ARREST
De feiten
I — Feiten en procesverloop
Bij dagvaarding van 21-22 september 1978 werden Giorgio Poidomani en Franca Baglieri-Giglio, in hun hoedanigheid van eigenaren van de distributiedepots voor kranten en tijdschriften te Ragusa, door Maria Salonia (verzoekster) voor de rechtbank gedaagd, op grond dat zij — ondanks herhaald verzoek — hadden nagelaten kranten en tijdschriften aan haar bedrijf te leveren, hoewel zij in het bezit is van een geldige administratieve vergunning voor de detailverkoop van kranten en tijdschriften in het algemeen. Verzoekster was van mening dat het gedrag van verweerders kennelijk onrechtmatig was daar het alle kenmerken van oneerlijke concurrentie in de zin van artikel 2598 codice civile vertoonde, en ze verzocht het Tribunale, de betrokkenen te gelasten een einde aan dit gedrag te maken door levering van kranten aan verzoeksters bedrijf en verweerders te veroordelen tot vergoeding van de door verzoekster tengevolge van de weigering tot levering geleden schade. Verweerders, die voor de rechter zijn verschenen, betwisten de feiten waarop de vordering berust niet, doch zij ontkennen dat hun gedrag onrechtmatig is. Zij stellen dat zij volstrekt niet verplicht waren kranten te leveren, daar de administratieve vergunning slechts de mogelijkheid biedt dat aan de betrokkene wordt geleverd. Voorts zetten zij uiteen dat de uitgevers slechts leveren aan degenen die met hen een contractuele binding aangaan, waarvan een betere omschrijving wordt gegeven in het — op 23 oktober 1974 tussen de „Federazione Italiana Editori Giornali” en de „Federazione Sindacale Unitaria Giornali” gesloten — „Nationaal akkoord en reglement voor de regeling van de wederverkoop van dagbladen en tijdschriften”. Zij betogen verder dat bedoeld akkoord, waarin wordt verboden in gemeenten met meer dan 2 500 inwoners uitgaven voor de verkoop over te dragen, tenzij aan degenen die in het bezit zijn van een door een Interregionale paritaire commissie overeenkomstig dit akkoord afgegeven erkenningskaart, volkomen wettig is, daar het in de jurisprudentie van het Italiaanse Hof van Cassatie wordt omschreven als een koopovereenkomst met het recht de betrokken goederen binnen een bepaalde termijn terug te geven („contratto estimatorio”) die als zodanig wordt beheerst door het beginsel van de contractvrijheid.
Gezien de door partijen ingenomen standpunten heeft het Tribunale, van oordeel dat de regeling van het akkoord beslissend is voor zijn uitspraak en aanleiding geeft tot een aantal vragen over de uitlegging van de artikelen 85 en 86 EEG-Verdrag, bij beschikking van 12/17 mei 1980 de procedure geschorst en het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 177 EEG-Verdrag gevraagd om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen:
Vormt het Nationaal akkoord van 23 oktober 1974 ter regeling van de wederverkoop van dagbladen en tijdschriften een nationaal kartel tot bescherming van de distributie- en verkoopmarkt van alle soorten binnenlandse en buitenlandse nieuwsbladen; vormt het een inbreuk op het kartelverbod van artikel 85 EEG-Verdrag en leidt het, in verband met de bijzondere regeling van de toelating tot de handel in kranten, alsmede de voor de wederverkopers geldende minimumvereisten, verplichtingen en sanctiemaatrege-Ien, tot verstoring van de mededingingsvoorwaarden ?
2. Is bedoeld akkoord niet onverenigbaar met en valt het bijgevolg niet onder het verbod van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag, voor zover het een discriminatie ten nadele van wederverkopers meebrengt — ondanks de hun door de bevoegde administratieve instantie verleende geldige vergunning voor de verkoop van kranten — op de enkele grond dat zij weigeren zich te voorzien van een erkenningskaart voor de uitoefening van de werkzaamheid van wederverkoper, waarvan de afgifte, krachtens de bepalingen van het akkoord, is overgelaten aan de discretionaire bevoegdheid van de interregionale paritaire commissies (en thans van de nationale commissie voor de verspreiding van dagbladen en tijdschriften) ?
3. Tast bedoeld akkoord niet de vrije mededinging aan, waarin de keuze van de consumenten betreffende het aantal verkooppunten van kranten tot uitdrukking komt, gelijk het geval was met de marktregeling van het Nederlands Centraal Bureau voor de Rijwielhandel, waarvan de beginselen en beperkingen analoog waren aan die van het onderhavige akkoord en die door de Commissie is verboden (beschikking van 2 december 1977, PB L 20 van 1978, blz. 18)?
4. Kunnen de in artikel 2 van het akkoord vervatte bepalingen betreffende het verbod om te leveren voor de verkoop, en artikel 1 van het Reglement inzake de werkwijze van de paritaire commissies worden geacht te beantwoorden aan objectieve criteria waardoor iedere willekeur is uitgesloten, en komen zij in aanmerking voor een ontheffing op grond van artikel 85, lid 3, ook ingeval zij zijn uitgevaardigd ten einde bij te dragen tot verbetering van de distributie?
5. Vormt de omstandigheid dat wederverkopers die, zoals Salonia, niet in het bezit zijn van de in bedoeld akkoord voorgeschreven erkenningskaart van bevoorrading zijn uitgesloten waardoor het die categorieën personen onmogelijk wordt gemaakt de produkten voor de verkoop op andere wijze te betrekken, een beletsel voor een beroep op de in de verordeningen nrs. 19 en 67 voorziene ontheffing en vormt zijn, indien ontheffing wordt toegestaan, geen aanleiding om dit voordeel ongedaan te maken?
6. Vormt het in het onderhavige akkoord voorziene en geregelde gedrag geen misbruik van machtspositie?”
Krachtens artikel 20 van 's Hofs Sta-tuut-EEG zijn schriftelijke opmerkingen gemaakt door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door S. Fabro, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde. De door mevr. Giglio, respectievelijk door de Federazione Italiana Editori Giornali ingediende memories zijn niet aanvaard; de eerste wegens het verstrijken van de in artikel 20 vastgestelde termijn en de tweede omdat de Federazione Italiana Editori Giornali geen partij in het hoofdgeding is.
Het Hof heeft, op rapport van de rechterrapporteur en gehoord de advocaatgeneraal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. Het heeft de Commissie echter verzocht, ter terechtzitting de statistieken over te leggen betreffende de verkoop van buitenlandse dagbladen in Italië vanaf 1972.
II — Schriftelijke opmerkingen, ingediend krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG
De Commissie onderzoekt het onderhavige geval eerst in het licht van de Italiaanse wetgeving inzake de mededinging. Het thans geldende Italiaanse burgerlijk wetboek van 1942 bevat geen bepalingen ter bescherming van de belangen van particulieren tegenover die van de handelaren, zoals het geval is in het anti-trustrecht in de westerse landen. Een uitzondering vormt artikel 2597, dat het non-discriminatiebeginsel bevat en bepaalt dat „degene die een bedrijf als wettelijk monopolie exploiteert, verplicht is handel te drijven met eenieder die de door het bedrijf geleverde prestaties vraagt, met inachtneming van het beginsel van gelijkheid van behandeling”.
In deze situatie werd geen wijziging gebracht door de Italiaanse grondwet van 1948, die is vastgesteld op een tijdstip toen niemand de latere ontwikkeling kon voorzien die Italië op het niveau van de belangrijkste geïndustrialiseerde landen zou brengen. De bepalingen van de grondwet bevatten geen specifieke regeling op het gebied van de mededinging, doch machtigen de wetgever om desgewenst ter zake regelingen te treffen. Tot dusver is in de Italiaanse rechtsorde echter nog geen enkele wet tot regeling van de mededinging getroffen. De huidige Italiaanse wetgeving staat de overheid toe in te grijpen in het particuliere bedrijfsleven om redenen van politieke of sociale aard, doch raakt daarentegen niet aan de betrekkingen tussen de ondernemers en respecteert in dat opzicht nauwgezet het beginsel van vrijheid van het particulier initiatief.
Onder deze omstandigheden is er weinig kans dat verzoeksters beroep, dat is gebaseerd op artikel 2598 van het burgerlijk wetboek, het beginsel van de contractsvrijheid ter zijde kan stellen. Doch zelfs wanneer het beroep was gebaseerd op artikel 2597, zou toch moeten worden overwogen dat hier sprake is van een feitelijk en niet van een wettelijk monopolie en dat in de jurisprudentie van het Hof van Cassatie analogische toepassing van artikel 2597 steeds is uitgesloten. Anderzijds is het litigieuze akkoord ontegenzeglijk in strijd met het beginsel van vrije toegang tot de markt, dat lijkt te worden gewaarborgd in artikel 41 van de Grondwet. Daarom moet worden geconcludeerd dat bij de huidige stand van de Italiaanse wetgeving en rechtspraak op het gebied van de mededinging het onderhavige geval moeilijk valt op te lossen.
De Commissie beziet het geschil vervolgens uit gemeenschapsrechtelijk oogpunt en merkt op dat de door de verwijzende rechter gestelde vragen identieke of nauw verwante rechtsproblemen doen rijzen en daarom gezamenlijk moeten worden onderzocht.
Zij wijst erop dat de toepasselijkheid van het gemeenschapsrecht op het onderhavige geval afhankelijk is van het antwoord op de vraag of het in Italië gesloten akkoord tussen de uitgevers en de wederverkopers van kranten de handel tussen de Lid-Staten ongunstig kan beïnvloeden in de zin van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag. Volgens de rechtspraak van het Hof kan dit antwoord niet in abstracto luiden, doch moet rekening worden gehouden met bestaande of althans te voorziene gevolgen van een beperking van de mededinging voor de intracommunautaire handel. Een beperking die een onbeduidende of onmerkbare invloed heeft op de markt valt dus niet onder het verbod van artikel 85, lid 1. Een beperking moet anderzijds niet op zichzelf worden bezien, doch steeds in het licht van de algehele situatie op de betrokken markt, zodat ook een onbeduidend akkoord, tezamen met verscheidene identieke akkoorden, met een groot aantal betrokkenen op het grondgebied van één enkele staat, kan worden beschouwd als geëigend, de handel tussen de Lid-Staten ongunstig te beïnvloeden.
Voorts moet worden beklemtoond dat het voor de toepasselijkheid van artikel 85, lid 1, niet noodzakelijk is dat de bedrijven die een beperking van de mededinging invoeren in verschillende Lid-Staten zijn gevestigd, omdat ook in één Lid-Staat gevestigde bedrijven de intracommunautaire handel rechtstreeks ongunstig kunnen beïnvloeden, zoals bijvoorbeeld blijkt uit 's Hofs arrest in zaak 8/72 (Vereniging van Cementhandelaren, Jurispr. 1972, blz. 977).
Om onder het verbod van artikel 85, lid 1, te vallen, moet een overeenkomst bovendien „ertoe strekken of tengevolge hebben dat de mededinging wordt vervalst”. Ook hier volstaat echter niet elke invloed, hoe onbeduidend die ook moge zijn. Zowel in een aantal beschikkingen van de Commissie als in de rechtspraak van het Hof vindt men namelijk de gedachte terug, dat een beperking van de mededinging niet verboden is wanneer zij, wegens de zwakke marktpositie van de betrokkenen, de markt zo weinig beïnvloedt dat de gevolgen daarvan niet merkbaar zijn.
Hiervan uitgaand heeft de Commissie getracht dit begrip „merkbaar” nader te bepalen. Hiertoe heeft zij een aantal criteria gehanteerd volgens welke een overeenkomst tussen ondernemingen niet valt onder artikel 85, lid 1, wanneer de daarin bedoelde produkten op het gedeelte van de gemeenschappelijke markt waar de overeenkomst geldt, niet meer dan 5 °/o van de totale omzet uitmaken en wanneer de totale jaarlijkse omzet van de bij de overeenkomst betrokken ondernemingen niet meer dan 15 miljoen rekeneenheden of, bij overeenkomsten tussen handelsondernemingen, 20 miljoen rekeneenheden bedraagt. Deze criteria zijn door de Commissie gepubliceerd in haar bekendmaking van 27 mei 1970 (PB C 64 van 1970, blz. 1) inzake overeenkomsten van geringe betekenis die niet onder artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag vallen.
Het is echter duidelijk dat deze criteria slechts een indicatie kunnen vormen. Het valt immers niet uit te sluiten, dat in bijzondere gevallen een overeenkomst die bovengenoemde kwantitatieve grenzen overschrijdt noch de intracommunautaire handel noch de mededinging merkbaar ongunstig beïnvloedt, terwijl een overeenkomst van geringe betekenis dit wellicht wel doet.
De overeenkomst waarop het hoofdgeding betrekking heeft, namelijk het „Nationaal akkoord en reglement voor de regeling van de wederverkoop van dagbladen en tijdschriften”, is een klassieke exclusiviteitsovereenkomst op basis van wederkerigheid en valt als zodanig ongetwijfeld onder het verbod van artikel 85, lid 1. Voorts kan geen sprake zijn van een onderzoek of daarvoor een ontheffing in de zin van artikel 85, lid 3, kan worden verleend, daar genoemd akkoord nimmer is aangemeld.
De zaak ligt echter niet zo eenvoudig als op het eerste gezicht wel lijkt.
Vooropgesteld zij dat de overeenkomst de verkoop van persuitgaven weliswaar monopoliseert, (onder „kranten” worden namelijk niet alleen dagbladen, doch ook allerhande tijdschriften verstaan), doch dat het in werkelijkheid alleen om de Italiaanse pers gaat.
Wegens de geringe vraag naar buitenlandse bladen in Italië hebben de buitenlandse uitgevers er evenwel geen enkel belang bij, een eigen distributienet op te bouwen en maken zij liever gebruik van het reeds bestaande distributienet, zodat de uit het akkoord voortvloeiende beperkingen in de praktijk ook voor de buitenlandse bladen gelden.
Derhalve moet worden bezien of deze distorsie van de handel in buitenlandse bladen in Italië merkbaar is of niet.
Hoewel de betrokkenen het erover eens zijn dat het huidige systeem niet volstaat om een behoorlijke ontwikkeling van de verkoop te verzekeren, valt een eventuele omzetstijging voor de Italiaanse pers als gevolg van een liberalisatie van dit systeem of van een uitbreiding van het aantal verkooppunten, en vooral een omzetstijging voor de buitenlandse bladen, waarnaar de vraag sterk wisselt, moeilijk te becijferen.
In ieder geval kan niet worden gesteld dat een nauwe samenhang bestaat tussen de verkoop van Italiaanse bladen en die van buitenlandse bladen. Zelfs wanneer in ieder land van de Gemeenschap de verhouding zou kunnen worden berekend tussen'de verkoop van nationale en die van buitenlandse kranten, zou aan de hand van de vastgestelde procentuele verschillen geen significante vergelijking kunnen worden gemaakt, daar iedere nationale markt eigen kenmerken heeft (zo worden in het Franstalig deel van België veel Franse bladen verkocht, terwijl in het Nederlandstalige deel vrijwel geen Nederlandse kranten worden verkocht).
In deze situatie kan moeilijk worden aangegeven of de bij het litigieuze akkoord ingestelde beperking van het intracommunautaire handelsverkeer in kranten en tijdschriften merkbaar kan worden geacht of niet. Wanneer de nationale rechter dit voor zijn uitspraak in deze zaak zinvol zou achten, zou hij eventueel een deskundigenonderzoek kunnen gelasten. Volgens de Commissie kan, gezien de bijzondere situatie op de markt in buitenlandse bladen in Italië, een percentage van minder dan 5 % objectief gezien merkbare gevolgen hebben voor de intracommunautaire handel. Op een zonder ingrijpen reeds moeilijke markt kan namelijk ook een lichte verstoring van de mededinging ten gevolge hebben dat bepaalde ondernemers zelfs geen poging wagen op die markt door te dringen. Onder deze omstandigheden zijn de ondernemers geneigd, genoegen te nemen met het marktgedeelte dat zij hebben verkregen, en trachten zij niet dit te vergroten, omdat zulks een buitensporige en onrendabele inspanning zou vergen. Hieruit volgt dus dat ook een geringe beperking de markt merkbaar kan beïnvloeden.
Tenslotte moet nog worden ingegaan op de in de verwijzingsbeschikking gestelde vraag betreffende de mogelijkheid, voor het akkoord de in verordeningen nrs. 19/65 en 67/67 voorziene ontheffing te verkrijgen. Uit deze verordeningen blijkt dat een der voorwaarden voor verkrijging van de ontheffing is, dat de overeenkomst wordt gesloten tussen twee ondernemingen. In casu kan, zelfs met behulp van extensieve interpretatie, niet worden gesteld dat de „Federazione Italiana Editori Giornali” en de „Federazione Sindacale Unitaria Giornali” elk als één enkele onderneming moeten worden beschouwd. Een overeenkomst tussen meerdere ondernemingen heeft echter steeds een groter economisch belang en kan dus niet behoren tot de categorie overeenkomsten waarvan kan worden aangenomen dat zij niet in strijd zijn met het Verdrag.
Toepassing van artikel 1, lid 2, van verordening nr. 67/67 is bovendien uitgesloten omdat het betrokken akkoord de handel tussen Lid-Staten ongunstig beïnvloedt, ook al is het een overeenkomst waaraan slechts ondernemingen uit één Lid-Staat deelnemen en heeft zij betrekking op de wederverkoop van produkten binnen die staat.
Tenslotte sluit de Commissie uit, dat het betrokken akkoord voor ontheffing in aanmerking komt, omdat het een overeenkomst van geringe betekenis zou zijn. Hoewel de Commissie in de huidige situatie niet in staat is de kwantitatieve omvang van de beperking vast te stellen met het oog op toepassing van het criterium van het omzetpercentage, meent zij toch dat — gezien het bijzondere karakter van de onderhavige zaak — de beperking reeds merkbaar zou kunnen zijn bij een lager dan het in haar bekendmaking van 27 mei 1970 genoemde percentage.
Op grond van de voorgaande overwegingen is de Commissie van mening dat de door het Tribunale te Ragusa gestelde vragen kunnen worden beantwoord als volgt:
„Het Nationale akkoord en reglement voor de regeling van de wederverkoop van dagbladen en tijdschriften, gesloten te Rome op 23 oktober 1974 tussen de „Federazione Editori Giornali” en de „Federazione Sindacale Unitaria Giornali”, kan slechts onder het verbod van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag vallen, indien het de handel in buitenlandse bladen in Italië merkbaar ongunstig beïnvloedt. In de huidige stand van zaken is de Commissie niet in staat vast te stellen of deze beperking merkbaar is of niet. Gelet op het voorafgaande meent de Commissie in ieder geval dat, gezien het bijzondere karakter van de markt voor buitenlandse bladen in Italië, een percentage van minder dan 5 % (zulks in afwijking van hetgeen is voorzien in haar bekendmaking inzake overeenkomsten van geringe betekenis van 17 mei 1970) merkbaar kan worden geacht. In ieder geval behoort bedoeld akkoord niet tot de overeenkomsten waarvoor groepsontheffingen als bedoeld in de verordeningen nrs. 19/65 en 67/67 kunnen worden verleend. Voorts kan het akkoord niet in aanmerking komen voor een buitentoepassingverklaring ingevolge artikel 85, lid 3, EEG-Verdrag, aangezien aan de voorwaarden voor toepassing van genoemd lid 3 niet is voldaan”.
III — Mondelinge behandeling
Ter terechtzitting van 3 februari 1981 zijn mondelinge opmerkingen gemaakt door F. Giglio, te dezen vertegenwoordigd door R. Luzzatto, advocaat te Milaan, en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, te dezen vertegenwoordigd door S. Fabro van haar juridische dienst, als gemachtigde.
Giglio acht het verzoek van het Tribunale Civile te Ragusa om een prejudiciële beslissing niet ontvankelijk.
Zij merkt in de eerste plaats op dat in het geschil voor genoemde rechter geen vraag inzake het gemeenschapsrecht valt te ontdekken. Aangenomen dat er twijfels kunnen rijzen over de verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht van het akkoord van 23 oktober 1974 tussen de uitgevers van kranten en de distributeurs, dit neemt niet weg dat geen der partijen in het geding zich tot staving van haar conclusies op dit akkoord heeft beroepen. Het is door verweersters alleen genoemd om eraan te herinneren dat het hun geen leverantieverplichting jegens verzoekster oplegt en dat het derhalve irrelevant is voor de oplossing van het geschil.
Zij betoogt voorts dat de verwijzende rechter het Hof vraagt, zich uit te spreken over een akkoord, terwijl de overeenkomstsluitende partijen geen partij zijn in het hoofdgeding en aldaar ook niet konden interveniëren. Aangezien de partijen die het akkoord hebben ondertekend ook niet kunnen deelnemen aan de procedure voor het Hof, ontbreekt hun elke mogelijkheid om hun standpunt kenbaar te maken over de verenigbaarheid van het akkoord met het gemeenschapsrecht. Met een vergelijkbare situatie heeft het Hof rekening gehouden in de zaak Foglia, waarin het verzoek om een prejudiciële beslissing terecht niet ontvankelijk is verklaard.
Tenslotte wijst zij erop dat, mocht het Hof uitspraak doen over de hem gestelde vragen, zijn beslissing in ieder geval te laat zou komen. Opnieuw moet namelijk worden beklemtoond dat de oplossing van het geschil niet afhankelijk is van de toetsing van het akkoord van 1974 aan het gemeenschapsrecht. Bovendien was het ten tijde van de litigieuze feiten reeds niet meer geldig, daar het op 11 mei 1976 door de bond van krantenverkopers is opgezegd per 31 maart 1977.
Wellicht ten overvloede gaat mevrouw Giglio echter toch in op de door de verwijzende rechter gestelde vragen. Zij meent dat deze in wezen inhouden of overeenkomsten tussen in eenzelfde Lid-Staat gevestigde ondernemingen onder artikel 85 EEG-Verdrag vallen. Uit een aantal bepalingen van de verordeningen nrs. 17/62 en 67/67 kan worden afgeleid dat algemeen wordt aangenomen dat dergelijke overeenkomsten het handelsverkeer tussen Lid-Staten niet kunnen beïnvloeden. In bijzondere omstandigheden kunnen echter ook overeenkomsten tussen ondernemingen uit een enkele Lid-Staat een negatieve invloed hebben op het intracommunautaire handelsverkeer. Dit nu is volgens haar niet het geval met onderhavige akkoord, dat uitsluitend geldt voor in Italië verspreide Italiaanse publikaties en geen regels bevat inzake de verspreiding van buitenlandse publikaties, die trouwens volgens andere systemen in de handel worden gebracht. Het in het akkoord van 1974 neergelegde stelsel kan de handel tussen de Lid-Staten derhalve in genen dele belemmeren. De mogelijke invloed van dit stelsel op de verkoop van buitenlandse kranten in Italië is door de Commissie slechts als een theoretische mogelijkheid geopperd en geenszins aangetoond.
De Commissie van de Europese Gemeenschappen legt eerst op een desbetreffend verzoek van het Hof twee tabellen over inzake de totale omzet van de Italiaanse krantenuitgevers over de jaren 1972-1979, respectievelijk de invoer van buitenlandse kranten in Italië in de jaren 1972-1977.
Vervolgens constateert de Commissie dat het akkoord van 23 oktober 1974 niet meer van toepassing is en is vervangen door een nieuwe overeenkomst, die niet meer de beperkende bepalingen van het eerdere akkoord bevat.
Dit belet echter niet in te gaan op de vraag of het oude akkoord gedurende de periode waarin het werd toegepast, de verkoop van buitenlandse kranten in Italië — zij het slechts indirect — kon belemmeren.
Na een in oktober 1980 door haar diensten ingesteld onderzoek is de Commissie tot de conclusie gekomen dat de vraag naar buitenlandse kranten in Italië niet elastisch is en dat de invoering van de nieuwe distributieovereenkomst niet tot wijzigingen in de verkopen heeft geleid. Daar deze markt zeer beperkt is, valt aan te nemen dat een vergroting van het aantal verkooppunten geenszins leidt tot een toeneming van de verkoop van buitenlandse kranten en tijdschriften in Italië.
Bijgevolg moet worden geconcludeerd dat het akkoord van 23 oktober 1974 niet heeft geleid tot een merkbare beperking van de verkoop van buitenlandse kranten in Italië.
Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het beroep is de Commissie van mening dat het Hof, overeenkomstig zijn vaste rechtspraak, uitspraak moet doen over de vragen die de verwijzende rechter aan het Hof meende te moeten voorleggen met het oog op de oplossing van het geschil.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting van 25 maart 1981 conclusie genomen.
In rechte
Bij beschikking van 12 mei 1980, ingekomen ten Hove op 27 mei 1980, heeft het Tribunale Civile te Ragusa krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een aantal prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de verdragsbepalingen inzake de mededinging, inzonderheid artikel 85, teneinde te kunnen beoordelen of bepaalde clausules van het op 23 oktober 1974 tussen de „Federazione Italiana Editori Giornali” en de „Federazione Sindacale Unitaria Giornali” gesloten „Nationaal akkoord voor de regeling van de wederverkoop van dagbladen en tijdschriften” (hierna: nationaal akkoord), verenigbaar zijn met het EEG-Verdrag.
Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen de houdster van een administratieve vergunning voor de detailverkoop van kranten en tijdschriften in het algemeen, en de eigenaren van de krantendistributiedepots te Ragusa, betreffende de weigering van deze laatsten in 1978 om aan eerstgenoemde kranten en tijdschriften te leveren.
De eigenaren van de distributiedepots voerden ter terechtvaardiging van hun weigering aan dat zij niet verplicht zijn kranten en tijdschriften te leveren aan houders van een administratieve vergunning voor de detailhandel, daar een dergelijke vergunning de houder slechts de mogelijkheid biedt, te worden bevoorraad. Zij betoogden dat de verspreiding van kranten en tijdschriften in Italië destijds was geregeld in genoemd nationaal akkoord en dat verzoekster in het hoofdgeding niet voldeed aan het bepaalde in artikel 2 van dat akkoord. Zij wezen er in dit verband op, dat luidens deze bepaling in gemeenten met meer dan 2 500 inwoners de uitgevers hun uitgaven voor de verkoop slechts mogen overdragen aan de houders van een door de interregionale paritaire commissie afgegeven erkenningskaart, die hun het recht geeft, de voor de verkoop bestemde publikaties van de distributeurs te ontvangen.
Het in eerste aanleg geadieerde Tribunale Civile te Ragusa overwoog, op de grondslag van arrest nr. 2387 van het Corte di Cassazione van 4 september 1962, dat genoemde regeling niet in strijd was met het Italiaanse recht, met name met artikel 2598 van het burgerlijk wetboek. Het sloot echter niet uit dat de clausules van het nationale akkoord waarin de uitgevers van kranten en tijdschriften werd verboden deze produkten te leveren aan wederverkopers die niet in bezit waren van de erkenningskaart, onverenigbaar kunnen zijn met de mededingingsvoorschriften van het EEG-Verdrag. Teneinde op dit punt duidelijkheid te verkrijgen, heeft het Tribunale het Hof de volgende vragen gesteld:
1.„ Vormt het nationaal akkoord van 23 oktober 1974 ter regeling van de wederverkoop van dagbladen en tijdschriften een nationaal kartel tot bescherming van de distributie- en verkoopmarkt van alle soorten binnenlandse en buitenlandse nieuwsbladen; vormt het een inbreuk op het kartelverbod van artikel 85 EEG-Verdrag en leidt het, in verband met de bijzondere regeling van de toelating tot de handel in kranten, alsmede de voor de wederverkopers geldende minimumvereisten, verplichtingen en sanctiemaatregelen, tot verstoring van de mededingingsvoorwaarden?
2.Is bedoeld akkoord niet onverenigbaar met en valt het bijgevolg niet onder het verbod van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag, voor zover het een discriminatie ten nadele van wederverkopers meebrengt — ondanks de hun door de bevoegde administratieve instantie verleende geldige vergunning voor de verkoop van kranten — op de enkele grond dat zij weigeren zich te voorzien van een erkenningskaart voor de uitoefening van de werkzaamheid van wederverkoper, waarvan de afgifte, krachtens de bepalingen van het akkoord, is overgelaten aan de discretionaire bevoegdheid van de interregionale paritaire commissies (en thans van de nationale commissie voor de verspreiding van dagbladen en tijdschriften)?
3.Tast bedoeld akkoord niet de vrije mededinging aan, waarin de keuze van de consumenten betreffende het aantal verkooppunten van kranten tot uitdrukking komt, gelijk het geval was met de marktregeling van het Nederlands Centraal Bureau voor de Rijwielhandel, waarvan de beginselen en beperkingen analoog waren aan die van het onderhavige akkoord en die door de Commissie is verboden (beschikking van 2 december 1977, PB L 20 van 1978, blz. 18)?
4.Kunnen de in artikel 2 van het akkoord vervatte bepalingen betreffende het verbod om te leveren voor de verkoop, en artikel 1 van het Reglement inzake de werkwijze van de paritaire commissies worden geacht te beantwoorden aan objectieve criteria waardoor iedere willekeur is uitgesloten, en komen zij in aanmerking voor een ontheffing op grond van artikel 85, lid 3, ook ingeval zij zijn uitgevaardigd ten einde bij te dragen tot verbetering van de distributie?
5.Vormt de omstandigheid dat wederverkopers die, zoals Salonia, niet in het bezit zijn van de in bedoeld akkoord voorgeschreven erkenningskaart van bevoorrading zijn uitgesloten waardoor het die categorieën personen onmogelijk wordt gemaakt de produkten voor de verkoop op andere wijze te betrekken, een beletsel voor een beroep op de in de verordeningen nrs. 19 en 67 voorziene ontheffing en vormt zij, indien ontheffing wordt toegestaan, geen aanleiding om dit voordeel ongedaan te maken?
6.Vormt het in het onderhavige akkoord voorziene en geregelde gedrag geen misbruik van machtspositie?”
De bevoegdheid van het Hof
Verweerders in het hoofdgeding betogen dat er in casu geen sprake is van een geldige verwijzing krachtens artikel 177 EEG-Verdrag. Zij voeren in de eerste plaats aan dat er geen enkel verband bestaat tussen de gestelde vragen en het werkelijke onderwerp van het geschil, daar noch verzoekster noch verweerders zich tot staving van hun stellingen hebben beroepen op een bepaling van gemeenschapsrecht. Voorts betogen zij dat de gestelde vragen betrekking hebben op een akkoord, dat door geen der procespartijen is ondertekend. Ten slotte wijzen zij erop dat de gevraagde uitlegging van het Verdrag zinloos is, daar het nationale akkoord van 23 oktober 1974 ten tijde van de onderhavige feiten niet meer gold, en alstoen dus niet de rechtsgrondslag kon vormen voor de weigering van de distributiedepots om verzoekster te bevoorraden.
Zoals het Hof heeft overwogen in zijn arrest van 19 december 1968, (zaak 13/68, Salgoil, Jurispr. 1968, blz. 632) mag het Hof ingevolge artikel 177 EEG-Verdrag, waarin het beginsel der onderlinge onafhankelijkheid van de nationale en communautaire rechter is neergelegd, zich niet uitspreken over de overwegingen, welke tot het verzoek om interpretatie hebben geleid. Bijgevolg kan het verzoek van een nationale rechter slechts worden verworpen wanneer duidelijk blijkt dat de door deze rechter gevraagde uitlegging van het gemeenschapsrecht of het onderzoek van de geldigheid van een communautair voorschrift geen verband houdt met de feiten of het onderwerp van het hoofdgeding.
Dit is in casu echter niet het geval. In de eerste plaats verzet het feit dat partijen in het hoofdgeding voor de nationale rechter geen vraag van gemeenschapsrecht hebben opgeworpen zich er niet tegen dat de nationale rechter zich tot het Hof wendt. Waar artikel 177, tweede en derde alinea, EEG-Verdrag voorziet in een prejudiciële verwijzing naar het Hof, „indien een vraag wordt opgeworpen voor een rechterlijke instantie van een der Lid-Staten”, wil het deze verwijzing niet beperken tot de gevallen waarin een der partijen in het hoofdgeding het initiatief heeft genomen om een vraag betreffende de uitlegging of de geldigheid van het gemeenschapsrecht op te werpen, doch heeft het ook betrekking op gevallen waarin een dergelijke vraag wordt opgeworpen door de nationale rechterlijke instantie zelf, die een beslissing van het Hof op dit punt „noodzakelijk acht voor het wijzen van haar vonnis”.
Ook het feit dat noch verzoekster noch verweerders in het hoofdgeding partij zijn bij het nationaal akkoord, naar aanleiding waarvan de nationale rechter vragen inzake de uitlegging van het Verdrag aan het Hof stelt, doet niet af aan de bevoegdheid van het Hof, daar de toepassing van artikel 177 EEG-Verdrag uitsluitend is gebonden aan de voorwaarde dat de nationale rechter kan beschikken over alle dienstige gemeenschapsrechtelijke gegevens die noodzakelijk zijn voor het wijzen van zijn vonnis.
Ten slotte is bedoeld akkoord weliswaar door een der partijen per 31 maart 1977 opgezegd, zodat het niet meer gold op het tijdstip van de onderhavige feiten, noch bij de inleiding van het hoofdgeding op 21 en 22 september 1978, doch niettemin hebben verweerders in het hoofdgeding zelf in hun mondelinge opmerkingen niet de mogelijkheid uitgesloten, dat bepaalde clausules van het akkoord nà 31 maart 1977 de facto toepassing zouden vinden. Bovendien blijkt uit de verwijzingsbeschikking dat verweerders in de loop van het hoofdgeding een beroep hebben gedaan op de bepalingen van genoemd nationaal akkoord, inzonderheid op artikel 2, teneinde de vordering te doen afwijzen.
Derhalve moet de door verweerders in het hoofdgeding opgeworpen exceptie worden verworpen.
Ten gronde
Uit de eerste en derde vraag volgt dat de nationale rechter in de eerste plaats wenst te vernemen of de clausules van een nationaal akkoord waarin de levering van kranten en tijdschriften wordt beperkt tot de wederverkopers die zijn erkend door een beroepsorganisatie waarin de nationale organisaties van krantenuitgevers en verkopers zijn vertegenwoordigd, geen inbreuk maken op de mededingingsvoorschriften, als bedoeld in artikel 85 EEG-Verdrag.
Volgens artikel 85 EEG-Verdrag zijn onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt en verboden alle overeenkomsten „welke de handel tussen Lid-Staten ongunstig kunnen beïnvloeden en ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt” wordt aangetast. Zoals het Hof in zijn arrest van 7 mei 1971, (zaak 1/71, Cadillon, Jurispr. 1971, blz. 351) heeft uitgemaakt, is dit het geval, wanneer op grond van een geheel van objectieve omstandigheden — feitelijk of rechtens — met een voldoende mate van waarschijnlijk kan worden verwacht dat de overeenkomst, al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel, het ruilverkeer tussen de Lid-Staten kan beïnvloeden in een voor de verwezenlijking van de doelstellingen van één enkele markt tussen staten schadelijke zin en zij ertoe strekt of tengevolge heeft dat de mededinging binnen de gemeenschappelijke markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst.
Het akkoord waarnaar de nationale rechter in casu verwijst, betreft de alleenverkoop in Italië van Italiaanse kranten en tijdschriften, en bevat onder meer in artikel 2 een selectieve verkoopclausule, op grond waarvan kranten en tijdschriften alleen kunnen worden geleverd aan erkende verkopers.
Een dergelijk akkoord, dat het gehele grondgebied van een Lid-Staat bestrijkt, kan naar zijn aard een versterking van de nationale drempelvorming tot gevolg hebben, hetgeen de in het Verdrag beoogde economische vervlechting doorkruist en de nationale produktie bescherming verschaft.
Al heeft het onderhavige akkoord alleen de distributie van Italiaanse kranten en tijdschriften en niet die van kranten en tijdschriften uit de andere Lid-Staten ten doel, dit neemt niet weg dat een gesloten verkoopsysteem, dat geldt voor het merendeel van de verkooppunten voor kranten en tijdschriften op het nationale grondgebied, ook gevolgen kan hebben voor de distributie van uit de andere Lid-Staten afkomstige kranten en tijdschriften.
Gezien deze factoren kan in beginsel dus niet worden uitgesloten dat een akkoord als het door de nationale rechter bedoelde, gelet op de inhoud en strekking ervan, de handel tussen Lid-Staten wat de distributie van kranten en tijdschriften betreft, ongunstig kan beïnvloeden in de zin van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag.
Er zij echter op gewezen, dat een dergelijk akkoord niet valt onder het verbod van artikel 85 wanneer de handel tussen Lid-Staten daardoor niet merkbaar ongunstig wordt beïnvloed. Bij persuitgaven valt de beoordeling van het merkbare karakter van de eventuele gevolgen van een verkoopovereenkomst voor de markt weliswaar strenger uit dan bij andere produkten, doch ter beoordeling van de vraag of een overeenkomst de markt voor kranten en tijdschriften uit andere Lid-Staten merkbaar ongunstig kan beïnvloeden, moet rekening worden gehouden enerzijds met het feit dat deze markt voor de verkoop in bedoeld gebied gebruik kan maken van andere verkoopkanalen dan die welke in het akkoord zijn vastgelegd, en anderzijds met het onelastische karakter van de vraag naar genoemde produkten, in die zin dat zij geen wezenlijke veranderingen zou ondergaan door de invoering en afschaffing van het betrokken akkoord.
Het feit dat uit het door de Commissie tijdens de schriftelijke behandeling overgelegde en ter zitting aangevulde cijfermateriaal blijkt dat de vraag naar kranten en tijdschriften uit andere Lid-Staten in de jaren 1972-1979 geen wezenlijke veranderingen heeft ondergaan, vormt te dezen een der beoordelingsfactoren.
Het staat aan de nationale rechter om op basis van alle hem ten dienste staande relevante gegevens te bepalen of het akkoord de facto de hierboven genoemde voorwaarden vervult en daarmee onder het verbod van artikel 85, lid 1, valt.
Gezien het voorafgaande moet op de eerste en derde vraag worden geantwoord dat een akkoord inzake de alleenverkoop van kranten en tijdschriften, zoals door de nationale rechter bedoeld, slechts onder het verbod van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag valt, indien blijkt dat het de handel tussen Lid-Staten merkbaar ongunstig kan beïnvloeden.
De tweede en zesde vraag
De tweede vraag van de nationale rechter luidt of de bepaling van het bestreden akkoord, volgens welke alleen wederverkopers die in het bezit zijn van een door de interregionale paritaire commissies afgegeven erkenningskaart, kunnen worden toegelaten tot de verkoop van Italiaanse kranten en tijdschriften, geen bron van met het Verdrag strijdige discriminatie is.
De zesde vraag luidt of een dergelijke regeling geen bij artikel 86, eerste alinea, EEG-Verdrag verboden misbruik van machtspositie vormt.
Deze beide vragen strekken er hoofdzakelijk toe te vernemen of het akkoord waarop de nationale rechter doelt verenigbaar is met de verdragsbepalingen inzake de mededinging, voor zover dit akkoord in artikel 2 een bepaling inzake de toepassing van een selectief verkoopcriterium bevat.
Zoals met name uit Hofs arrest van 25 oktober 1977 (zaak 25/76, Metro, Jurispr. 1977, blz. 1875) blijkt, vormen selectieve verkoopsystemen een met artikel 85, lid 1, verenigbare con'currentiefactor, mits bij de keuze der wederverkopers objectieve criteria van kwalitatieve aard worden gehanteerd met betrekking tot de vakbekwaamheid van de wederverkopers, zijn personeel en de inrichting van zijn bedrijf, in verband met de eisen die de verkoop van het produkt stelt, en deze voorwaarden uniform worden vastgesteld voor alle potentiële wederverkopers en zonder discriminatie worden toegepast.
Bij een akkoord als door de nationale rechter bedoeld, moet rekening worden gehouden met de bepalingen ervan waarin de criteria zijn vastgelegd die worden gehanteerd bij de keuze van de erkende verkopers, zoals artikel 3, lid 10, en artikel 4 van het litigieuze nationale akkoord, waaruit blijkt dat de erkenningskaart in het algemeen wordt afgegeven aan degenen „die beschikken over de vakbekwaamheid om het beroep van krantenverkoper uit te oefenen”.
De nationale rechter dient in casu aan de hand van al deze factoren te beoordelen of de voorwaarden die de toepassing van het omstreden selectieve distributiecriterium in het kader van het hem voorgelegde akkoord kunnen rechtvaardigen, werkelijk zijn vervuld.
Op de tweede en zesde vraag moet derhalve worden geantwoord dat een selectieve verkoopclausule, zoals vervat in het door de nationale rechter bedoelde nationaal akkoord, waarbij de levering van onder dit akkoord vallende produkten wordt beperkt tot erkende verkopers, die in het bezit zijn van een beroepskaart, niet in strijd is met artikel 85, lid 1, of artikel 86, eerste alinea, EEG-Verdrag, indien blijkt dat bij de keuze van de erkende wederverkopers objectieve criteria worden gehanteerd met betrekking tot de vakbekwaamheid van de wederverkoper, zijn personeel en de inrichting van zijn bedrijf, in verband met de eisen die de verkoop van het produkt stelt, en deze worden vastgesteld voor alle potentiële wederverkopers en zonder discriminatie worden toegepast.
De vierde vraag
De vierde vraag van de nationale rechter luidt of de bepalingen van het omstreden nationaal akkoord, inzonderheid die van het reglement inzake de werkwijze van de interregionale paritaire commissies, eventueel in aanmerking kunnen komen voor een ontheffing op grond van artikel 85, lid 3, EEG-Verdrag, indien zou worden vastgesteld dat zij beogen bij te dragen aan de verbetering van de distributie.
Artikel 4, lid 1, van verordening nr. 17 van de Raad van 4 februari 1962 (PB L 13 van 1962) bepaalt dat „overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen, bedoeld in artikel 85, lid 1, van het Verdrag, die tot stand zijn gekomen na het tijdstip waarop deze verordening in werking treedt en ten gunste waarvan de betrokken ondernemingen een beroep willen doen op artikel 85, lid 3, moeten worden aangemeld bij de Commissie. Zolang deze aanmelding niet heeft plaatsgevonden, kan de beschikking bedoeld in artikel 85, lid 3, niet worden gegeven”.
Het staat vast dat het onderhavige akkoord, dat na de inwerkingtreding van genoemde verordening tot stand is gekomen, tot dusverre niet bij de Commissie is aangemeld. Het was dus niet mogelijk met betrekking tot dat akkoord een beschikking als bedoeld in artikel 85, lid 3, te geven.
Mitsdien moet worden vastgesteld dat, nu het door de nationale rechter bedoelde akkoord niet overeenkomstig artikel 4, lid 1, van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962 bij de Commissie was aangemeld, ten aanzien daarvan geen verklaring van niet-toepasselijkheid als bedoeld in artikel 85, lid 3, EEG-Verdrag kon worden afgegeven.
De vijfde vraag
De vijfde vraag ten slotte houdt in of de onderhavige overeenkomst eventueel in aanmerking komt voor de generieke ontheffing als bedoeld in verordening nr. 19/65 van de Raad van 2 maart 1965 en verordening nr. 67/67 van de Commissie van 22 maart 1967.
Verordening nr. 19/65 van de Raad (PB L 36 van 1965) bepaalt in artikel 1, lid 1, dat overeenkomstig artikel 85, lid 3, van het Verdrag, artikel 85, lid 1, niet van toepassing is op groepen overeenkomsten „waaraan slechts twee ondernemingen deelnemen” en die bepaalde kenmerken vertonen.
Dezelfde bepaling is te vinden in artikel 1, lid 1, van verordening nr. 67/67 van de Commissie (PB L 57 van 1967). Uit deze bepalingen volgt dat een overeenkomst slechts in aanmerking kan komen voor de in voornoemde verordeningen nrs. 19/65 en 67/67 voorziene generieke ontheffing, indien daaraan „slechts twee ondernemingen deelnemen”.
Het staat vast dat het door de verwijzende rechter bedoelde nationale akkoord is gesloten tussen de vereniging van Italiaanse uitgevers en de vereniging van Italiaanse krantenverkopers. Daar de partijen bij dat akkoord beroepsorganisaties zijn die elk een groot aantal leden tellen, kunnen zij niet worden beschouwd als „twee ondernemingen” in de zin van genoemde verordeningen nrs. 19/65 en 67/67, zodat de in artikel 1, lid 1, van deze verordeningen gestelde voorwaarde in casu niet is vervuld.
Op de vijfde vraag moet derhalve worden geantwoord dat het door de nationale rechter bedoeld akkoord, nu het geen overeenkomst is „waaraan slechts twee ondernemingen deelnemen” in de zin van artikel 1, lid 1, van verordening nr. 19/65 van de Raad van 2 maart 1965 en verordening nr. 67/67 van de Commissie van 22 maart 1967, niet behoort tot de groepen overeenkomsten waarvoor krachtens voornoemde verordeningen ontheffing van de toepassing van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag kan worden verleend.
Kosten
De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening harer opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijk instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de door het Tribunale Civile te Ragusa bij beschikking van 27 mei 1980 gestelde vragen, verklaart voor recht:
1. Een akkoord inzake de alleenverkoop van kranten en tijdschriften, zoals door de nationale rechter bedoeld, valt slechts onder het verbod van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag, indien blijkt dat het de handel tussen Lid-Staten merkbaar ongunstig kan beïnvloeden.
2. Een selectieve verkoopclausule, zoals vervat in het door de nationale rechter bedoeld nationaal akkoord, waarbij de levering van onder dit akkoord vallende produkten wordt beperkt tot erkende verkopers, die in het bezit zijn van een erkenningskaart, is niet in strijd met artikel 85, lid 1, of artikel 86, eerste alinea, EEG-Verdrag, indien blijkt dat bij de keuze der erkende wederverkopers objectieve criteria worden gehanteerd met betrekking tot de vakbekwaamheid van de wederverkoper, zijn personeel en de inrichting van zijn bedrijf, in verband met de eisen die de verkoop van het produkt stelt, en deze criteria uniform worden vastgesteld voor alle potentiële wederverkopers en zonder discriminatie worden toegepast.
3. Nu het door de nationale rechter bedoelde akkoord niet overeenkomstig artikel 4, lid 1, van verordening nr. 17 van de Raad van 6 februari 1962 bij de Commissie was aangemeld, kon ten aanzien daarvan geen verklaring van niet-toepasselijkheid als bedoeld in artikel 85, lid 3, EEG-Verdrag worden afgegeven.
4. Nu het door de nationale rechter bedoelde akkoord geen overeenkomst is „waaraan slechts twee ondernemingen deelnemen” in de zin van artikel 1, lid 1, van verordening nr. 19/65 van de Raad van 2 maart. 1965 en verordening nr. 67/67 van de Commissie van 22 maart 1967, behoort het niet tot de groepen overeenkomsten waarvoor krachtens voornoemde verordeningen ontheffing van de toepassing van artikel 85, lid 1, EEG-Verdrag kan worden verleend.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt
Aangehaalde teksten
5Rechtspraak
4Europese Unie
4Conclusie van de advocaat-generaalC-618/1111.06.2013
Maatstaf van heffing van btw over diensten inzake uitzending van commerciële reclame
Conclusie van advocaat-generaal Ruiz-Jarabo ColomerC-284/0304.05.2004
Vrijgestelde handelingen, verhuur van onroerende goederen
Hof van JustitieC-446/9814.12.2000