ARREST
(omissis)
In rechte
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 18 mei 1984, heeft C. Williams, ambtenaar van de Rekenkamer van de Europese Gemeenschappen, beroep ingesteld tot nietigverklaring van het besluit van de Rekenkamer van 10 november 1983 tot herindeling van verzoeker in salaristrap ter uitvoering van's Hofs arrest van 6 oktober 1982 (zaak 9/81, Williams, Jurispr. 1982, blz. 3301), zulks op grond dat de toegekende nieuwe salaristrap onvoldoende zou zijn.
Het arrest van 6 oktober 1982 is gewezen naar aanleiding van een geschil, ontstaan na de bekendmaking van een „algemeen besluit” van de Rekenkamer van 21 februari 1980 inzake de criteria voor de indeling en de aanstelling van personeel. In 1980 had de Rekenkamer namelijk ambtenaren en andere personeelsleden aangeworven die voordien niet in dienst van de Gemeenschappen waren, en dezen vanaf 21 februari 1980 ingedeeld volgens de nieuwe criteria van dat besluit, dat het karakter heeft van een interne richtlijn.
Voor zover in de onderhavige zaak van belang, bepaalt deze interne richtlijn in artikel 3 („Toekenning van salarisanciënniteit”) : „Ten einde rekening te houden met de beroepservaring welke de kandidaat meer bezit dan die welke bepalend is voor de rang waarin de aanstelling plaatsvindt, kent het tot aanstelling bevoegde gezag hem een salarisanciënniteit toe overeenkomstig de in bijlage opgenomen tabel” (voor de rangen A 5 tot A 7 ten hoogste 48 maanden). Artikel 4 („Tot ambtenaar te benoemen tijdelijk functionaris”) bepaalt voorts: „Een tijdelijk functionaris die in een ambt van dezelfde loopbaan en in dezelfde rang tot ambtenaar op proef wordt benoemd, heeft op de dag van zijn benoeming tot ambtenaar op proef een salarisanciënniteit die bij zijn aanstelling als tijdelijk functionaris is ingegaan.”
Verzoeker was op 1 oktober 1974 als tijdelijk functionaris in de rang A 7, salaristrap 2, aangeworven door de Controlecommissie, een orgaan dat destijds ressorteerde onder de Raad van de Europese Gemeenschappen. Na met succes te hebben deelgenomen aan een vergelijkend onderzoek, werd hij door het tot aanstelling bevoegd gezag van de Raad per 1 oktober 1976 aangesteld als ambtenaar op proef in de rang A 7, salaristrap 3, in welke rang hij per 14 juni 1977 een vaste aanstelling kreeg. Op 1 mei 1978 ging Williams op zijn verzoek, met behoud van zijn rang en salaristrap, over naar de Rekenkamer. Evenals alle andere ambtenaren die naar de Rekenkamer waren overgegaan, werd verzoeker, in zijn geval met ingang van 1 mei 1979, bevorderd tot de rang A 6, salaristrap 1, met salarisanciënniteit vanaf 1 juli 1977. Salaristrap 2 van de rang A 6 bereikte hij dus op 1 juli 1979.
Volgens Williams leidde de toepassing van de bij de interne richtlijn van 21 februari 1980 vastgestelde indelingscriteria tot discriminaties ten gunste van nieuw aangeworven ambtenaren en functionarissen, en ten nadele van de voormalige ambtenaren van de Controlecommissie, die zoals hij naar de Rekenkamer waren overgegaan.
In het door Williams ter zake van die ongelijke behandeling ingestelde beroep besliste het Hof bij voornoemd arrest van 6 oktober 1982 dat, gelet op het in artikel 5, lid 3, Ambtenarenstatuut neergelegde beginsel van gelijke behandeling van ambtenaren die tot een zelfde categorie of groep behoren, de weigering van verweerster om verzoekers indeling opnieuw in overweging te nemen, moest worden nietigverklaard en dat zij verzoekers indeling in salaristrap diende te rectificeren, daarbij overeenkomstig het besluit van februari 1980 rekening houdend met verzoekers beroepservaring en eventueel met zijn diploma's, ten einde het verschil in indeling ten opzichte van de ambtenaren die van buiten de Gemeenschap kwamen en op wie de in voornoemd besluit neergelegde indelingscriteria waren toegepast, ongedaan te maken.
Volgens punt 1 van het dictum van het arrest van 6 oktober 1982 diende „de Rekenkamer verzoekers salaristrapindeling vanaf 12 mei 1980 [de datum van zijn klacht] te corrigeren met inachtneming van de in haar besluit van februari 1980 neergelegde criteria”.
Ter uitvoering van dit arrest nam de Rekenkamer op 10 november 1983 een besluit, waarvan de uitvoerig gemotiveerde conclusie luidt dat „waar het gaat om een geval van discriminatie tussen een overgegane en een nieuwe ambtenaar, de toe te passen correctie bij de indeling in salaristrap, om genoegen te doen aan artikel 32 van het Statuut, op zijn hoogst moet leiden tot toekenning van een extra salarisanciënniteit van 48 maanden”. Hiervan uitgaande deelde de Rekenkamer verzoeker — die op 12 mei 1980 was ingedeeld in de rang A 6, salaristrap 2, met anciënniteit vanaf 1 juli 1970 — per 12 mei 1980 opnieuw in, en wel als volgt: A 6, salaristrap 3, met anciënniteit vanaf 12 mei 1980; A 6, salaristrap 4, met anciënniteit vanaf 12 mei 1982.
Bij klacht van 14 december 1983 betwistte verzoeker de wijze waarop de Rekenkamer's Hofs arrest van 6 oktober 1982 op hem had toegepast. Hij verklaarde van mening te zijn, dat zijn herindeling had moeten terugwerken tot het tijdstip — oktober 1974 — waarop hij als tijdelijk functionaris was aangeworven, om aldus uit te komen op een aansteling per 12 mei 1980 in de rang A 6, salaristrap 5, met anciënniteit vanaf 16 december 1978.
Nadat deze klacht bij besluit van 16 maart 1984 was afgewezen, heeft Williams het onderhavige beroep ingesteld, strekkende tot nietigverklaring van het herindelingsbesluit van 10 november 1983 en het afwijzende besluit van 16 maart 1984.
In de precontentieuze fase en tijdens de schriftelijke procedure voor het Hof heeft verzoeker zijn vordering tot toekenning van extra salarisanciënniteit aanvankelijk gebaseerd op zowel artikel 3 als artikel 4 van de interne richtlijn van 21 februari 1980.
In de laatste stand van zijn conclusies, zoals geformuleerd ter terechtzitting, verklaarde verzoeker evenwel af te zien van iedere vordering op grond van artikel 3, en zijn aanspraken te beperken tot toekenning van een extra salaristrap voor de periode 1974-1976, toen hij tijdelijk functionaris was, en zulks uitsluitend op grond van artikel 4 van de interne richtlijn van 21 februari 1980.
Verzoeker betwist niet, dat de Rekenkamer hem zowel bij zijn bevordering naar de rang A 6 als ter uitvoering van het arrest van 6 oktober 1982 een salarisanciënniteit van in totaal 48 maanden heeft toegekend. Nochtans verlangt hij toepassing van artikel 4 van de interne richtlijn, daar hij daarenboven recht meent te hebben op nog een salaristrap voor het tijdvak waarin hij tijdelijk functionaris was. Daartoe stelt hij enerzijds, dat de Rekenkamer niet mag afwijken van haar eigen interne richtlijnen, en anderzijds, dat ingevolge het beginsel van gelijke behandeling de salarisanciënniteit waarop hij recht heeft, niet mag worden gebonden aan een maximum van 48 maanden, daar de Rekenkamer aan functionarissen die van buiten de Gemeenschappen zijn aangeworven, in het verleden veel meer anciënniteit heeft toegekend. Door de weigering hem de verlangde anciënniteit toe te kennen, zou de discriminatie die het Hof in zijn arrest van 6 oktober 1982 heeft veroordeeld, blijven bestaan.
Opgemerkt moet worden, dat de Rekenkamer bij het arrest van 6 oktober 1982 weliswaar is gelast „het verschil in indeling ten opzichte van de ambtenaren die van buiten de Gemeenschap komen... weg te werken”, doch dat het arrest de Rekenkamer uiteraard niet kon machtigen af te wijken van de bepalingen van het Statuut, inzonderheid artikel 32. De eerbiediging van het beginsel van gelijke behandeling waaraan dat arrest herinnert, moet immers te verenigen zijn met de eerbiediging van het legaliteitsbeginsel, dat meebrengt dat niemand zich ten eigen voordele kan beroepen op een onwettigheid waarvan anderen hebben kunnen profiteren (arrest van 9 oktober 1984, zaak 188/83, Witte, Jurispr. 1984, blz. 3465).
Voornoemd arrest had dus geen andere strekking dan de Rekenkamer te gelasten de gelijkheid van behandeling tussen ambtenaren te herstellen, met inachtneming van het in artikel 32 Ambtenarenstatuut bepaalde inzake de maximaal toe te kennen extra anciënniteit.
Gelijk het Hof overwoog in zijn arresten van 12 juli 1984 (zaak 17/83, Angelidis, Jurispr. 1984, blz. 2907) en 6 juni 1985 (zaak 146/84, De Santis, Jurispr. 1985, blz. 1731), is artikel 32 van het Statuut van toepassing op de als tijdelijk functionaris bij een instelling vervulde diensttijd, juist zoals het van toepassing is op diploma's en beroepservaring. Wat eventuele extra salarisanciënniteit betreft, geldt voor die diensttijd dus hetzelfde maximum, te weten 48 maanden voor de rang waarom het in casu gaat.
Waar verzoeker niet betwist dat de Rekenkamer hem de maximum toegestane salarisanciënniteit heeft toegekend, kan hij niet met een beroep op het arrest van 6 oktober 1982 aanspraak maken op toekenning van extra anciënniteit.
Uit het voorgaande volgt dat het beroep moet worden verworpen.
Kosten
Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij desgevorderd in de kosten worden verwezen. Volgens artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering blijven echter de kosten door de instellingen ter zake van beroepen van personeelsleden der Gemeenschappen gemaakt, te haren laste, onverminderd het bepaalde in artikel 69, paragraaf 3, tweede alinea, van het Reglement voor de procesvoering, op grond waarvan het Hof een partij kan veroordelen tot vergoeding van de door haar toedoen aan de wederpartij opgekomen kosten die naar's Hofs oordeel nodeloos of vexatoir zijn veroorzaakt.
De Rekenkamer betoogt dat de door verzoeker aanhangig gemaakte procedure misbruik van procesrecht oplevert en vexatoir is, en verzoekt derhalve verzoeker in alle proceskosten te verwijzen.
Opgemerkt moet worden, dat de Rekenkamer zelf bepaalde moeilijkheden heeft ondervonden bij de uitvoering van's Hofs arrest van 6 oktober 1982, aangezien zij op 24 november 1982 een verzoek tot interpretatie van dit arrest heeft ingediend met betrekking tot de vraag, of artikel 4 van het besluit van de Rekenkamer van 21 februari 1980 al dan niet op Williams toepasselijk was. Onder deze omstandigheden kan de door verzoeker ingestelde procedure niet worden geacht misbruik op te leveren of van vexatoire aard te zijn. Er zijn bijgevolg termen aanwezig om elk der partijen in de eigen kosten te verwijzen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Derde kamer),
rechtdoende:
1) Verwerpt het beroep.
2) Verstaat dat elk der partijen de eigen kosten zal dragen.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt
Rechtspraak
2Europese Unie
2Hof van JustitieC-259/1010.11.2011
Vrijstellingen
Conclusie van advocaat-generaal KokottC-309/0613.12.2007