ARREST
Ten aanzien van de feiten
De feiten, het procesverloop en de opmerkingen, gemaakt krachtens artikel 20 van het Protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie van de EEG kunnen worden samengevat als volgt:
I — Feiten en schriftelijke behandeling
Op 18 juli 1978 bood de naamloze vennootschap DAF, gevestigd te San Giorgio Piacentino, de naamloze vennootschap Chemial Farmaceutici, gevestigd te Turijn 20 hectoliter watervrije, ingevoerde en gedenatureerde synthetische alcohol van 90o te koop aan; in de vaste verkoopprijs van 30000 lire/hl watervrije alcohol was de bijzondere accijns van 6000 lire/hl watervrije alcohol begrepen, die bij wetsdecreet nr. 1200 van 6 oktober 1978 (Gazzetta Ufficiale nr. 233 van 6 oktober 1948), gewijzigd bij wetsbesluit nr. 836 van 16 september 1955 (Gazzetta Ufficiale nr. 214 van 17 september 1955) was ingevoerd voor gedenatureerde ethylalcohol.
De vennootschap Chemial Farmaceutici aanvaardde het aanbod op 27 juli 1978.
De levering moest per 15 september 1978 geschieden.
Voordien werd de bijzondere accijns evenwel, bij artikel 3 van wet nr. 506 van 18 augustus 1978 tot wijziging van de belastingregeling voor alcohol (Gazzetta Ufficiale nr. 247 van 4 september 1978), van 6000 op 12000 lire/hl watervrije alcohol gebracht.
DAF verlangde toen van Chemial Farmaceutici betaling van het prijsverschil dan wel ontbinding van het contract. Chemial Farmaceutici was evenwel noch tot het ene noch tot het andere bereid, waarna DAF de overeengekomen levering achterwege liet,
Op 19 januari dagvaardde Chemial Farmaceutici DAF voor de Pretura te CastelľArquato, teneinde te worden veroordeeld tot levering van de overeengekomen hoeveelheden watervrije synthetische alcohol tegen de overeengekomen prijs van 30000 lire/hl.
Bij beschikking van 6 september 1979 heeft de Pretore te CastelľArquato krachtens artikel 177 van het EEG-Verdrag het geding geschorst totdat het Hof van Justitie bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak zou hebben gedaan inzake de volgende vragen:
1. Is artikel 95, eerste alinea, van het Verdrag van Rome, in die zin te verstaan dat een nationaal belastingstelsel als ongeoorloofd en mitsdien verboden is te beschouwen wanneer het medebrengt dat van een uit de EEG ingevoerd produkt (synthetische ethylalcohol, uitsluitend bestemd om na denaturering voor chemisch-industriële doeleinden te worden gebruikt en derhalve niet voor menselijke voeding bestemd) een speciale belasting wordt geheven die veel hoger is dan de belasting toegepast op een nationaal produkt met dezelfde eigenschappen, dat onder hetzelfde nummer van het douanetarief (22.08/300) valt (door gisting verkregen ethylalcohol, eveneens bestemd om na denaturering voor chemisch-industriële doeleinden te worden gebruikt en niet bestemd voor menselijke voeding), en wel zulks alleen omdat beide soorten alcohol uit een andere grondstof — en derhalve volgens een verschillende methode — worden verkregen? Is er van onrechtmatigheid als in voorgaande vraag bedoeld, ook sprake wanneer het nationale belastingstelsel, theoretisch gezien, niet discrimineert naar gelang van de grondstof waaruit een en hetzelfde produkt wordt verkregen, wanneer ingevoerde synthetische ethylalcohol of synthetische ethylalcohol uit de nationale produktie gelijkelijk worden belast c.q. ingevoerde en in het land zelf geproduceerde, door gisting verkregen ethylalcohol dezelfde belasting hebben te dragen?
2. Zo neen, is dan artikel 95, tweede alinea, van het Verdrag van Rome in die zin te verstaan dat een nationaal belastingsysteem als in vraag 1 bedoeld, op de in die vraag genoemde produkten toegepast, als ongeoorloofd en verboden, immers bescherming van de nationale produktie ten nadele van die van de Gemeenschap inhoudende, is te beschouwen wanneer het produkt dat het zwaarst belast wordt (synthetische ethylalcohol) uitsluitend uit de andere Lid-Staten van de EEG wordt geïmporteerd, terwijl het produkt dat het minst belast wordt (door gisting verkregen ethylalcohol) in Italië wordt geproduceerd en met eerstbedoeld produkt concurreert?
De beschikking van de pretore te Ca-stell'Arquato is op 10 september 1979 ter griffie van het Hof ingeschreven.
Overeenkomstig artikel 20 van het Protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie van de EEG zijn op 14 november 1979 onderscheidenlijk 7 december 1979 schriftelijke opmerkingen ingediend door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur A. Abate en door de vennootschap Chemial Farmaceutici, verzoeker in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door G. M. Ubertazzi en F. Capelli, advocaten te Milaan.
Op rapport van de rechterrapporteur en gehoord de advocaat-generaal, heeft het Hof besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.
II — Bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen
De vennootschap Chemial Farmaceutici, verzoekster in het hoofdgeding, meent dat de fiscale discriminatie die de inzet ven het hoofdgeding vormt, slechts een voorbeeld te meer is van een terdege gevestigd protectionistisch stelsel, bedoeld om langs indirecte weg het nationale produkt te bevoordelen door de invoer van een identiek of gelijksoortig produkt uit andere Lid-Staten duurder te maken.
Enkele feitelijke aspecten
a) Naar Italiaans recht moet synthetische alcohol, gewonnen uit delfstoffen en wel hoofdzakelijk uit aardolie, worden gedenatureerd en mag zulke ethylalcohol alleen voor chemische en industriële doeleinden worden gebruikt. Het is echter chemisch hoegenaamd niet mogelijk te onderscheiden tussen synthetische en gistingsalcohol. Gistingsalcohol is normaliter voor consumptie bestemd, hetgeen met name geldt voor alcohol van de tweede categorie, die hoofdzakelijk door het distilleren van wijn, druivenmoer en vruchtenmoer wordt verkregen; gistingsalcohol van de eerste categorie, gewonnen uit melasse van riet- en bietsuiker, kan voor consumptie worden gebruikt, maar ook — voor industrieel en chemisch gebruik — worden gedenatureerd.
b) Alle gistings- en synthetische alcohol die voor industrieel en chemisch gebruik bestemd is, is van de belasting op de vervaardiging dier produkten en van de normale accijns op consumptiealcohol vrijgesteld. In de Italiaanse regeling heeft men, ter voorkoming van fraude, alcohol die voor industriële of chemische doeleinden bestemd is, onder controle van het „Ufficio Tecnico Imposte di Fabbricazione” gesteld. In artikel 4, tweede alinea, van wetsbesluit nr. 836 van 16 september 1955 heeft men de bijzondere accijns op gedenatureerde alcohol, die aanvankelijk bij wetsbesluit nr. 1200 van 6 oktober 1948 op 1000 lire per hectoliter zuivere alcohol gesteld was, op 6000 liter gebracht, maar voor gedenatureerde alcohol, verkregen uit melasse en dergelijke produkten, op 1000 lire gelaten. Bij wet nr. 566 van 18 augustus 1978 bracht men de bijzondere accijns van 6000 op 12000 lire per hectoliter zuivere alcohol. Gedenatureerde synthetische alcohol is dus zwaarder belast dan gedenatureerde gistingsalcohol; synthetische alcohol wordt echter in Italië niet geproduceerd.
De eerste vraag
a) Gedenatureerde ethylalcohol, gewonnen uit minerale produkten (koolwaterstoffen), en gedenatureerde ethylalcohol, uit landbouwprodukten verkregen, vertonen dezelfde chemische eigenschappen. Het enig verschil is gelegen in de mate van radioactiviteit, die bij laatstgenoemd produkt hoger ligt. Chemisch en juridisch zou ethylalcohol van agrarische oorsprong dus niet alleen soortgelijk zíjn aan, maar volkomen gelijk zijn te stellen met alcohol van minerale oorsprong.
b) Vanwege deze gelijkheid zouden beide categorieën produkten één enkele soort of groep vormen. Zij zijn ook in één enkele onderverdeling van het gemeenschappelijk douanetarief — 22.08 B — te vinden: „ethylalcohol, niet gedenatureerd, met een sterkte van 80 graden of meer”.
c) In de Italiaanse wettelijke regeling wordt een ondergroep, die van de uit koolwaterstoffen gewonnen ethylalcohol, enkel en alleen in het belang van een protectionistisch beleid dat met de gemeenschappelijke markt niet te rijmen valt, geïsoleerd. Die protectionistische bedoeling blijkt uit het feit dat Italië een bloeiende industriële vervaardiging kent van uit landbouwprodukten gewonnen alcoholsoorten en geen industriële produktie van uit koolwaterstoffen gewonnen alcoholsoorten en met name ook uit het het feit dat wetsbesluit nr. 836 van 16 september 1955 de belastingvrijstelling afhankelijk stelt van de voorwaarde dat de denaturatie wordt geverifieerd door de agenten van de belastingdienst, die uiteraard alleen in Italië kunnen optreden. Het differentiëren naar gebezigde grondstoffen schijnt de eerst nodige handeling te zijn om te komen tot een resultaat dat als het doen voorgaan van bepaalde nationale belangen bij andere, communautaire belangen, is te beschouwen.
d) Het Hof heeft in zijn jurisprudentie heel duidelijke overwegingen gewijd aan de doelstellingen van artikel 95 van het Verdrag: de bepaling is bedoeld om alle fiscale belemeringen van het vrije verkeer van waren binnen de gemeenschappelijke markt uit de weg te ruimen, ervoor te zorgen dat de binnenlandse belastingen van een Lid-Staat niet zwaarder komen te drukken op produkten uit andere Lid-Staten dan op soortgelijke nationale produkten — c.q. zwaarder dan belastingen waardoor andere nationale produkten worden beschermd —. Als het gemeenschapsrecht naar de tegenwoordige stand van zijn ontwikkeling de Lid-Staten niet verbiedt fiscale voordelen toe te kennen, dan moeten zulke begunstigingsregelingen volgens artikel 95 ook gelden voor produkten van oorsprong uit andere Lid-Staten.
e) Als het erom gaat de betekenis en draagwijdte vast te stellen van de in artikel 95 gebezigde term „gelijksoortige produkten”, dan dient volgens 's Hofs jurisprudentie te worden nagegaan of twee produkten in hetzelfde stadium van verhandeling de consument hetzelfde bieden en in dezelfde behoefte voorzien. Bij die gelijksoortigheid gaat het er dus alleen om dat de eigenschappen van het produkt op zichzelf, andere factoren buiten beschouwing gelaten, dezelfde zijn, en daarbij geven niet zozeer aspecten als het fabricageprocédé en de gebruikte grondstoffen de doorslag als wel de vraag of het dezelfde verbruikshoedanigheden bezit.
f) In artikel 95 wordt een regel gesteld welke de verboden van artikel 9 e.v. aanvult. De eenheid der markt geeft daarbij de doorslag; een produkt van oorsprong uit het buitenland mag niet zwaarder worden belast dan een gelijksoortig nationaal produkt. Het verbod van artikel 95 houdt in dat het gemeenschapsrechtelijk niet door de beugel kan wanneer door distillatie van koolwaterstoffen verkregen ethylalcohol zwaarder wordt belast dan een produkt van agrarische oorsprong zoals in Italië pleegt te worden gefabriceerd.
g) Artikel 95 en het in artikel 30 omschreven verbod van kwantitatieve beperkingen zijn functioneel en inhoudelijk met elkander verweven. Het restrictief effect van de gewraakte nationale regeling op het vrije verkeer van goederen is door de Italiaanse wetgever stilzwijgend erkend: wet nr. 249 van 10 mei 1976 is bedoeld om bepaalde belemmeringen, thans door de invoer uit andere Lid-Staten ondervonden, uit de weg te ruimen, maar het uitvoeringsbesluit is nog niet vastgesteld en de wet heeft in ieder geval alleen betrekking op alcohol vervaardigd uit landbouwprodukten.
De tweede vraag
a) Alleen artikel 95, eerste alinea, kan in het bodemgeschil toepassing vinden, immers het gaat om categorieën van uit verbruikersoogpunt gelijkwaardige en wezenlijk identieke produkten
b) In ieder geval bedenke men dat de tweede alinea van het artikel bedoeld is om te voorkomen dat de Lid-Staten door fiscale maatregelen nationale produkten kunnen begunstigen op kosten van niet gelijksoortige, doch alleen maar concurrerende produkten uit andere Lid-Staten. A fortiori heeft dit te gelden in het bodemgeschil, dat produkten betreft die niet slechts vergelijkbaar of soortgelijk, maar identiek zijn. De Commissie heeft in hoofdzaak het volgende betoogd.
De feitelijke aspecten
a) De Commissie herinnert eraan dat zuivere ethylalcohol door distillatie van bodemprodukten (granen, wijn, druivenmoer, vruchten, aardappelen, suikerriet, suikerbieten, melasse van suikerriet of suikerbieten, hout enz.) dan wel door synthese van delfstoffen e.d. (aardolie of steenkool) wordt verkregen. Ondanks deze tweeledige, agrarische dan wel minerale oorsprong, zijn deze verschillende alcoholsoorten, chemisch gezien, identiek (C2 H5 OH); aan het eindprodukt kan de oorsprong slechts met behulp van hachelijke en gecompliceerde chemische analyses, uitgaande van de mate van radioactiviteit, worden afgelezen. Vertonen beide produkten na distillatie of synthese dus dezelfde zuiverheidsgraad, dan kunnen de verschillende soorten ethylalcohol ook voor elkander in de plaats treden en zonder onderscheid voor alle doeleinden worden gebruikt. Ethylalcohol wordt vooral gebruikt voor menselijke consumptie (alcoholhoudende dranken, voedings- en farmaceutische preparaten) en voor industrieel verbruik (vernissen, emails, oplosmiddelen, cosmetische en parfumerieartikelen, essences, plastisch materiaal, enz.). Om puur economische redenen is in twee Lid-Staten, waaronder Italië, bij de wet het gebruik van synthetische ethylalcohol in voor menselijke consumptie bestemde preparaten verboden. Uit een en ander blijkt wel dat synthetische alcohol en agrarische alcohol, in aanmerking genomen de behoeften waarin door deze produkten moet worden voorzien, niet slechts op elkander gelijken, doch werkelijk identiek zijn. Beide soorten alcohol zijn dan ook in dezelfde onderverdeling (22.08 A) van het douanetarief ondergebracht.
b) Gedenatureerde alcohol is niets anders dan ethylalcohol, die door een denaturerend produkt is gecorrigeerd in die zin dat de smaak ervan is gewijzigd en wordt voorkomen dat men het produkt voor menselijke voeding gebruikt. De denaturering geschiedt in hoofdzaak om fiscale redenen: voor gedenatureerde alcohol die voor de industrie bestemd is, gelden de belastingen op alcohol bestemd voor menselijke consumptie, niet. Tussen de onderscheiden soorten gedenatureerde alcohol bestaat, evenals tussen de onderscheiden soorten pure alcohol waaruit zij worden verkregen, niet slechts gelijkenis, maar identiteit. Zij zijn in dezelfde onderverdeling (22.08 A: gedenatureerde ethylalcohol, ongeacht de sterkte) van het douanetarief ondergebracht.
c) Gedenatureerde alcohol valt volgens de Italiaanse fiscale regeling noch onder de op fabricage van het produkt geheven belasting noch onder de normale accijns; wel wordt er een bijzondere accijns geheven, te weten Lit. 1000/hl watervrije alcohol, wanneer de alcohol uit melasse of soortgelijke stoffen, uit sorgho en uit suikerriet wordt gewonnen, en lire 12000/hl als het gaat om andere, onder meer synthetische, alcohol. Deze gedifferentieerde fiscale behandeling zou haar verklaring vinden in het feit dat alle in Italië verbruikte gedenatureerde ethylalcohol (655038 hl watervrije alcohol in 1977) van in het land zelf gefabriceerde alcohol afkomstig is, en wel goeddeels van melasse van suikerbieten; synthetische alcohol wordt evenwel in Italië niet vervaardigd en van de ingevoerde partijen wordt het volledige tarief van lire 12000/hl geheven. In werkelijkheid zijn de importen van synthetische alcohol zeer beperkt: de fiscale last is ruimschoots voldoende om het belang der importeurs te neutraliseren en de in het land zelf gefabriceerde alcohol aan een gepriviligieerde concurrentiepostie te helpen. Het lagere percentage van de bijzondere accijns begunstigt rechtstreeks de Italiaanse produktie van gedenatureerde ethylalcohol, afkomstig uit alcohol getrokken uit melasse van suikerbieten en indirect de Italiaanse produktie van suikerbieten en melasse van suikerbieten.
d) De Commissie heeft de Italiaanse Republiek op 31 juli 1978 een met redenen omkleed advies als bedoeld in artikel 169 van het EEG-Verdrag doen toekomen, waarin de Italiaanse regering werd uitgenodigd om binnen twee maanden de bepalingen betreffende de bijzondere accijns zodanig te wijzigen dat de strijd met artikel 95 van het Verdrag werd opgeheven. Toen aan dit met redenen omklede advies geen gevolg werd gegeven, was de Commissie voornemens zich op korte termijn tot het Hof van Justitie te wenden. In haar met redenen omkleed advies had de Commissie verklaard dat er haars inziens, voor een juiste toepassing van artikel 95, geen acht behoefde te worden geslagen op factoren betrekking hebbende op de grondstoffen die bij de vervaardiging van de verschillende soorten gedenatureerde ethylalcohol waren gebruikt dan wel op het fabricageprocédé. Dit standpunt zou met 's Hofs jurisprudentie in overeenstemming zijn. Voorts mocht er haars inziens in casu, ter rechtvaardiging van het feit dat er alleen voor gedenatureerde alcohol van suikerbietenmelasse een verlaagd tarief geldt, niet met economische of sociale argumenten worden gewerkt: zij vermogen de niet-inachtneming van artikel 95 niet te rechtvaardigen en het nemen van eventuele steunmaatregelen ten behoeve van de produktie van suikerbieten of melasse van suikerbieten zou thans, nu er bij verordening nr. 3330/74 van de Raad van 19 december 1974 (PB L 349, biz. 1) een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector suiker is gekomen, uitsluitend op de weg liggen van de instellingen van de Gemeenschap.
De juridische aspecten
a) De belastingregeling waartoe de omstreden bijzondere accijns behoort, zou met artikel 95, eerste alinea, van het Verdrag alleen verenigbaar zijn te achten wanneer het gunstiger percentage van 1000 lire per hectoliter watervrije alcohol zou worden toegepast op identieke of gelijksoortige produkten, in Italië uit de andere Lid-Staten ingevoerd, daaronder begrepen gedenatureerde synthetische ethylalcohol.
b) De beide aan het Hof gestelde vragen zouden als volgt moeten worden beantwoord : Artikel 95, eerste alinea, van het Verdrag verlangt voor het geval dat een nationale fiscale regeling met behulp van vrijstellingen of toepassing van een lager tarief, de produktie begunstigt van bepaalde soorten gedenatureerde ethylalcohol, bijvoorbeeld die van gedenatureerde ethylalcohol getrokken van alcohol van melasse, dat die voordelen, zelfs indien ter verwezenlijking van rechtmatige sociaal-economische, doelstellingen toegekend, ook gelden voor soortgelijke gedenatureerde ethylalcohol, bijvoorbeeld gedenatureerde ethylalcohol getrokken uit synthetische alcohol ingevoerd uit andere Lid-Staten, en wel zulks ongeacht de gebruikte grondstoffen en de procédés, gebruikt ter vervaardiging van de verschillende soorten gedenatureerde ethylalcohol.
c) Beantwoording van de beide eerste vragen in de voorgestelde zin zou medebrengen dat de derde vraag zonder voorwerp raakt.
III — Mondelinge behandeling
Ter terechtzitting van 13 maart 1980 zijn mondelinge opmerkingen gemaakt en door het Hof gestelde vragen beantwoord door de vennootschap Chemial Farmaceutici, verzoekster in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door G. M. Ubertazzi en F. Capelli, de regering van de Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door M. Conti, en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door A. Abate.
De regering van de Italiaanse Republiek heeft er met betrekking tot de feiten op gewezen dat er in Italië thans weliswaar vrijwel geen synthetische alcohol wordt geproduceerd, maar dat het op gang komen van zulk een produktie niet op hinderpalen van natuurlijke of fysische aard of op moeilijkheden samenhangende met de industriële structuur, behoeft af te stuiten; de thans bestaande situatie zou de consequentie zijn van een rechtmatige economische beleidskeuze, ter verwezenlijking waarvan gebruik gemaakt is van fiscale middelen. In het Italiaanse belastingsysteem voor gedenatureerde alcohol zou synthetische alcohol geen zelfstandige categorie vormen; de accijns van 12000 lire per hectoliter watervrije alcohol zou niet alleen voor synthetische alcohol gelden maar ook voor de meeste andere gedenatureerde alcohol. Voorts zou uit het feit dat Chemial Farmaceutici zich door DAF geen gistingsalcohol (ethylalcohol van agrarische oorsprong) heeft willen laten leveren en de levering van synthetische alcohol heeft verlangd, blijken dat deze beide produkten noch identiek noch gelijksoortig zijn; het zou eveneens blijken uit de fictieve aard van het geschil waarvan de pretore te CastelI'Arquato heeft kennis te nemen.
In verband met artikel 95 zou moeten worden vastgesteld dat synthetische alcohol, met alcohol van agrarische oorsprong vergeleken, belangrijke objectieve verschillen vertoont, hetgeen met name zou gelden voor de produktievoorwaarden en de prijsstructuren. Blijkens het arrest, door het Hof op 17 februari 1980 gewezen in de zaak 170/78 (Commissie t. Verenigd Koninkrijk) zou het in zulk een situatie erg moeilijk zijn de twee soorten produkten fiscaal aan elkaar te correleren.
In ieder geval zou de fiscale situatie die in het bodemgeschil aan de orde is, zich zeer wel verdragen met artikel 95, zoals het door het Hof van Justitie wordt uitgelegd; het Hof zou met name hebben uitgesproken dat een ongelijke belasting — in nationale belastingwetten — van produkten die voor dezelfde economische doeleinden kunnen worden gebruikt, in het Verdrag niet wordt verboden, zolang zulk een belasting geen discriminatie of bescherming inhoudt. Waar artikel 95 de belastingautonomie der Lid-Staten niet inperkt, zouden zij een bijzondere fiscale behandeling in uitzicht mogen stellen aan produkten die als identiek of gelijksoortig zijn te beschouwen, om het even of het om een reeds bestaande dan wel om een potentiële produktie gaat; in zulke gevallen bedienen de Staten zich van een wettig economisch beleidsmiddel dat, bijvoorbeel om marktcondities te scheppen die een bepaald werkgelegenheidsniveau garanderen of de landbouwbevolking voor bepaalde grondstoffen een redelijk inkomen verzekeren, tussen nationale produkties differentieert.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 29 april 1980 zijn conclusie genomen.
IV — Instructiemaatregelen
Met name door de beschouwingen van de advocaat-generaal is bij het Hof twijfel gerezen met betrekking tot de ontvankelijkheid van de vragen, door de pretore te Castell'Arquato gesteld. Derhalve heeft het, met toepassing van artikel 60 van het Reglement voor de procesvoering, partijen in het hoofdgeding, de regering van de Italiaanse Republiek en de Commissie uitgenodigd een aantal vragen te beantwoorden, vragen waarin het er met name om ging of een op 18 april 1980 door de vennootschap Chemial Farmaceutici overgelegd deskundigenbericht ter zake dienende is, en die voorts betroffen: Chemial Farmaceutici's werkzaamheid op het gebied der parfumerieprodukten, de bestemming van de partij alcohol welke zij bij DAF besteld had, het gebruik van gedenatureerde alcohol door toevoeging van een „substance dénaturante générale de l'Etat” en méthanol, terwijl het Hof bovendien wenste te weten of het, gezien de Italiaanse jurisdictieregels, aan Chemial Farmaceutici mogelijk zou zijn bij de Staat of de belastingdienst een bezwaarschrift in te dienen, teneinde te bereiken dat de rechtmatigheid van een belasting, door de producent of de importeur aan de staat betaald, wordt onderzocht c. q. terugbetaling van die belasting te verkrijgen. Aan die uitnodiging is binnen de door het Hof gestelde termijn gevolg gegeven.
In rechte
De pretore te Castell'Arquato heeft bij op 10 september 1979 ingekomen beschikking van 6 september 1979 het Hof twee vragen gesteld, de uitlegging van artikel 95 van het EEG-Verdrag betreffende, welke uitlegging genoemde rechter in staat moet stellen de verenigbaarheid met het Verdrag te beoordelen van de gedifferentieerde belastingregeling welke, krachts wetsbesluit nr. 1200 van 6 oktober 1948, zoals gewijzigd bij wetsbesluit nr. 836 van 16 september 1955, en artikel 3 van wet nr. 506 van 18 augustus 1978, wordt toegepast op gedenatureerde synthetische ethylalcohol en door gisting verkregen, gedenatureerde ethylalcohol.
Deze vragen zijn gerezen in een burgerlijk geding betreffende de uitvoering van een overeenkomst, op 18/27 juli 1978 gesloten tussen verzoekster in het hoofdgeding, de naamloze vennootschap Chemial Farmaceutici, en een fabrikantimporteur van alcohol, de naamloze vennootschap DAF, betreffende de levering van een partij gedenatureerde synthetische importalcohol.
Blijkens het dossier heeft de vennootschap Chemial in de maand juli 1978 bij DAF een beperkte hoeveelheid gedenatureerde synthetische alcohol besteld. De vennootschap DAF heeft er de aandacht van Chemial op gevestigd dat op synthetische alcohol een bijzondere accijns van 6000 lire/hl werd geheven, terwijl door haar zelf geproduceerde gistingsalcohol, die de bestelde synthetische alcohol volledig kon vervangen, slechts met 1000 lire/hl belast was. De firma Chemial deed haar bestelling evenwel gestand, aangezien zij om redenen van technische aard synthetische alcohol nodig had, waarna de vennootschap DAF haar bij brief van 18 juli 1978 de verlangde waar aanbood voor een „prijs van 30000 lire/hl, de bijzonder accijns (6000/hl) daarin begrepen.” Chemial aanvaardde dit aanbod bij brief van 27 juli 1978, waarin zij gewaagde van een „prijs van 30000 lire/hl bijzondere accijns inbegrepen.” Volgens het contract moest de waar voor 15 september 1978 worden afgenomen.
Vaststaat dat de accijns op gedenatureerde synthetische alcohol krachtens de wet van 18 augustus 1978 is komen te liggen op 12000 lire/hl. Bij brief van 7 september 1978 stelde de vennootschap DAF Chemial hiervan in kennis, met verzoek het aanbod d.d. 18 juli 1978 als geannuleerd te beschouwen, tenzij zij het aanvullend belastingbedrag voor haar rekening mocht willen nemen. Toen de vennootschap Chemial uitvoering van de oorspronkelijke overeenkomst verlangde — onder opmerking dat de belastingverhoging, waar het in casu ging om ingevoerde synthetische alcohol, haars inziens onrechtmatig was, immers in strijd met de voorschriften van de Europese Gemeenschap — heeft zij voor de bevoegde burgerlijke rechter een proces aangespannen, waarin zij uitvoering van de overeenkomst verlangde.
Voor de nationale rechter heeft de vennootschap Chemial betoogd waarom zij de omstreden belasting met het EEG-Verdrag in strijd acht; met name heeft zij gewezen op het arrest, door het Hof op 10 oktober 1978 gewezen in de zaak 148/77, Hansen & Balle (Jurispr. 1978, biz. 1787). De vennootschap DAF heeft te harer verdediging aangevoerd dat, waar de belasting in het contract met zoveel woorden ten laste van de koper was gelaten, de ko- per ook, als bedongen, voor iedere verhoging tussen de afsluiting en de uitvoering van het contract had op te komen. Met betrekking tot de gestelde onrechtmatigheid van de omstreden belastingheffing heeft de vennootschap DAF erop gewezen dat het op Chemials weg ligt onrechtmatigheid bij de bevoegde autoriteiten in te roepen — met vordering dat die belasting hem zal worden terugbetaald.
Na te hebben vastgesteld dat de Italiaanse belastingwetgever differentieert tussen synthetische alcohol, een produkt dat in Italië vrijwel niet wordt geproduceerd, en gistingsalcohol, heeft de pretore overwogen dat een prealabele oplossing van de vraag naar de verenigbaarheid dier wet met de bepalingen van het EEG-Verdrag voor de beslissing van het aan hem voorgelegde geschil van doorslaggevende betekenis kan zijn en aan het Hof van Justitie de twee navolgende prejudiciële vragen gesteld:
1. A.Is artikel 95, eerste alinea, van het Verdrag van Rome, in die zin te verstaan dat een nationaal belastingstelsel als ongeoorloofd en mitsdien verboden is te beschouwen wanneer het medebrengt dat van een uit de EEG ingevoerd produkt (synthetische ehtylalcohol, uitsluitend bestemd om na denaturering voor chemisch-industriële doeleinden te worden gebruikt en derhalve niet voor menselijke voeding bestemd) een speciale belasting wordt geheven die veel hoger is dan de belasting toegepast op een nationaal produkt met dezelfde eigenschappen, dat onder hetzelfde nummer van het douanetarief (22.08/300) valt (door gisting verkregen ethylalcohol, eveneens bestemd om na denaturering voor chemisch-industriële doeleinden te worden gebruikt en niet bestemd voor menselijke voeding), en wel zulks alleen omdat beide soorten alcohol uit een andere grondstof — en derhalve volgens een verschillende methode — worden verkregen?
B.Is er van onrechtmatigheid als in voorgaande vraag bedoeld, ook sprake wanneer het nationale belastingstelsel, theoretisch gezien, niet discrimineert naar gelang van de grondstof waaruit een en hetzelfde produkt wordt verkregen, wanneer ingevoerde synthetische ethylalcohol of synthetische ethylalcohol uit de nationale produktie gelijkelijk worden belast c.q. ingevoerde en in het land zelf geproduceerde, door gisting verkregen ehtylalcohol dezelfde belasting hebben te dragen?
2.Zo neen, is dan artikel 95, tweede alinea, van het Verdrag van Rome in die zin te verstaan dat een nationaal belastingsysteem als in vraag 1 bedoeld, op de in die vraag genoemde produkten toegepast, als ongeoorloofd en verboden, immers bescherming van de nationale produktie ten nadele van de van de Gemeenschap inhoudende, is te beschouwen wanneer het produkt dat het zwaarst belast wordt (sythetische ehtylalcohol) uitsluitend uit de andere Lid-Staten van de EEG wordt geïmporteerd, terwijl het produkt dat het minst belast wordt (door gisting verkregen ethylalcohol) in Italië wordt geproduceerd en met eerstbedoeld produkt concurreert?
's Hofs bevoegdheid
De Italiaanse regering heeft in haar mondelinge opmerkingen de toelaatbaarheid van de prejudiciële vragen van de pretore te Castell'Arquato in twijfel getrokken. Hij vraagt zich af of het voor de nationale rechter aangespannen geding geen fictief karakter draagt, of er in casu van de procedure van artikel 177 geen gebruik wordt gemaakt om, zonder dat er sprake is van een werkelijk geding waarin tussen partijen vragen van gemeenschapsrecht zijn gerezen, de Italiaanse staat in rechte te betrekken en of de onderhavige situatie niet moet worden gelijkgesteld met die welke zich heeft voorgedaan in zaak 104/69 (Foglia en Novello), waarin het Hof zich op 11 maart 1980 onbevoegd verklaarde over de vragen van de nationale rechter uitspraak te doen.
Gebruik makend van de hem in artikel 60 van het Reglement voor de procesvoering verleende bevoegdheid, heeft het Hof bij brief van 28 mei 1980 de wens uitgesproken te dezen nader te worden voorgelicht en, alvorens te beslissen, partijen verzocht een aantal vragen te beantwoorden.
Kennis genomen hebbende van de op zijn vragen gegeven antwoorden, meent het Hof evenwel, zonder in te gaan op de punten van twijfel die door de Italiaanse regering werden voorgedragen, aanstonds te kunnen overgaan tot behandeling van de zaak ten principale.
Ten principale
Verzoekster in het hoofdgeding betoogt dat in het ongelijk belasten van enerzijds gistingsalcohol, anderzijds synthetische alcohol, produkt dat in Italië in het geheel niet wordt aangemaakt en derhalve uitsluitend wordt geïmporteerd, ten duidelijkste een door artikel 95 van het Verdrag verboden fiscale discriminatie besloten zou liggen: bedoelde produkten zouden niet alleen gelijksoortig zijn in de zin van dit artikel, doch in werkelijkheid identiek en voor de verbruiker gelijkwaardig zijn, zodat zij elkander zonder bezwaar kunnen substitueren. Fiscale differentiatie zou in de Italiaanse wet alleen zijn vastgelegd teneinde een met de gemeenschappelijke markt onverenigbaar protectionistisch beleid te kunnen voeren. Zij herinnert in dit verband aan de maatstaf, door het Hof gehanteerd in het arrest, op 17 februari 1976 gewezen in de zaak 45/75, Rewe-Zentrale (Jurispr. blz. 181), waarin het heeft uitgesproken dat de vergelijking, in artikel 95 bedoeld, betrekking dient te hebben op „produkten die — in hetzelfde stadium van produktie of verhandeling — uit verbruikersoogpunt soortgelijke eigenschappen vertonen en aan dezelfde behoeften voldoen.”
De Commissie is het hiermede in beginsel eens: ondanks de tweeledige oorsprong der beide betrokken produkten — de voornamelijk uit aardolie gewonnen synthetische alcohol en gistingsalcohol, door distilleren van bodemprodukten (granen, wijn, vruchten, aardappelen, suikerbieten, melasse) verkregen — zou men hier te doen hebben met twee chemisch identieke produkten, die elkander, wat de gebruiksmogelijkheden betreft, volkomen kunnen substitueren. De twee produkten zouden niet slechts gelijkenis met elkander vertonen, doch in aanmerking genomen de behoeften waarin zij moeten voorzien, werkelijk identiek zijn. Zij zouden ook onder dezelfde onderverdeling — 22.08 A — van het douanetarief vallen: „gedenatureerde ethylalcohol, ongeacht de sterkte.” Dat de Italiaanse wet voor gedenatureerde synthetische alcohol enerzijds en voor gedenatureerde gistingsalcohol anderzijds een verschillend belastingpercentage voorziet, zou er, nu Italië geen synthetische alcohol produceert, toe leiden dat de invoer van dit produkt uit andere Lid-Staten praktisch onmogelijk wordt, met rechtstreekse begunstiging van de nationale produktie van gistingsalcohol. De Commissie is dan ook van mening dat voor gedenatureerde synthetische alcohol, als een met gedenatureerde gistingsalcohol gelijk te stelen produkt, bij invoer uit andere Lid-Staten hetzelfde belastingpercentage behoort te gelden.
De Italiaanse regering heeft eraan herinnerd dat het Hof in een aantal arresten aan de Lid-Staten, zelfs voor identieke produkten, de mogelijkheid heeft ingeruimd om bij de belastingheffing te differentiëren volgens objectieve criteria, zoals de produktieomstandigheden en de gebezigde grondstoffen (arrest, op 22 juni 1976 gewezen in de zaak 127/75, Bobie, Jurispr. blz. 1079; arrest op 10 oktober 1978 gewezen in de zaak 148/77, Hansen, Jurispr. blz. 1787; arrest, op 8 januari 1980 gewezen in de zaak 21/79, Commissie t. Italië, Jurispr. blz. 8). Het Hof zou zulke regelingen met het Verdrag verenigbaar achten, wanneer er met objectieve factoren wordt gewerkt en er geen discriminatie of protectie in besloten ligt.
Het litigieuze stelsel zou evenwel aan deze eisen voldoen. Dat er bij de belasting van synthetische en gistingsalcohol in Italië wordt gedifferentieerd, zou moeten worden toegeschreven aan een economische beleidskeuze, daarin gelegen dat men de produktie van uit landbouwprodukten gewonnen alcohol zou willen begunstigen en, naar evenredigheid, de verwerking van alcohol, gewonnen uit ethyleen, een derivaat van aardolie, zou hebben willen afremmen, teneinde bedoelde grondstof voor andere, in economisch opzicht prioritaire gebruiksmogelijkheden te reserveren: rechtmatige economische beleidskeuze, langs fiscale weg verwezenlijkt. De uitvoering van dit beleid zou niet tot discriminatie leiden: gaat zij de invoer van synthethische alcohol in Italië tegen, tevens belet zij dat er een, technisch alleszins mogelijke, produktie van alcohol op basis van ethyleen tot ontwikkeling komt.
Zoals het Hof, onder meer in de door de Italiaanse regering genoemde arresten, meermalen heeft overwogen, staat het gemeenschapsrecht in de huidige stand zijner ontwikkeling niet in de weg aan de vrijheid der onderscheiden Lid-Staten om met behulp van objectieve criteria, zoals de aard van de grondstoffen of de toegepaste produktieprocédés, voor bepaalde produkten een systeem van gedifferentieerde belastingen vast te stellen. Zulke differentiaties verdragen zich met het gemeenschapsrecht, wanneer zij gericht zijn op de verwezenlijking van economische beleidsoogmerken die, op hun beurt, met de in het Verdrag en in het afgeleide recht gestelde eisen verenigbaar zijn een wanneer in de uitvoeringsbepalingen alle mogelijke, rechtstreekse of indirecte, discriminatie jegens importen uit derde landen en/of iedere vorm van bescherming van concurrerende nationale produkten, wordt vermeden.
Een gedifferentieerde belasting van gedenatureerde synthetische alcohol enerzijds, gedenatureerde gistingsalcohol anderzijds, zoals die in Italië bestaat, voldoet aan genoemde eisen. Met deze belastingregeling blijkt een rechtmatig industrieel beleidsdoel te worden nagestreefd in die zin dat zij het distilleren van landbouwprodukten, vergeleken met de vervaardiging van alcohol op grondslag van aardoliederivaten, begunstigt. Van strijd tussen zulk een beleidskeuze en de regelen van het gemeenschapsrecht of de eisen van een in communautair kader vastgesteld beleid, is geen sprake.
In de uitvoeringsbepalingen der voor de nationale rechter aangevochten regeling is geen discriminatie besloten te achten, wanneer enerzijds voor de invoer van gistingsalcohol uit andere Lid-Staten dezelfde fiscale behandeling is weggelegd als voor Italiaanse gistingsalcohol, en anderzijds het voor synthetische alcohol voorziene belastingpercentage de invoer van dit produkt uit andere Lid-Staten afremt, doch op het nationale grondgebied een vergelijkbaar economisch effect sorteert, immers een rendabele produktie van hetzelfde produkt door de Italiaanse industrie niet van de grond Iaat komen.
De vragen van de nationale rechter dienen derhalve in die zin te worden beantwoord dat een belastingsysteem niet met artikel 95, eerste alinea, van het EEG-Verdrag in strijd komt, wanneer het medebrengt dat de gebruikte grondstof en de ter vervaardiging van elk van beide produkten toegepaste procédés in aanmerking genomen, gedenatureerde synthetische alcohol zwaarder wordt belast dan gedenatureerde gistingsalcohol, zolang bedoelde bepalingen op elk van beide categorieën van alcohol, indien van oorsprong uit andere Lid-Staten, gelijkelijk worden toegepast.
De toepassing van zulk een belastingstelsel kan niet op de enkele grond dat zij in feite leidt tot een zwaardere belasting van het produkt dat uitsluitend uit de andere Lid-Staten van de Gemeenschap wordt ingevoerd, worden geacht een indirecte bescherming van de nationale produktie van gistingsalcohol — in de zin van artikel 95, tweede alinea, van het EEG-Verdrag — in te houden, wanneer door de belasting van synthetische alcohol op het nationale grondgebied een rendabele produktie van die soort alcohol niet tot ontwikkeling heeft kunnen komen.
De kosten
De kosten, door de regering van de Italiaanse Republiek en door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, komen niet voor vergoeding in aanmerking. Waar de procedure ten aanzien van partijen in het hoofdgeding als een aldaar gerezen incident is te beschouwen, staat het aan de nationale rechter over de kosten te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de vragen door de pretore te Castell'Arquato bij beschikking van 6 september 1979 gesteld,
verklaart voor recht:
1. Een belastingsysteem komt niet met artikel 95, eerste alinea, van het EEG-Verdrag in strijd, wanneer het medebrengt dat de gebruikte grondstof en de ter vervaardiging van elk van beide produkten toegepaste procédés in aanmerking genomen, gedenatureerde synthetische alcohol zwaarder wordt belast den gedenatureerde gistingsalcohol, zolang bedoelde bepalingen op elk van beide categorieën van alcohol, indien van oorsprong uit de andere Lid-Staten gelijkelijk worden toegepast.
2. De toepassing van zulk een belastingstelsel kan niet op de enkele grond dat zij in feite leidt tot een zwaardere belasting van bet produkt dat uitsluitend uit de andere Lid-Staten van de Gemeenschap wordt ingevoerd, worden geacht een indirecte bescherming van de nationale produktie van gistingsalcohol — in de zin van artikel 95, tweede alinea, van het EEG-Verdrag — in te houden, wanneer door de belasting van synthetische alcohol op het nationale grondgebied een rendabele produktie van die soort alcohol niet tot ontwikkeling heeft kunnen komen.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt
Aangehaalde teksten
3Rechtspraak
5Europese Unie
5Conclusie van advocaat-generaal Cruz Vilaça356/8526.02.1987
EEG-Verdrag art. 95 en art. 99
Conclusie van advocaat-generaal Mischo200/8501.10.1986
EEG-Verdrag art. 95 en art. 169
Conclusie van advocaat-generaal Slynn278/8306.03.1985