldig voor zover daarbij de compenserende bedragen voor maïszetmeel zijn vastgesteld op een andere grondslag dan die van de interventieprijs van maïs, verminderd met de restitutie bij de produktie van zetmeel; voor zover daarbij de compenserende bedragen voor tarwezetmeel zijn vastgesteld op een andere grondslag dan die van de referentieprijs van tarwe, verminderd met de restitutie bij de produktie van zetmeel; voor zover daarbij de compenserende bedragen voor de verschillende, bij de verwerking van een bepaalde hoeveelheid van een zelfde basisprodukt, zoals maïs of tarwe, in een bepaalde produktieketen verkregen produkten, zijn vastgesteld op een aanzienlijk hoger niveau dan het compenserende bedrag voor die bepaalde hoeveelheid van het basisprodukt; voor zover daarbij compenserende bedragen voor aardappelzetmeel zijn vastgesteld die hoger zijn dan die voor maïszetmeel.
2. Deze ongeldigheid brengt de ongeldigheid mee van de bepalingen van de latere verordeningen van de Commissie houdende wijziging van de monetair compenserende bedragen voor de sub 1 bedoelde produkten.
3. Voor wat betreft het vóór de datum van dit arrest gelegen tijdvak, wordt door de erkenning van de ongeldigheid van bovenbedoelde bepalingen niet de weg geopend voor betwisting van een op grond van die bepalingen verrichte heffing of toekenning van monetair compenserende bedragen door de nationale autoriteiten.
4. Bij de vaststelling van de monetair compenserende bedragen voor op basis van maïs vervaardigde sorbitol met een mannitolgehalte van meer dan 2 %, was de Commissie niet gehouden dat produkt te onderwerpen aan een monetair compenserend bedrag gebaseerd op dat voor maïs.
5. Isoglucose, vervaardigd op basis van maïs, behoeft niet te worden onderworpen aan een monetair compenserend bedrag gebaseerd op dat voor maïs.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt
Aangehaalde teksten
10Rechtspraak
2Europese Unie
2Conclusie van advocaat-generaal Stix-HacklC-475/0314.03.2006
Verbod op heffing van andere nationale belastingen die karakter van omzetbelasting bezitten
Conclusie van advocaat-generaal JacobsC-475/0317.03.2005