Arrest van het Hof van 11 maart 1980, 104/79 · Europese rechtspraak, andere materies

Naar de tekst
Juriel

Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen Voltallige zitting 104/79 ECLI:EU:C:1980:73 11 maart 1980

Zoeken

Arrest van het Hof van 11 maart 1980, 104/79EEG-Verdrag art. 95 en art. 177

https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-104-79-arrest

Rechtscollege
Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen
Samenstelling
Voltallige zitting
Zaak
104/79
ECLI
ECLI:EU:C:1980:73
Datum
11 maart 1980

Naar het dictum

De zaak

Procedure
Prejudiciële verwijzing niet-ontvankelijk
Verwijzende rechter
Pretura di Bra (Italië) beslissing van 6 juni 1979 80/79
Zaak ingediend op
29 juni 1979
Advocaat-generaal
Warner
Opmerkingen
Franse regering Commissie
Nationale beslissing na het arrest
Pretura di Bra beslissing van 18 oktober 1980

Over het document

Verzameling
Europese rechtspraak, andere materies
Taal van de tekst
Nederlands
Procestaal
Italiaans
Jurisprudentie
Jurispr. 1980, blz. 745
Meer informatie
Rechter-rapporteur
Koopmans
Repertorium van het Hof

Tekst

118 paragrafen

ARREST

De feiten

De feiten, het procesverloop en de krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG ingediende schriftelijke opmerkingen kunnen worden samengevat als volgt:.

I — De feiten en het procesverloop

De onderneming Foglia (hierna: Foglia) is werkzaam in de handel in wijn en alcoholhoudende dranken.

Op 1 februari 1979 vroeg Novello Foglia enkele dozen Italiaanse likeurwijn als geschenk te verzenden aan iemand in Frankrijk. Bij de bestelling betaalde Novello voor de naar Frankrijk te verzenden wijn enkel de prijs die door Foglia bij levering af bedrijf werd berekend.

Aangezien Foglia de verzending en bet vervoer van de waren niet zelf verzorgt, deed hij daartoe een beroep op een gespecialiseerde onderneming, de vennootschap Danzas SpA.

De verzendings- en vervoerskosten dienden te worden betaald op basis van de factuur die de expediteur na aflevering van de waar aan de geadresseerde zou opmaken.

Bij het sluiten van de overeenkomst tussen Foglia en Novello, had koopster gepreciseerd dat uitsluitend de verzendings- en vervoerskosten voor haar rekening zouden komen, en de diverse lasten, inzonderheid de Italiaanse en Franse belastingen, uitdrukkelijk uitgesloten (zie opmerkingen van Foglia). Rekening houdend met dit beding, nam Foglia een uitdrukkelijke clausule van overeenkomstige strekking op in zijn vervoersovereenkomst met Danzas.

Op de factuur voor verzending en vervoer, die Danzas op 31 maart 1979 aan Foglia zond, was, naast andere posten, ook een bedrag van LIT 148300 voor „acquis de Régie” vermeld. Foglia verzocht Novello om betaling van het door hem aan Danzas betaalde factuurbedrag.

Novello stelde dat op de factuur onder meer een bedrag voorkwam wegens een heffing die haars inziens ten onrechte bij de grensoverschrijding aan de Franse douane was betaald. Zij beriep zich op de uitdrukkelijke clausule in de overeenkomst en weigerde het bedrag te betalen.

Bij dagvaarding, betekend op 7 april 1979, daagde Foglia Novello voor de Pretore te Bra. Deze stelde vast dat een bijzondere overeenkomst bestond waarbij de verbintenissen van Novello bij uitsluiting waren beperkt tot de fiscale lasten die in overeenstemming waren met de communautaire bepalingen ter verzekering van het vrije verkeer van goederen. Hij overwoog dat zowel het bestaan van een op verweerster rustende verplichting tot terugbetaling, als de wenselijkheid het debat on bredere basis te stellen door Danzas in liet geding te roepen, afhingen van de vraag of de in casu dooide Franse autoriteiten geheven rechten al dan niet wettig waren.

Bij beschikking van 6 juni 1979, ingekomen ten Hove op 29 juni 1979, heeft de Pretore te Bra de procedure geschorst en het Hof de navolgende vragen ter prejudiciële beslissing voorgelegd:

Moet de belasting die in Frankrijk wordt geheven op uit andere Lid-Staten van de EEG ingevoerde kwaliteits- en andere likeurwijnen, al dan niet met benaming van oorsprong — zoals de belasting op uit die landen ingevoerde zoete wijnen met een van nature hoog alcoholgehalte, al dan niet met benaming van oorsprong —, gelet op de bepalingen van het EEG-Verdrag en de uitvoeringsbesluiten daarvan, worden beschouwd als een ernstige discriminatie in de zin van artikel 95 van het Verdrag, zulks op grond dat gelijksoortige of althans met bedoelde wijnen rechtstreeks concurrerende Franse likeurwijnen worden begunstigd door een veel lagere belasting dan zoete wijnen met een van nature hoog totaal alcoholgehalte, die uit Lid-Staten van de EEG worden ingevoerd; zelfs bepaalde uit derde landen ingevoerde likeurwijnen in Frankrijk volgens een lager tarief worden belast dan likeurwijnen van communautaire oorsprong?

2. Kunnen dergelijke belastingverlagingen eventueel onder artikel 92 van het Verdrag worden gebracht en zo ja, binnen welke grenzen en onder welke voorwaarden?

3. Dient een belasting die in strijd is met het gemeenschapsrecht, ipso facto als onwettig te worden beschouwd, en levert bijgevolg de heffing van de extra belasting op ingevoerde produkten een onverschuldigde heffing en dus een onverschuldigde betaling op?

4. Kan deze onwettigheid in de gehele Gemeenschap, voor de nationale rechters van de Lid-Staten worden ingeroepen, ook in een geding tussen particulieren?

5. Indien vraag 2 bevestigend wordt beantwoord, welke gevolgen heeft dan het ontbreken van een machtiging krachtens artikel 92 van het Verdrag, voor degenen die door die hogere belasting zijn getroffen?”

In de verwijzingsbeschikking overwoog de Pretore te Bra voorts:

„De zogenaamde Franse ‚vins doux naturels’ zijn immers ongetwijfeld likeurwijnen overeenkomstig de definitie die van deze wijnen wordt gegeven onder nummer 12 van bijlage 2 van verordening (EEG) nr. 337/79 houdende een gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt, aangezien deze wijnen, evenals een aantal andere, enkel worden gekenmerkt door bijzondere bereidingswijzen en door een eigen produktiegebied.

Verder dient nog te worden opgemerkt dat ook de door verweerster verzonden wijnen onder genoemde communautaire definitie van likeurwijnen vallen, temeer daar sommige ervan eveneens worden gekenmerkt door bijzondere produktiegebieden en -eigenschappen in het kader van deze definitie.

Van belang is ook dat de door Novello verzonden wijnen in Frankrijk als likeurwijn werden beschouwd en in fiscaal opzicht als zodanig werden behandeld.

Vervolgens dient erop te worden gewezen dat met betrekking tot de verbruiksbelasting praktisch alle in Frankrijk geproduceerde likeurwijnen produkten zijn die in dat land ‚vins doux naturels’ worden genoemd en dat zij fiscaal gezien als gewone wijn worden behandeld, d.w.z. zeer gunstig ten opzichte van wijnen met een hoog alcoholpercentage; ook wordt ten aanzien van deze wijnen op de bij bereiding ervan gebruikte alcohol een veel lagere verbruiksbelasting toegepast dan op het totale eindpercentage aan alcohol van ingevoerde likeurwijn.

Voorts dient nog te worden opgemerkt dat de in Frankrijk uit Italië ingevoerde likeurwijnen zijn onderworpen aan een verbruiksbelasting op het gehele alcoholpercentage tegen een veel hoger tarief dan wordt toegepast op de bij de bereiding van ‚vins doux naturels’ toegevoegde alcohol, waardoor de in Frankrijk ingevoerde Italiaanse likeurwijnen veel zwaarder worden belast dan de ‚vins doux naturels’.

Bovendien worden de uit Italie ingevoerde likeurwijnen zwaarder belast dan een aantal daarmee vergelijkbare gerenommeerde wijnen met oorsprongsbenaming, zoals bijvoorbeeld Griekse en Portugese wijnen die, hoewel onderworpen aan dezelfde fiscale regeling voor likeurwijn, luidens artikel 406 van de Franse Code des impôts bijzondere kortingen genieten op grond van bilaterale internationale bepalingen.”

Krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door Foglia, verzoeker in bet hoofdgeding, te dezen vertegenwoordigd door E. Cappelli en P. De Caterini, advocaten te Rome; Novello, verweerster in het hoofdgeding, te dezen vertegenwoordigd door G. Motzo, advocaat te Rome; de regering van de Franse Republiek, te dezen vertegenwoordigd door Y. Cousin als gemachtigde; en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, te dezen vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur A. Abate als gemachtigde.

Het Hof heeft, op rapport van de rechterrapporten r en gehoord de advocaatgeneraal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan. Flet heeft partijen evenwel verzoent in hun mondelinge opmerkingen nader in te gaan op het in de vierde vraag van de Pretore te Bra opgeworpen probleem.

II — Samenvatting van de bij het Hof ingediende opmerkingen

In verband met de eerste vraag beschrijft de Commissie vooreerst de Franse belastingregeling voor likeurwijn.

Deze regeling is ingevoerd in 1898 en sindsdien herhaaldelijk gewijzigd. Sedert de laatste wijzigingen, bij artikel 24 van de „Loi de finances” nr. 78-1239 van 29 december 1978 (Journal Officiel de la République Française nr. 304 van 30 december 1978), worden thans op de hoeveelheid zuivere alcohol, gebruikt bij de bereiding van die wijnen, de volgende belastingen geheven:

a) vermout en gearomatiseerde wijnen

b) likeurwijn zonder benaming van oorsprong

c) likeurwijn met benaming van oorsprong alsmede port, madeira, Samos en muskaat van Samos

d) schuimwijn en likeurwijn genaamd „vins doux naturels”

De Commissie voegt daaraan toe dat bijna de gehele Franse produktie van likeurwijn onder de fiscale regeling sub d) valt en dus belast wordt met FF 1790 (verbruiksbelasting) per hl bij de bereiding toegevoegde zuivere alcohol.

Op uit andere Lid-Staten ingevoerde likeurwijn daarentegen is de fiscale regeling sub b) van toepassing, zodat daarop een produktiebclasting rust van FF 710 en een verbruiksbelasting van FF 4270 per hl in de wijn aanwezige alcohol (ongeacht of deze op natuurlijke wijze is verkregen dan wel toegevoegd). Bovendien geldt voor deze wijnsoorten niet de gunstigere, op Franse wijn toegepaste accijnsregeling van FF 22,50 per hl wijn als dusdanig.

De uit andere Lid-Staten ingevoerde likeurwijnen worden derhalve fiscaal sterk benadeeld, aangezien daarop een in totaal FF 3190 hogere belasting per hl (natuurlijke of bij de bereiding toegevoegde) alcohol wordt geheven.

Bovendien, aldus de Commissie, geldt — inzonderheid met betrekking tot de produktiebelasting — voor uit andere Lid-Staten ingevoerde likeurwijn een minder gunstige regeling dan voor gelijksoortige, uit derde landen in Frankrijk ingevoerde wijnen (bijv. port, madeira, Samos en muskaat van Samos). Krachtens bilaterale akkoorden met respectievelijk Portugal en Griekenland worden deze wijnsoorten gelijkgesteld met Franse likeurwijn met benaming van oorsprong; zij zijn dientengevolge, geheel vrijgesteld van produktiebelasting, zoals blijkt uit de tabel sub c.

Om dit resultaat te verwezenlijken heeft de Franse wetgeving voor fiscale doeleinden subcategorieën van likeurwijnen ingevoerd, waarvan de belangrijkste die van de „vins doux naturels” is. De hiervoor geldende regeling is te vinden in de Code général des Impôts (zie bijv. de artikelen 416, 417 en 418).

Het gaat om likeurwijn met een gehalte aan (natuurlijke en toegevoegde) alcohol van tenminste 14 %, die door toevoeging van zuivere alcohol bereid is uit druivemost of wijn, afkomstig uit wijngaarden waarvan de jaaropbrengst 40 hl per ha niet overschrijdt.

In dezelfde wet worden ook de „vins doux naturels à appellation d'origine contrôlée” gedefinieerd. De benaming van oorsprong wordt uitsluitend toegekend aan Franse likeurwijnen uit de departementen Pyrénées Orientales, Aude, Hérault en Vaucluse. De wijn moet een totaal alcoholgehalte van tenminste 21,5 % hebben en door toevoeging van zuivere alcohol bereid zijn uit druivemost of wijn met een natuurlijk alcoholgehalte van tenminste 14 %.

De likeurwijnen uit de vier genoemde departementen (706622 hl in 1977) vertegenwoordigen bijna de gehele Franse produktie.

Door het criterium van de gecontroleerde benaming van oorsprong in te voeren, heeft de Franse wetgeving, aldus de Commissie, een geografische en tegelijk fiscale bescherming ingesteld ten gunste van de nationale produktie. Als gevolg daarvan genieten uit andere Lid-Staten in Frankrijk ingevoerde likeurwijnen, die toch volgens dezelfde procédés bereid zijn en dezelfde kenmerken vertonen, niet dezelfde fiscale voorkeursbehandeling. De Commissie beklemtoont dat bedoelde ingevoerde wijnsoorten evenals de Franse een natuurlijk alcoholgehalte hebben van tenminste 14 %.

Wat de gemeenschapsregeling betreft, merkt de Commissie op dat likeurwijn wordt gedefinieerd in punt 12 van bijlage II bij verordening nr. 337/79 van de Raad van 5 februari 1979 houdende een gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt (PB 1979, L 54, biz. 1), die verordening nr. 816/70 vervangt.

Volgens deze definitie zijn als likeurwijn te beschouwen de wijnen met een totaal alcoholgehalte van tenminste 17,5 %, verkregen uit druivemost of wijn met een natuurlijk alcoholgehalte van 12 %. Zij moeten bereid zijn door toevoeging van uit produkten van de wijnstok gewonnen alcohol en/of van geconcentreerde druivemost dan wel door bevriezing.

Likeurwijnen worden ingedeeld in onderverdeling C van post 22.05 van het gemeenschappelijk douanetarief. In aanvullende aantekening nr. 4, sub c, bij hoofdstuk 22 van het gemeenschappelijk douanetarief (PB 1978, L 335, biz. 105) wordt een definitie van likeurwijn gegeven die bijna identiek is met die van verordening nr. 337/79.

Krachtens artikel 17, lid 1, derde alinea, vijfde streepje, en volgende leden van verordening nr. 337/79, geniet de communautaire produktie van likeurwijn een bijzondere bescherming ten aanzien van uit derde landen afkomstige, gelijksoortige concurrerende produkten. De exporteurs in derde landen moeten namelijk hun prijzen baseren op de jaarlijks dooide Gemeenschap vast te stellen refercnticprijs; doen zij dat niet, dan wordt op de invoer een compenserende heffing gelegd.

Deze regeling geldt voor alle likeurwijnen van de Gemeenschap en houdt geen rekening met de bijzonderheden van de verschillende nationale regelingen.

Volgens de Commissie blijkt hieruit dat de definitie van likeurwijn in de gemeenschapsregeling ruimer is dan de Franse. Aangezien het om een communautaire en niet om een nationale definitie gaat, moet zij wel de criteria kwaliteit en benaming van oorsprong buiten beschouwing laten en is zij gebaseerd op het wezenlijke kenmerk van likeurwijn, namelijk de toevoeging van zuivere alcohol aan een natuurlijke wijn.

De Commissie meent dat hieruit moet worden geconcludeerd dat, vanuit het gemeenschapsrecht bezien, de zogenaamde „vins doux naturels”, ook als zij van Franse herkomst zijn, slechts likeurwijnen zijn die vallen onder de in voornoemde communautaire regelingen vastgestelde definitie.

Gezien deze overwegingen kan over de gelijkaardigheid van Franse en Italiaanse likeurwijnen geen twijfel meer bestaan. In casu bestaat een in verordening nr. 337/79 bevestigde „similitudo ex lege”.

De Lid-Statcn mogen slechts binnen het kader van gelijksoortige produkten subcategorieën instellen or voor fiscale doeleinden gebruiken, mits zij zich houden aan het verbod van fiscale discriminatie van uit andere Lid-Staten ingevoerde gelijkaardige of concurrerende produkten.

Aan deze voorwaarde voldoet de Franse belastingregeling niet. Bovendien worden daarin subjectieve, eenzijdige vastgestelde criteria gehanteerd, die strenger zijn dan de criteria van verordening nr. 337/79 van de Raad en die daardoor strijdig zijn met de communautaire voorschriften.

De Lid-Staten kunnen weliswaar op nationaal vlak de voorwaarden vaststellen voor het toekennen van benamingen van oorsprong aan hun likeurwijnen, maar zij mogen de daartoe ingevoerde indeling — die de commerciële bescherming van de produkten en de verdediging van de belangen van de verbruikers beoogt — niet benutten om tot allerlei onderscheidingen te komen met het oog op de fiscale behandeling (arrest van 10 oktober 1978, zaak 148/77, Hansen, Juiïspr. 1978, biz. 1787).

De Commissie zegt dat zij sinds 1968 de Franse overheid ertoe poogt te brengen, de uitsluitend voor nationale likeurwijn geldende gunstige belastingregeling uit te breiden tot gelijksoortige, uit andere Lid-Staten ingevoerde produkten. In 1975 heeft zij zelfs de procedure wegens niet-nakoming van artikel 169 EEG-Verdrag ingeleid. Later, in 1978, werd de procedure opgeschort, maar nadat zij had vastgesteld dat de uit andere Lid-Staten in Frankrijk ingevoerde likeurwijnen nog steeds fiscaal werden gediscrimineerd, heeft de Commissie op 14 augustus 1979 het in artikel 169 bedoelde met redenen omklede advies uitgebracht.

De Commissie verklaart redenen te hebben om aan te nemen dat in de Franse wetgeving spoedig de gevraagde wíj'zÍt gingen zullen worden aangebracht.

De Commissie concludeert dat

onverminderd de uit de doelstellingen van de procedure van artikel 177 EEG-Verdrag voortvloeiende vereisten (volgens welke niet uitdrukkelijk mag worden gerefereerd aan de Lid-Staat welks wetgeving uitleggingsproblemen van communautaire bepalingen doet rijzen), de eerste vraag bevestigend dient te worden beantwoord, aangezien het in casu gaat om likeurwijnen in de zin van de definitie in punt 12 van bijlage II bij verordening nr. 337/79 van de Raad; deze produkten zijn „gelijksoortig” in de zin van artikel 95, eerste alinea, EEG-Verdrag, zodat daarop geen discriminerende belastingen mogen worden geheven;

de tweede vraag dient ontkennend te worden beantwoord, want de bestreden discriminatie valt binnen de werkingssfeer van artikel 95 EEG-Verdrag (zie in dit verband r.o. 14 van voornoemd arrest-Hansen in zaak 148/77);

met betrekking tot de derde vraag dient te worden geconcludeerd dat het aan de nationale rechterlijke instantie staat het krachtens artikel 177 door het Hof gewezen arrest derwijze toe te passen, dat de rechten van particulieren — met name betreffende terugbetaling van in strijd met communautaire voorschriften geheven en dus onverschuldigd betaalde belastingen — volledig worden beschermd, en zulks overeenkomstig de in de nationale rechtsorde geldende algemene beginselen (zie de arresten van 16 december 1976, blz. 1989 en 2043);

de vierde vraag bevestigend moet worden beantwoord;

gezien het antwoord op de tweede vraag de vijfde vraag zonder belang is.

Foglia wijst er vooreerst op, dat het gevraagde uitleggingsarrest en de gevolgen daarvan voor de rechtmatigheid van de betaalde belasting, voor hem in geen geval nadelige gevolgen kunnen hebben. Er zijn twee mogelijkheden denkbaar, ofwel is de belasting rechtmatig geheven, in welk geval Novello ze aan Foglia moet terugbetalen; ofwel was de belasting onwettig en dan komt zij ten laste van het expeditiebedrijf Danzas, dat zo onvoorzichtig is geweest ze te betalen. Of liever, in clic laatste geval kan Danzas van de Franse belastingdiensten terugbetaling van de heffing vragen en, bij weigering, in rechte het onverschuldigd betaalde terugvorderen.

Met betrekking tot de eerste vraag, betoogt Foglia dat verordening nr. 337/79 ten aanzien van likeurwijn niet nader differentieert. De toepasselijke Franse wetgeving daarentegen maakt wel een discriminerend onderscheid in fiscale behandeling.

Vooreerst geldt voor „vins doux naturels” (VDN) dezelfde belastingregeling als voor wijn (verbruiksbelasting van FF I 790 per hl alcohol en accijns (droit de circulation) van FF 22,50 per hl wijn), terwijl uit andere Lid-Staten ingevoerde likeurwijn evenals gewone wijn die als „in bepaalde gebieden voortgebrachte kwaliteitswijn (vqprd)” erkend is en een alcoholgehalte heeft van meer dan 15 %, onder de minder gunstige fiscale regeling voor gedistilleerd vallen (verbruiksbelasting van FF 4270 en produkticbelasting van FF 710 per hl alcohol).

In de tweede plaats geldt voor Pineau des Charcutes (een likeurwijn met benaming van oorsprong, die evenwel niet tot de VDN behoort) en voor wijnen uit twee landen buiten de Gemeenschap, nl. port en madeira uit Portugal en muskaat van Samos uit Griekenland, een afwijkende regeling. Deze wijnen zijn immers vrijgesteld van de produkticbelasting van FF 710 per hl alcohol.

Een derde geval van ongelijke fiscale behandeling bestaat tussen de natuurlijke zoete, niet likeurige Franse vqprd-wijn waarvan het totale alcoholgehalte meer dan 15 % en niet meer dan 18 % bedraagt (bijv. Sauternes), en de natuurlijke zoete, niet likeurige Italiaanse vqprd-wijn met een zelfde alcoholgehalte die op gelijksoortige wijze wordt bereid (bijv. Moscato di Pantelleria).

Op de eerstgenoemde wijnsoorten wordt enkel de accijns op wijn van FF 22,50 per hl geheven (dit ís de algemene wijnaccijns), terwijl op de ingevoerde wijnsoorten een verbruiksbelasting van FF 4270 en een produktiebelasting van FF 710 per hl alcohol wordt toegepast. Fletzelfde onderscheid in behandeling bestaat tussen ongezoete Franse tafelwijn met een alcoholgehalte van 15 tot 17% en Italiaanse likeurwijn van bijna identieke samenstelling.

Artikel 95 EEG-Vcrdrag bestaat uit drie alinea's waarvan alleen de eerste twee in casu van belang zijn. Krachtens de eerste alinea is het de Lid-Staten verboden op produkten van overige Lid-Staten „al dan niet rechtstreeks (...) hogere binnenlandse belastingen van welke aard ook (te heffen) dan die welke, al dan niet rechtstreeks, op gelijksoortige nationale produkten worden geheven.” Krachtens de tweede alinea wordt dit verbod uitgebreid tot „binnenlandse belastingen waardoor andere produktics zijdelings worden beschermd.”

De eerste alinea van artikel 95 heeft dus een wat beperkter werkingssfeer (het gaat uitsluitend om „gelijksoortige” produkten), maar legt een zeer streng verbod op; de tweede alinea geldt voor een ruimere groep produkten en produktics en is juist daarom enkel onder welbepaalde voorwaarden van toepassing. Deze voorwaarden zijn niet uitsluitend de met de belasting beoogde bescherming en de daadwerkelijke en feitelijke concurrentie tussen, en substitueerbaarheid van de produkten. Immers, aangezien het gaat om omstandigheden waarvoor in beginsel een minder streng verbod dient te gelden dan voor de „gelijksoortige” produkten, moet in elk afzonderlijk geval worden nagegaan of de betrokken belastingen, wegens hun bedoeling of wegens de aard van de betrokken produkten, het vrije verkeer van goederen daadwerkelijk en beduidend beïnvloeden.

Dat de betrokken produkten in casu gelijksoortig zijn, blijkt al meteen uit verordening nr. 337/79. Bovendien zijn in de ogen van de verbruiker deze wijnen gelijksoortig, want de samenstelling ervan is in wezen volstrekt gelijk.

Indien daarentegen niet wordt uitgegaan van de „gelijksoortigheid”, maar van de concurrentie tussen de betrokken produkten, dient de eerder beschreven ongelijkheid in fiscale behandeling ten gunste van de Franse wijnen te berusten op overwegingen waarbij protectionisme niet voorop staat. Dat is niet het geval bij de litigieuze regeling, die juist ingegeven blijkt door het streven de nationale produktie te beschermen.

De ongelijke behandeling ten gunste van de Franse produkten (en van produkten uit derde landen) ten opzichte van produkten uit andere Lid-Staten kan ook in dit geval moeilijk anders worden verklaard dan door de bedoeling bepaalde nationale produkties te begunstigen ten nadele van uit andere Lid-Staten afkomstige produkten met strikt gelijksoortige kenmerken.

Volgens Foglia is het ontoelaatbaar dat criteria als benaming van oorsprong of kwaliteit worden gebruikt voor het toepassen van een fiscale differentiatie, te meer nu deze tot gevolg heeft dat nationale produkten met een benaming van oorsprong of van een bepaalde kwaliteit worden bevoordeeld, terwijl tegelijkertijd ingevoerde produkten die eveneens een benaming van oorsprong dragen of van bijzondere kwaliteit zijn, worden benadeeld.

Wanneer de toepassing van bedoelde fiscale regeling ertoe strekt bijna de gehele nationale produktie te steunen en ronduit te bevoordelen, dan vertoont die regeling in werkelijkheid de kenmerken van een tegen de concurrentie van ingevoerde produkten gerichte, protectionistische maatregel.

Met betrekking tot de tweede vraag merkt Foglia op, dat de derving van inkomsten ingevolge een vrijstelling van belastingen vanuit het oogpunt van de openbare financiën moet worden beschouwd als een uitgave, en dat is dan vaak praktisch hetzelfde als een steunmaatregel.

Krachtens artikel 59 van verordening nr. 337/79 zijn, „behoudens andersluidende bepalingen in deze verordening”, de artikelen 92, 93 en 94 EEG-Verdrag van toepassing op de produktie van en de handel in de betrokken produkten. Als antwoord op de gestelde vraag kan daarom een verwijzing naar het arrest van 13 maart 1979 en de conclusie in zaak 91/78 (Hansen, Jurispr. 1979, blz. 935) volstaan.

Bij de derde vraag merkt Foglia op, dat blijkens de rechtspraak van het Hof, in strijd met communautaire bepalingen door Lid-Staten geheven rechten een onwettige heffing vormen waarvan particulieren rechtens terugbetaling kunnen vorderen.

Foglia betoogt voorts dat de vierde vraag hieruit voortvloeit, dat in een bij een Italiaanse rechter aanhangige zaak tussen Italiaanse partijen de belastingregeling van een andere Lid-Staat van de Gemeenschap in het geding is.

Zo bezien kan deze vraag klaarblijkelijk slechts worden beantwoord overeenkomstig de strekking van artikel 177 EEG-Verdrag en de vaste rechtspraak van het Hof met betrekking tot de werking van krachtens dit artikel gewezen arresten.

Ongeacht de nationaliteit en de aard van de verwijzende rechterlijke instantie en de partijen in het hoofdgeding, is het arrest, krachtens artikel 177 en dus binnen de door deze bepaling omschreven bevoegdheidsgrenzen door het Hof van Justitie gewezen, volstrekt bindend ten aanzien van de beslissing in het hoofdgeding over het gestelde probleem.

De laatste vraag heeft betrekking op de hypothese dat de in de vorm van verlaging of vrijstelling van belasting toegekende steun niet volgens de procedure van de voornoemde artikelen 92, 93 en 94 EEG-Verdrag verenigbaar is verklaard met het gemeenschapsrecht.

Zich baserend op het arrest van 22 maart 1977 (zaak 78/76, Steinike, Jurispr. 1977, blz. 595), betoogt Foglia dat particulieren de verenigbaarheid van een steunmaatregel met het gemeenschapsrecht voor de nationale rechter kunnen betwisten mits de bedoelde bepalingen van artikel 92 zijn uitgewerkt in handelingen van algemene strekking als bedoeld in artikel 94, of, in bepaalde casusposities, in besluiten als bedoeld in artikel 93, lid 2.

Novello, verweerster in het hoofdgeding, maakt een zelfde analyse als verzoeker van de beweerde discriminatie.

Zij betoogt dat de „vins doux naturels” met alcohol versterkte likeurwijn zijn. Deze opvatting wordt volgens haar door de Franse rechtspraak bevestigd.

De Franse belastingregeling wordt gekenmerkt door een bevoorrechting van de nationale produktie door middel van selectieve vrijstellingen of verminderingen van de verbruiks- en de produktiebelasting.

Vooreerst moet worden nagegaan of het criterium van de benaming van oorsprong, en dat van de bijzondere kwaliteit van uitsluitend in bepaalde gebieden voortgebrachte wijn bij de vaststelling van de belasting discriminerend werken.

Volgens Novello kent de Franse belastingregeling op grond van uitsluitend formele kenmerken de Franse likeurwijnen een zogenaamd eigen en van andere wijnsoorten verschillende aard toe. Op basis van deze formeel verschillende aard worden de betrokken wijnen dan ingedeeld in een bijzondere subgroep van net belastingtarief, waardoor de „gelijksoortigheid” of gelijkheid van de produkten, met andere woorden de in de geldende gemeenschapsregeling gestelde voorwaarde voor gelijke behandeling, kunstmatig wordt weggenomen. Novello verwijst in dit verband naar de zaken 148/77 (Hansen, Jurispr. 1978, blz. 1787, r. o. 20) en 91/78 (Flansen, reeds aangehaald).

Bovendien vormen de litigieuze maatregelen klaarblijkelijk een overheidssteun in de vorm van een aanmoedigingssubsidie ten gunste van uitsluitend een welbepaalde Franse produktie. Uit voorgenoemd arrest in zaak 148/77 blijkt nu juist dat de bescherming die een Lid-Staat aan een produkt toekent met behulp van een zeer precieze omschrijving van het produkt en door het toekennen van een louter formele eigenheid, niet mag dienen om gelijksoortige produkten uit andere Lid-Staten de mogelijkheid te ontzeggen om onder gelijke voorwaarden een deel van de betrokken markt te veroveren.

De Franse regering wijst erop dat Italiaanse wijnen met een hoog, niet door toevoeging van alcohol verkregen alcoholgehalte noch aan de communautaire, noch aan de Franse definitie van wijn beantwoorden wanneer dat gehalte 15 % overschrijdt. Zij kunnen mitsdien niet als wijn worden beschouwd, maar dienen, aangezien zij rechtstreeks concurreren met andere met alcohol versterkte dranken, onder dezelfde fiscale regeling als deze dranken te vallen, zodat deze regeling onder andere ook op likeurwijn van toepassing is.

Op likeurwijn wordt in Frankrijk een verbruiksbelasting en een produktiebelas-, ting geheven. Op Franse likeurwijnen met een gecontroleerde benaming van oorsprong evenwel, alsmede op sommige krachtens akkoorden daarmee gelijkgestelde buitenlandse likeurwijnen (port, madeira, Samos) wordt uitsluitend een verbruiksbelasting geheven.

Deze mildere belastingregeling is ingegeven door het streven gelijke concurrentievoorwaarden te handhaven tussen enerzijds produkten zonder bijzondere kwaliteiten, waarvoor slechts een minimum aan voorschriften geldt, en anderzijds produkten waarvan de kwaliteit wordt gewaarborgd door de oorsprong en strenge prod uktievoorschrif ten, en waarvan de kostprijs ook hoger ligt..

De zeer brede definitie van likeurwijn in de gemeenschapsregeling, die produkten omvat waarvan de kwaliteit, de produktievoorwaarden en de smaakkenmerken sterk uiteenlopen, kan juist wegens haar algemeenheid niet op bevredigende wijze een gelijke fiscale behandeling waarborgen.

De Franse regering wijst er in dit verband nog op, dat tot nog toe geen enkele likeurwijn uit de Gemeenschap onder de regeling voor likeurwijn met gecontroleerde benaming van oorsprong valt, omdat internationale overeenkomsten waarbij likeurwijnen met deze categorie worden gelijkgesteld, ontbreken. Frankrijk heeft zich echter altijd al bereid yerldaard de gunstige regeling uit te breiden tot likeurwijnen van andere Lid-Staten, op voorwaarde dat die landen op gelijkstelling aanspraak kunnen maken door aan te tonen dat hun produktievoorwaarden — wijnstrokrassen, omschrijving van het produktieareaal, opbrengst per ha — en hun toezicht met de Franse vergelijkbaar zijn.

De Franse regering wijst er nog op, dat de bij de belastingwet van 1977 ingestelde verlaging van de verbruiksbelasting op likeurwijn met gecontroleerde benaming van herkomst, in de belastingwet van 1979 is opgeheven.

Uit deze opmerkingen moet blijken dat de Franse belastingregeling voor likeurwijn met gecontroleerde benaming niet strijdig is met artikel 95 EEG-Verdrag.

Met betrekking tot de „vins doux naturels” herinnert de Franse regering aan het standpunt van de Commissie, die gemeend heeft dat de gunstige belastingregeling voor „vins doux naturels” een steunmaatregel is die aan de toepassing van artikel 95 ontsnapt, maar die, volgens de Commissie, onder artikel 93, lid 1, EEG-Verdrag valt (antwoord van de Commissie op schriftelijke vraag nr. 78/69 van de heer Vredeling, PB 1969, C 102, blz. 2).

Terzake merkt de Franse regering nog op, dat de bepalingen van het Verdrag betreffende de steunmaatregelen ten behoeve van particulieren geen rechten scheppen waarvan de naleving door de nationale rechters moet worden gewaarborgd.

De „vins doux naturels” worden zeer nauwkeurig gedefinieerd in artikel 416 van de Code général des impôts. Volgens deze bepaling wordt „vin doux naturel” bereid uit most van vier welbepaalde wijnstokrassen met een opbrengst die in geen geval het maximum van 40 hl per ha mag overschrijden; de wijn moet een alcoholgehalte hebben van tenminste 14 graden en moet niet minder dan 5 en ten hoogste 10 volumepercenten bijgevoegde alcohol bevatten. De daadwerkelijk bereikte gemiddelde opbrengst varieert van 25 tot 30 hl per ha.

Daardoor verschilt de produktie van „vin doux naturel” wezenlijk van de wijnproduktie op industriële schaal, waarbij de opbrengst 150 hl per ha kan bereiken.

De Franse regering betoogt dat haar vertegenwoordiging in de Groep wijn bij de Raad in 1978 heeft voorgesteld het eerder beschreven onderscheid tussen wijnen ook in de accijnsregeling voor alcohol toe te passen. Over dit voorstel hebben de juridische diensten van de Commissie en de Raad een advies uitgebracht, waarin werd gezegd dat een dergelijke regeling enkel onder de navolgende voorwaarden verenigbaar zou zijn met artikel 95 EEG-Verdrag:

zij moet berusten op een communautaire regeling, waarbij de betrokken produkten in een afzonderlijke categorie worden ingedeeld op grond van kenmerken waaruit duidelijk blijkt dat de produkten verschillen van andere sterke dranken op basis van wijn;

deze categorie mag niet uitsluitend Franse produkten omvatten, en verder blijft de toepassing van de regeling vanzelfsprekend onderworpen aan de beoordeling van het Hof van Justitie.

III — Mondelinge behandeling

Ter terechtzitting van 12 december 1979 zijn mondelinge opmerkingen gemaakt door verzoeker in het hoofdgeding, te dezen vertegenwoordigd door G. Motzo, advocaat te Rome; de regering van de Franse Republiek, te dezen vertegenwoordigd door N. Museux als gemachtigde; en de Commissie van de Europese Gemeenschappen, te dezen vertegenwoordigd door A. Abate als gemachtigde.

De advocaatgeneraal heeft ter terechtzitting van 23 januari 1980 conclusie genomen.

In rechte

1.

Bij beschikking van 6 juni 1979, ingekomen ten Hove op 29 juni daaropvolgende heeft de Pretore te Bra krachtens artikel 177 EEG-Verdrag vijf vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 92, 95 en 177 EEG-Verdrag.

2.

Het bij de Pretore aanhangige geding heeft betrekking op de verzendkosten die verzoeker Foglia, wijnhandelaar te Santa Vittoria d'Alba in de provincie Cuneo, Piemont, Italie, heeft gemaakt voor de verzending naar Menton (Frankrijk) van enige dozen Italiaanse likeurwijn die hij had verkocht aan verweerster Novello.

3.

Blijkens het dossier was in de verkoopovereenkomst tussen Foglia en Novello bepaald dat belastingen die eventueel door de Italiaanse of Franse autoriteiten zouden worden geheven en die in strijd met de regeling van het vrije verkeer van goederen tussen beide landen, althans onverschuldigd waren, niet voor rekening van Novello zouden komen. Foglia deed een gelijksoortige clausule opnemen in zijn overeenkomst met Danzas, de onderneming die hij met het transport van de likeurwijn naar Menton belastte; volgens deze clausule zouden die onwettige of onverschuldigde belastingen niet ten laste van Foglia komen.

4.

In de verwijzingsbeschikking wordt vastgesteld dat het geding enkel betrekking heeft op het bedrag dat bij de invoer van de likeurwijn in Frankrijk ter zake van verbruiksbelasting is betaald. Blijkens het dossier en hetgeen terzake voor het Hof van Justitie is gesteld, heeft Danzas de verbruiksbelasting zonder protest of bezwaar aan de Franse administratie betaald; was het betrokken bedrag opgevoerd op de door Danzas aan Foglia aangeboden en door deze voldane factuur voor verzendkosten; en heeft Novello geweigerd dit bedrag aan Foglia terug te betalen onder verwijzing naar de uitdrukkelijke clausule van het verkoopcontract betreffende onwettige of onverschuldigde belastingen.

5.

De door Novello aangevoerde weren zijn door de Pretore aldus opgevat, dat zij de geldigheid van de Franse wettelijke regeling betreffende de verbruiksbelasting op likeurwijn in geding stellen, zulks gelet op artikel 95 EEG-Verdrag.

6.

De houding van Foglia in het bij de Pretore aanhangige geding kan als neutraal worden bestempeld. Foglia heeft immers aangevoerd dat het bedrag van de Franse verbruiksbelasting in geen geval te zijnen laste kon komen, want ofwel was die belasting wettig geheven, en dan diende Novello ervoor op te komen, ofwel was zij onwettig en dan moest Danzas betalen.

7.

Mitsdien verzocht Foglia de nationale rechter, het debat te verruimen en Danzas als derde belanghebbende in het geding te roepen. De rechter overwoog evenwel dat, vooraleer hij op dit verzoek kon beslissen, de vraag moest worden beantwoord of de heffing van de door Danzas betaalde verbruiksbelasting al dan niet strookte met de bepalingen van het EEG-Verdrag.

8.

Partijen in het hoofdgeding hebben de Pretore een aantal stukken overgelegd die hem in staat stelden de Franse belastingregeling voor likeurwijn en vergelijkbare produkten te onderzoeken. De rechter kwam tot de conclusie dat die regeling een „ernstige discriminatie” inhield ten nadele van Italiaanse likeurwijnen en Italiaanse wijnen met een natuurlijk hoog alcoholgehalte, als gevolg van de bijzondere regeling voor Franse likeurwijnen die bekend staan als „vins doux naturels”, en een fiscale bevoordeling van sommige Franse wijnen met een natuurlijk hoog alcoholgehalte, die een benaming van oorsprong dragen. Op basis van deze bevinding heeft de rechter de aan het Hof voorgelegde vragen geformuleerd.

9.

In hun bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen hebben partijen in het hoofdgeding een in hoofdzaak identieke beschrijving gegeven van de fiscale discriminatie in de Franse belastingregeling voor likeurwijnen. Beide partijen zijn van mening dat deze regeling onverenigbaar is met het gemeenschapsrecht. Ter terechtzitting heeft Foglia te kennen gegeven dat de reden van zijn deelneming aan de procedure voor het Hof hierin is gelegen, dat hij als individuele ondernemer en als lid van een bepaalde Italiaanse bedrijfstak belang heeft bij de oplossing van de tijdens het geding gerezen rechtsvragen.

10.

Partijen in het hoofdgeding blijken dus uit te zijn op een veroordeling van de Franse belastingregeling voor likeurwijn via een procedure voor een Italiaanse rechter tussen twee particulieren die het eens zijn over het te bereiken resultaat en die in hun overeenkomst een clausule hebben opgenomen die bedoeld is om de Italiaanse rechter tot een uitspraak op dat punt te brengen. Het kunstmatige karakter van deze constructie treedt nog duidelijker aan de dag doordat Danzas de rechtsmiddelen die het Franse recht tegen de oplegging van de verbruiksbelasting biedt, onbenut heeft gelaten, hoewel deze onderneming, gezien de contractuele clausule waardoor ook zij gebonden was, er alle belang bij had daarvan wel gebruik te maken, en doordat Foglia de rekening van Danzas, waarop het bedrag van de betaalde belasting was opgevoerd, zonder morren heeft voldaan.

11.

De taak die het Hof van Justitie bij artikel 177 EEG-Verdrag is opgedragen, bestaat erin de rechterlijke instanties van de Gemeenschap de gegevens voor de uitlegging van het gemeenschapsrecht te verschaffen, die zij nodig hebben voor de oplossing van echte geschillen waarvan zij kennis nemen. Zo men het Hof door middel van constructies als hiervoor beschreven, zou kunnen dwingen een uitspraak te doen, zou het gehele stelsel van rechtsmiddelen waarover de particulieren beschikken om zich te beschermen tegen de toepassing van met de verdragsbepalingen strijdige belastingwetten, in het gedrang worden gebracht.

12.

Hieruit volgt dat de door de nationale rechter gestelde vragen, gelet op de omstandigheden van de onderhavige zaak, niet vallen binnen het kader van de rechterlijke taak die het Hof van Justitie krachtens artikel 177 EEG-Verdrag heeft te vervullen.

13.

Het Hof van Justitie is mitsdien niet bevoegd uitspraak te doen over de dooide nationale rechter gestelde vragen.

Kosten

14.

De kosten door de regering van de Franse Republiek en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.

Dictum

HET HOF VAN JUSTITIE,

uitspraak doende op de door de Pretore te Bra bij beschikking van 6 juni 1979 gestelde vragen, verklaart voor recht:

Het Hof van Justitie is niet bevoegd uitspraak te doen op de door de nationale rechter gestelde vragen.

Voetnoten

  • 1De zogenaamde „vins doux naturels” vallen onder de belastingregeling voor wijn (de aecijns is erg laag, FF 22,50 per hl wijn als dusdanig, ongeacht het alcoholgehalte).

Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt

Aangehaalde teksten

7
EEG-Verdrag art. 957 voorkomens
EEG-Verdrag art. 1776 voorkomens
EEG-Verdrag art. 925 voorkomens
EEG-Verdrag art. 933 voorkomens
EEG-Verdrag art. 942 voorkomens
EEG-Verdrag art. 1691 voorkomen
verordening 337/79 art. 591 voorkomen

Rechtspraak

1

Europese Unie

1

Conclusie van advocaat-generaal TesauroC-408/9527.05.1997

Zesde richtlijn 77/388 art. 28duodecies, richtlijn 92/12 art. 28

Bekijk het document

Rechtsleer

17
Bebr, Gerhard: Tatsächlicher Rechtsstreit als unabdingbare Voraussetzung der Zulässigkeit einer Vorlage gem. Art. 177 EWGV?, Europarecht 1980 p.244-245 + p.247-257 (DE)
Bebr, Gerhard: The Existence of a Genuine Dispute: An Indispensable Precondition for the Jurisdiction of the Court under Article 177 EEC Treaty?, Common Market Law Review 1980, Volume 17, Issue 4, p. 525-537 (EN)
Tizzano, Antonio: Controversie fittizie e competenza pregiudiziale della Corte comunitaria, Il Foro italiano 1980 IV Col.256-262 (IT)
Schermers, H.G.: Ars aequi 1980 p.796-800 (NL)
Barav, Ami: Preliminary Censorship? The Judgment of the European Court in Foglia v. Novello, European Law Review 1980, p. 443-468 (EN)
Bekijk de 12 andere verwijzingen
Marzano, Arturo: L'art. 177 del Trattato CEE e la "competenza" della Corte di giustizia delle Comunità europee, Rassegna Avvocatura dello Stato 1980 I Sez.II p.521-525 (IT)
Bebr, Gerhard: La réalité du litige constitue-t-elle une condition essentielle à la recevabilité d'un renvoi au titre de l'article 177 du traité C.E.E ?, Europarecht 1980, p.1-20 (FR)
Tizzano, Antonio: Litiges fictifs et compétence préjudicielle de la Cour de justice européenne, Revue générale de droit international public 1981 p.514-528 (FR)
Van Nuffel, Pieter: De taak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen, Rechtskundig weekblad 1980-81 Col.1247-1252 (NL)
Audretsch, H.A.H.: Storm in een glas water? Enige kanttekeningen bij het arrest in de zaak 104/79, Foglia v. Novello, S.E.W. ; Sociaal-economische wetgeving 1981 p.390-396 (NL)
Evans, A.: The European Court of Justice in Retreat?, The Journal of the Law Society of Scotland 1981 p.257-258 (EN)
X: Het Foglia/Novello-arrest van het Hof van Justitie, In- en uitvoer nieuws 1981 p.834-840 (NL)
Scarpa, Riccardo: Interpretazione ed applicazione della norma comunitaria nel riparto tra giurisdizione della Corte di giustizia e del giudice nazionale, Giustizia civile 1982 I p.568-569 (IT)
Damato, Antonietta: Il giudizio della corte di giustizia delle Comunità europee sulle questioni pregiudiziali alla luce delle sentenze sul caso Foglia-Novello, Rivista di diritto internazionale 1984 p.66-81 (IT)
Lipstein, Kurt: Foglia v. Novello. Some Unexplored Aspects, Du droit international au droit de l'intégration. Liber amicorum Pierre Pescatore (Ed. Nomos Verlagsgesellschaft - Baden-Baden) 1987 p.373-385 (EN)
Audretsch, H.A.H.: Storm in een glas water? Enige kanttekeningen bij het arrest in de zaak 104/79, Foglia v. Novello, Annotaties Hof van Justitie EG (Ed. W.E.J. Tjeenk Willink - Zwolle) 1995 p.475-481 (NL)
Banu, Mihai: Limitele competenţei Curții privind întrebǎrile preliminare. Litigiu naţional fictiv, Revista română de drept al afacerilor 2010 nº 02 p.137-153 (RO)