ARREST
I — Voorgeschiedenis en voorwerp van het geding
Partijen in de onderhavige gedingen zijn een aantal verzekeringsmaatschappijen enerzijds en een aantal weduwen anderzijds. De fungerend-voorzitter van de Centrale Raad van Beroep stelt onder meer het volgende:
„Aan alle vorengenoemde weduwen is een weduwenpensioen toegekend krachtens de Nederlandse Algemene Weduwen- en Wezenwet, evenwel niel ter hoogte van het normale bedrag, maar het weduwenpensioen is vastgesteld op een lager bedrag, en wel op grond dat aan de weduwen tevens een weduwen-rente was toegekend krachtens de Duitse renteverzekering. De genoemde Nederlandse uitvoeringsorganen menen tot de door hen toegepaste berekening van het pensioen gerechtigd en verplicht te zijn krachtens artikel 28 van de Verordening no. 3 (verder aan te duiden als: de Verordening). Van de kant der weduwen is ontkend dat deze bepaling in hun geval van toepassing zou zijn.
…”
In aansluiting hierop stelt de fungerend-voorzitter namens de Centrale Raad de volgende vragen:
Moeten de artikelen 1 onder b, 2 lid 1, aanhef en onder d, en 3 der Verordening zo worden uitgelegd, dat onder de aldaar bedoelde „wettelijke regelingen” ook is begrepen de Algemene Weduwen- en Wezenwet, hoewel deze wet tot stand is gekomen na de vaststelling der Verordening en een mededeling als bedoeld in het 2e lid van genoemd artikel 3 niet heeft plaatsgehad?
2) Bij bevestigende beantwoording der le vraag: Is artikel 28, lid 1, aanhef en onder b, der Verordening van toepassing voor de vaststelling van het bedrag van het weduwenpensioen volgens de Algemene Weduwen- en Wezenwet ook als het niet gaat over „het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op uitkeringen”, waarvan sprake is in artikel 27 lid 1 der Verordening, en voorts hoewel volgens de in de Algemene Weduwen- en Wezenwet vervatte regeling het bedrag van het weduwenpensioen niet afhankelijk is van de duur van de verzekering?
3) Bij bevestigende beantwoording ook der 2e vraag: Mogen, als het gaat om een weduwenpensioen krachtens de Algemene Weduwen- en Wezenwet, bij de toepassing van artikel 28, lid 1, onder b, der Verordening als tijdvakken van verzekering mede worden aangemerkt tijdvakken van verzekering ingevolge de Nederlandse Invaliditeitswet?
4) Heeft artikel 28, lid 1, onder g, der Verordening, sprekend over „uitkeringen welke reeds waren vastgesteld” alleen het oog op uitkeringen, welke reeds waren vastgesteld op 1 januari 1959, toen de Verordening in werking trad?”;
II — Procedure
Het verzoek van de Centrale Raad van Beroep is op 12 november 1963 ter Griffie van het Hof ingekomen.
Krachtens artikel 20 van het Protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie van de E.E.G. zijn schriftelijke opmerkingen ingediend door:
—de Raad van de E.E.G.;
—de Commissie van de E.E.G.;
—namens partijen in de hoofdzaak: eiseres Kalsbeek-van der Veen, de Sociale Verzekeringsbank, gedaagde Van Doeland-Laux en gedaagde Molenaar-Flensburg.
De mondelinge behandeling vond plaats op 12 mei 1964.
Ter zitting van 4 juni 1964 heeft de Advocaat-Generaal zijn conclusie voorgedragen;
III — Korte samenvatting van de ingevolge artikel 20, lid 2, van het Protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie van de E.E.G. ingediende opmerkingen
De Raad van de E.E.G. bespreekt slechts de vragen 2 en 3 van de Centrale Raad. De Raad wijst er op, dat de Verordening no. 3 is aangevuld bij Verordening no. 130-63-E.E.G. van de Raad (Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen van 28 december 1963, blz. 2996 v.); artikel 7 van deze verordening stelt bepalingen vast die door de Nederlandse organen bij de toepassing van de artikelen 27 en 28 van de Verordening no. 3 in acht genomen moeten worden.
Het genoemde artikel 7 bepaalt, dat de wijzigingen die het aanbrengt, op 1 januari 1959 van kracht worden. Het is evenwel niet de bedoeling van de Raad hierdoor „in te grijpen in de geschillen die thans het onderwerp uitmaken van de zaak 100-63 en die rechten van belanghebbenden betreffen welke reeds voor het tijdstip van inwerkingtreding van Verordening no. 130-63 bestonden”.
De Commissie van de E.E.G. stelt het volgende:
Ad vraag 1
Het antwoord op deze vraag moet bevestigend luiden.
Volgens artikel 1 (b) jo artikel 2, lid 1 (d) van de Verordening no. 3 is deze van toepassing op alle „bestaande en toekomstige” voorschriften van de Lid-Staten, die betrekking hebben op „uitkeringen aan nagelaten betrekkingen”. Zij geldt derhalve ook voor de Algemene Weduwen- en Wezenwet (A.W.W.), ongeacht het feit dat deze eerst na de Verordening no. 3 in werking is getreden.
Het is irrelevant of met betrekking tot de A.W.W. een mededeling is gedaan. Bijlage B van de Verordening — die een lijst bevat van de ten tijde van de inwerkingtreding van de Verordening geldende wettelijke regelingen van de Lid-Staten inzake sociale verzekering — heeft slechts „declaratoire waarde”. Elk voorschrift van nationaal recht, dat de in de Verordening genoemde materie regelt valt derhalve bij zijn inwerkingtreding ipso jure onder het toepassingsgebied van de Verordening. Indien het tegendeel zou worden aangenomen, zouden de Lid-Staten vrijelijk het toepassingsgebied van de Verordening kunnen bepalen.
Subsidiair voert de Commissie nog aan, dat Nederland niet verplicht was, ingevolge artikel 3, lid 2 van de Verordening mededeling te doen van de A.W.W. Mededeling is alleen voorgeschreven voor die wettelijke regelingen, die een wijziging van Bijlage B noodzakelijk maken. Dit geldt niet voor de A.W.W., aangezien de daarin geregelde materie reeds is begrepen onder de uitdrukking „verzekering inzake vroegtijdig overlijden”.
De Verordening no. 130-63 van de Raad van de E.E.G. sluit bovendien iedere twijfel uit. Artikel 7 van deze Verordening gaat er van uit, dat de Verordening no. 3 ook geldt voor de A.W.W.
Ad vraag 2
Ook het antwoord op deze vraag moet bevestigend luiden.
1. De artikelen 27 en 28 van de Verordening no. 3 bevatten voornamelijk twee voorschriften, die niet noodzakelijk met elkaar verband houden: Voor het geval de wetgeving van een Lid-Staat het toekennen van pensioen afhankelijk stelt van een minimum-tijdvak van verzekering, bepaalt artikel 27, dat bij de berekening van dit tijdvak ook de tijdvakken in aanmerking worden genomen, die krachtens de wettelijke regelingen van de andere Lid-Staten zijn vervuld. Dit artikel is derhalve slechts dan van praktisch belang, wanneer de verzekerde volgens het recht van de betrokken Staat zonder deze samentelling geen recht op pensioen zou hebben. Artikel 28, lid 1 (b) regelt daarentegen de berekening van de omvang van het verschuldigde pensioen. Deze bepaling is steeds van toepassing, wanneer de verzekerde achtereenvolgens of afwisselend aan de wettelijke regeling van twee of meer Lid-Staten onderworpen is geweest. In artikel 28, lid 1 wordt met de woorden „een verzekerde als bedoeld in artikel 27” niet gedoeld op de materiële inhoud van artikel 27, doch op de in dat artikel neergelegde definitie van de verzekerde („wanneer een verzekerde … aan de wettelijke regeling van twee of meer Lid-Staten onderworpen is geweest”). Toepassing van artikel 28, lid 1 (b) „staat dus los van de noodzaak een beroep te doen op artikel 27, lid 1, ten einde het recht op pensioen te doen ontstaan”.
2. Weliswaar is bij de redactie van artikel 28 uitgegaan van nationale regelingen, waarbij het bedrag van het pensioen afhankelijk is van de duur van de tijdvakken van verzekering, zodat dit artikel niet geheel past op een wet als de A.W.W., die een risicoverzekering in het leven roept en waarbij derhalve de genoemde duur niet van invloed is op het pensioenbedrag. Niettemin geldt de ratio van het artikel ook hier, daar het niet billijk zou zijn indien de Staat, die een risicoverzekering heeft ingevoerd, de totale pensioenlasten zou dragen. Het is overigens niet juist, zoals sommige partijen in de onderhavige gedingen stellen, dat de A.W.W. geen „tijdvakken van verzekering” kent. Onder verwijzing naar de omschrijving van dit begrip in artikel 1 (p) van de Verordening no. 3 stelt de Commissie, dat de tijdvakken van premiebetaling voor de A.W.W. weliswaar bij de berekening van het pensioen niet „in aanmerking genomen” worden, doch in deze wet wel in zoverre worden „gedefinieerd”, dat daarin bepaald is „onder welke voorwaarden men verzekerd is en gedurende hoeveel tijd men gehouden is de premiën te betalen”. De proportionele verdeling van de lasten over de organen van de verschillende landen is in overeenstemming met een van de doelstellingen van de Verordening no. 3, nl. cumulatie van uitkeringen over dezelfde tijdvakken te voorkomen.
3. Overigens blijkt thans duidelijk uit artikel 7 van Verordening no. 130-63, dat de Nederlandse organen verplicht zijn een pensioen toe te kennen, dat in overeenstemming is met de duur van de verzekering van de betrokkene volgens de Invaliditeitswet (tot 1 oktober 1959), resp. volgens de A.W.W. (sedert 1 oktober 1959): de in artikel 7, lid 1 (b) voorgeschreven gelijkstelling met „tijdvakken van verzekering”, welke volgens de A.W.W. zijn vervuld, heeft slechts zin indien deze tijdvakken „bij de bepaling van het bedrag van de verschuldigde uitkering krachtens de A.W.W.” in aanmerking moeten worden genomen.
Ad vraag 3
Het antwoord op deze vraag kan niet anders dan bevestigend luiden, gezien artikel 7 van de Verordening no. 130-63.
Ad vraag 4
Deze vraag dient ontkennend te worden beantwoord.
De herziening, waarvan in artikel 28, lid 1 (g) sprake is, komt slechts aan de orde wanneer eerst de alinea's (e) en (f) zijn toegepast. Deze alinea's bevatten geen tijdslimiet. Zij gaan ervan uit, dat een verzekerde „op een bepaald tijdstip” niet aan de voorwaarden voldoet, die door alle op hem van toepassing zijnde wettelijke regelingen worden gesteld, hetzij met (e), hetzij zonder samentelling (f). Alinea (g) bepaalt nu, dat tot herziening wordt overgegaan, „naar gelang” aan deze voorwaarden is voldaan; het pensioen wordt dan berekend naar de gewone regel van alinea (b).
Eiseres Kalsbeek-van der Veen verklaart het volgende:
Inderdaad is in bijlage B van de verordening voor Nederland vermeld: „de verzekering inzake vroegtijdig overlijden, met inbegrip van de bijslagen”. De toevoeging „met inbegrip van de bijslagen” alsmede „het geheel van de opzet en formulering van de onder Nederland vermelde wettelijke regelingen als bedoeld in bijlage B” is echter grond om aan te nemen, dat hiermede niet de A.W.W., doch alleen de Invaliditeitswet wordt bedoeld.
Nederland had derhalve overeenkomstig artikel 54, lid 1 van de verordening mededeling moeten doen van de wijziging van Bijlage B, die door de A.W.W. noodzakelijk was geworden. Deze mededeling is echter, voor zover eiseres bekend is, achterwege gebleven. De verordening kan daarom in het onderhavige geval geen toepassing vinden.
Andere overwegingen leiden tot dezelfde conclusie. De verordening beoogt de bescherming der werknemers te dienen. Toepassing in het onderhavige geval zou echter tot een met dit doel onverenigbare beperking van de pensioenaanspraken leiden.
Ook al zou de verordening overigens van toepassing zijn, dan zou in het onderhavige geval toch geen gebruik mogen worden gemaakt van de proportionele berekeningswijze ex artikel 28. Het pensioen, dat ingevolge de A.W.W. aan eiseres is toegekend, berust niet op artikel 27, omdat de A.W.W. een risicoverzekering bevat en het recht op weduwenpensioen ingevolge deze wet niet afhankelijk is van bepaalde verzekeringstijdvakken.
Doch ook al zou artikel 28 van toepassing zijn, dan moet toch bezwaar gemaakt worden tegen de berekeningsmethode die de Sociale Verzekeringsbank (gedaagde) heeft gevolgd, door nl. de verzekeringsduur volgens de Invaliditeitswet en volgens de A.W.W. bij elkaar op te tellen. De regelingen van beide wetten zijn „onvergelijkbare grootheden”. In werkelijkheid moet voor de Nederlandse verzekering worden uitgegaan van een verzekeringsduur van 50 jaar — de fictieve verzekeringsduur in gevolge de A.W.W. — minus de verzekeringsduur in Duitsland. „Het weduwenpensioen zelf is niet van een verzekeringsduur afhankelijk, zodat een consequente toepassing moet leiden tot het in acht nemen van het geheel van de fictieve premiebetalingsperiode.”
De Sociale Verzekeringsbank stelt het volgende:
Ad vraag 1 en 2
Deze vragen moeten in bevestigende zin worden beantwoord.
Ad vraag 3
Deze vraag heeft inmiddels haar beantwoording gevonden in artikel 7 van Verordening no. 130-63 van de Raad van de E.E.G.
Ad vraag 4
Volgens de bewoordingen van artikel 28, lid 1 (g) van de Verordening no. 3 kan „van een voldoen aan de daar bedoelde voorwaarden uiteraard eerst op of na 1 januari 1959 sprake … zijn”. Alinea (g) heeft het oog op uitkeringen, welke op of na 1 januari 1959 zijn vastgesteld.
Gedaagden Van Doeland-Laux en Molenaar-Flensburg verklaren:
Ad vraag 1
Gedaagden refereren zich aan het oordeel van het Hof.
Ad vraag 2
Artikel 28 van de Verordening no. 3 is slechts van toepassing, indien rechten worden verkregen, behouden of hersteld, zoals bedoeld in artikel 27. Een andere interpretatie zal ertoe leiden dat een werknemer, die in twee of meer Lid-Staten heeft gewerkt, wordt achtergesteld bij degeen, die in Nederland en een ander land, dat niet een Lid-Staat is, heeft gewerkt: de weduwe van een dergelijke werknemer zal het volledige pensioen krachtens de A.W.W. naast het haar toekomende pensioen uit het andere land ontvangen, terwijl de hier verworpen opvatting tot gevolg heeft, dat de weduwe noch volgens de A.W.W. noch volgens de wettelijke regeling van de andere Lid-Staat het volledige pensioen ontvangt.
De in casu verdedigde opvatting werkt daarentegen slechts ten voordele van de werknemers, die in een of meer van de Lid-Staten, waar zij gewerkt hebben, geen zelfstandige pensioenrechten hebben opgebouwd; in dat geval kan juist door toepassing van artikel 28 uitkering worden verkregen.
Artikel 28 dient om te verhinderen, dat „tijdvakken verloren gaan”. Dit is echter niet het geval, wanneer in de Lid-Staten, waarin de verzekerde heeft gewerkt, een zelfstandig recht op pensioen bestaat; dan behoeft ook geen samentelling plaats te vinden.
Artikel 28 is in het onderhavige geval ook daarom niet van toepassing, omdat het bij de A.W.W. niet gaat om een wettelijke regeling, gebaseerd op tijdvakken van verzekering.
Ad vraag 3
Uit geen wetsvoorschrift blijkt, dat verzekeringstijdvakken voor de Invaliditeitswet als verzekeringstijdvakken voor de A.W.W. moeten worden beschouwd.
De Centrale Raad van Beroep heeft de vraag niet juist gesteld. In de vraag wordt nl. gesproken over „tijdvakken van verzekering tengevolge van de Nederlandse Invaliditeitswet”. Daarbij wordt evenwel over het hoofd gezien, dat deze wet onderscheid maakt tussen premietijdvakken en verzekeringstijdvakken. De verzekering blijft ook dan bestaan, indien over bepaalde perioden geen premie is betaald; de hoogte van de betaalde premies is slechts van invloed op de hoogte van de uitkering.
De vraag had derhalve moeten luiden: „mogen, als het gaat om een weduwenpensioen krachtens de Algemene Weduwen- en Wezenwet, bij de toepassing van artikel 28, lid 1, onder b der verordening als tijdvakken van verzekering mede worden aangemerkt premietijdvakken ingevolge de Nederlandse Invaliditeitswet?”
Ook deze vraag dient ontkennend te worden beantwoord. Bij de verzekering krachtens de Invaliditeitswet kan de premie ook op vrijwillige basis worden doorbetaald. Het zou in strijd zijn met het rechtskarakter van de verzekering ingevolge de A.W.W. — een risicoverzekering, die aan ieder een gelijke uitkering verstrekt — indien de doorbetaling tevens gevolgen zou hebben voor de hoogte van de op grond van de A.W.W. te betalen pensioenen;
TEN AANZIEN VAN HET RECHT
Overwegende dat de Centrale Raad van Beroep een verzoek tot uitlegging, op grond van artikel 177 E.G.G.-Verdrag, tot het Hof heeft gericht;
dat dit verzoek in hoofdzaak strekt tot vaststelling of een aantal bepalingen van een Gemeenschapsverordening van toepassing is op een bepaalde Nederlandse wet, namelijk de Algemene Weduwen- en Wezenwet;
dat volgens artikel 177 het Hof zich bij prejudiciële uitspraak slechts kan uiten over de uitlegging van het Verdrag en door de instellingen der Gemeenschap verrichte handelingen, doch niet bevoegd is deze toe te passen op een concreet geval, noch op grond van dit artikel over de regelmatigheid van nationale voorschriften te beslissen;
dat het Hof zich dan ook slechts onder dit voorbehoud ten aanzien van de in casu gestelde vragen kan uitspreken;
I — Ten aanzien van de eerste vraag
Overwegende dat bij deze vraag voornoemde Raad het Hof verzoekt uit te spreken of de artikelen 1 onder b, 2, lid 1, aanhef en onder d, en 3 der Verordening no. 3, zo moeten worden uitgelegd „dat onder de aldaar bedoelde wettelijke regelingen ook is begrepen de Algemene Weduwen- en Wezenwet, hoewel deze wet tot stand is gekomen na de vaststelling der Verordening en een mededeling als bedoeld in het 2e lid van genoemd artikel 3 niet heeft plaatsgehad”;
Overwegende dat uit de door de Centrale Raad van Beroep verschafte inlichtingen blijkt, dat de Algemene Weduwen- en Wezenwet voorziet in een verzekering inzake vroegtijdig overlijden met uitkeringen aan nagelaten betrekkingen;
dat derhalve moet worden onderzocht of de Nederlandse wetgeving op dit stuk valt binnen het kader der aangehaalde voorschriften;
Overwegende dat blijkens artikel 2, lid 1, aanhef en onder d van de Verordening no. 3, deze van toepassing is „op alle wettelijke regelingen inzake: … de uitkeringen aan nagelaten betrekkingen met uitzondering van die welke ingeval van arbeidsongevallen of beroepsziekten worden verleend”;
dat de bijlage B, getiteld „Wettelijke regelingen waarop de Verordening van toepassing is”, onder letter (e) der passage, die betrekking heeft op Nederland, „de verzekering inzake vroegtijdig overlijden, met inbegrip van de bijslagen” vermeldt;
dat derhalve de verordening van toepassing is op iedere Nederlandse wettelijke regeling welke in een verzekering inzake vroegtijdig overlijden met uitkeringen aan nagelaten betrekkingen voorziet;
Overwegende dat het van toepassing zijn der Verordening no. 3 op een bepaalde wettelijke regeling niet wordt uitgesloten door de enkele omstandigheid dat deze, hoewel tot stand gekomen na de vaststelling der Verordening, niet is medegedeeld zoals voorzien in artikel 3, 2e lid, van de Verordening;
dat immers het eerste artikel onder (b) der Verordening aangeeft dat, waar deze termen „wetgeving” of „wettelijke regeling” bezigt, daaronder de bestaande en toekomstige wetten, reglementen en statutaire bepalingen van elke Lid-Staat worden verstaan;
dat deze bepaling van haar inhoud zou worden beroofd, indien het de Lid-Staten vrij zou staan om door het achterwege laten van de genoemde mededeling naar eigen goedvinden het gebied te bepalen, waarop de Verordening no. 3 van toepassing is;
dat trouwens blijkens artikel 3, 2e lid, der Verordening de mededelingsplicht slechts dan bestaat, wanneer ten gevolge van de invoering van een nieuwe wettelijke regeling in bijlage B een „wijziging” dient te worden aangebracht;
dat zulks niet het geval is, wanneer die wettelijke regeling onder een der in bedoelde bijlage voorziene rubrieken valt;
Overwegende dat uit het voorgaande volgt, dat de eerste door de Centrale Raad van Beroep gestelde vraag bevestigend moet worden beantwoord;
II — Ten aanzien van de tweede vraag
Overwegende dat de tweede door de Centrale Raad van Beroep gestelde vraag luidt op vaststelling of „artikel 28, lid 1, aanhef en onder b, der Verordening van toepassing” is „voor de vaststelling van het bedrag van het weduwenpensioen volgens de Algemene Weduwen- en Wezenwet óók als het niet gaat over „het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op uitkeringen”, waarvan sprake is in artikel 27, lid 1, der Verordening, en voorts hoewel volgens de in de Algemene Weduwen- en Wezenwet vervatte regeling het bedrag van het weduwenpensioen niet afhankelijk is van de duur van de verzekering”;
Overwegende dat blijkens artikel 28, lid 1, aanhef, de bepaling van toepassing is in de gevallen bedoeld in artikel 27;
Overwegende dat de verordeningen betreffende de sociale verzekering hun grondslag, raam en begrenzing vinden in de artikelen 48 tot en met 51 van het Verdrag welke het vrije verkeer der werknemers beogen te verzekeren;
dat volgens artikel 51 deze verordeningen de migrerende werknemers moeten waarborgen „dat, met het oog op het verkrijgen en het behoud van het recht op uitkeringen, alsmede voor de berekening daarvan, al die tijdvakken worden bijeengeteld welke door de verschillende nationale wetgevingen in aanmerking worden genomen”;
dat deze bepaling ten doel heeft de migrerende werknemer in staat te stellen recht op uitkeringen te verkrijgen door samentelling van de door hem in de verschillende Lid-Staten gewerkte tijdvakken;
dat in het licht hiervan de berekening der uitkeringen moet plaatsvinden op de grondslag van het totaal dezer tijdvakken;
dat de artikelen 27 en 28 der Verordening no. 3 aan dit doel beantwoorden;
dat zij elkander derhalve aanvullen, in hetzelfde licht moeten worden bezien en dus niet los van elkander kunnen worden toegepast;
dat, zo artikel 28 los van artikel 27 werd toegepast, daaruit in bepaalde gevallen een vermindering der rechten van de migrerende werknemer zou kunnen voortvloeien, doordat deze op grond der berekening van artikel 28 een uitkering zou verkrijgen welke lager zou zijn dan het totaal der uitkeringen waarop hij, los van de toepassing der genoemde artikelen, op grond van de wetgeving van ieder der betrokken Lid-Staten reeds aanspraak heeft;
dat het doel der artikelen 48 tot en met 51 van het Verdrag niet zou worden bereikt doch integendeel miskend, indien de werknemer, om van de hem gewaarborgde vrijheid van verkeer gebruik te maken, zich in het verlies van reeds in een der Lid-Staten verkregen rechten zou moeten schikken zonder dat daarvoor een tenminste gelijkwaardige uitkering in de plaats zou komen;
dat, zo de Staten bij de aanpassing hunner wetgevingen in het kader van artikel 100 al de mogelijkheid hebben om deze, met inachtneming der in het Verdrag en in hun nationaal recht voorziene waarborgen, zeer vergaand te wijzigen, artikel 51 geen bevoegdheid verleent om bij de verordening voorschriften te geven welke de in dit artikel gestelde doeleinden miskennen, die immers een begunstiging van het vrije verkeer der werknemers beogen, zodat een vermindering van hun rechten daarmede onverenigbaar moet worden geacht;
dat uit deze vaststellingen volgt, dat artikel 28, lid 1, aanhef, en onder b, op grond van artikel 51 van het Verdrag, slechts van toepassing is in de gevallen, voorzien bij artikel 27, namelijk wanneer het gaat om het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op uitkeringen;
Overwegende dat de Centrale Raad van Beroep vervolgens de vraag heeft voorgelegd, of artikel 28 van toepassing is op wettelijke regelingen die het bedrag der uitkeringen niet afhankelijk stellen van de duur der verzekering;
Overwegende dat sinds de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep de Verordening no. 130-63-E.E.G. van de Raad „houdende wijziging van bepaalde bijlagen van Verordening no. 3 en van Verordening no. 4” (Publikatieblad van 28 december 1963, blz. 2996 e.v.) is tot stand gekomen;
dat deze Verordening ten doel heeft bepaalde leemten in de Verordening no. 3 aan te vullen;
dat zij bij haar artikel 7, de bijlage G van deze Verordening betreffende de Nederlandse wetgeving wijzigt;
dat zij bepaalt dat, voor de toepassing der artikelen 27 en 28 van Verordening no. 3, de (verzekerings)organen voor de toekomst nieuwe bepalingen „in acht nemen”;
dat Verordening no. 130 toepassing dient te vinden vanaf het ogenblik harer afkondiging;
dat echter artikel 7, lid 2, bepaalt dat de bij dit artikel in bijlage G der Verordening no. 3 aangebrachte wijzigingen van kracht worden op 1 januari 1959;
dat zodanige terugwerking echter niet ten nadele kan strekken van personen, wier recht op uitkering is verkregen vóór de afkondiging van Verordening no. 130;
Overwegende dat uit het voorgaande volgt, dat artikel 28, lid 1, aanhef en onder b eveneens van toepassing is op wetgevingen die het bedrag der uitkeringen niēt afhankelijk stellen van de duur der verzekering;
dat derhalve artikel 28, lid 1, aanhef en onder b slechts van toepassing is, voor zover deze toepassing de belanghebbenden uitkeringen verzekert ten minste gelijkwaardig aan die welke zij op grond van de betreffende nationale wetgeving, los van Verordening no. 3, zouden genieten;
III — Ten aanzien van de derde vraag
Overwegende dat de derde vraag is gesteld voor het geval dat de tweede vraag bevestigend zou worden beantwoord en verzoekt vast te stellen of „als het gaat om een weduwenpensioen krachtens de Algemene Weduwen- en Wezenwet, bij de toepassing van artikel 28, lid 1 onder b, der Verordening als tijdvakken van verzekering mede” mogen „worden aangemerkt tijdvakken van verzekering ingevolge de Nederlandse Invaliditeitswet”;
Overwegende dat het voornoemd artikel 7, B, b, der Verordening no. 130 uitdrukkelijk bepaalt dat de bedoelde tijdvakken niet slechts mogen, doch ook moeten worden aangemerkt als tijdvakken ingevolge de Nederlandse wettelijke regeling inzake de algemene weduwen- en wezenverzekering;
dat deze uitlegging echter slechts geldt in zoverre de bedoelde gelijkstelling in genen dele ten nadele strekt van personen, wier recht op uitkeringen is verkregen vóór de afkondiging der Verordening no. 130;
IV — Ten aanzien van de vierde vraag
Overwegende dat bij deze vraag de Centrale Raad van Beroep het Hof verzoekt uit te spreken of artikel 28, lid 1, onder g der Verordening no. 3 met de woorden „uitkeringen welke reeds zijn vastgesteld” uitsluitend uitkeringen op het oog heeft welke reeds waren vastgesteld op 1 januari 1959, toen de Verordening in werking is getreden;
Overwegende dat de bedoelde bepaling terugwijst naar de gevallen, bedoeld in de alinea's e en f van dit lid;
dat genoemde alinea's e en f aangeven, hoe het bedrag der uitkeringen moet worden vastgesteld wanneer de belanghebbende op een bepaald tijdstip niet voldoet aan de voorwaarden, door alle op hem van toepassing zijnde wettelijke regelingen gesteld;
dat alinea g voorschrijft, dat „de uitkeringen welke reeds zijn vastgesteld” worden herzien „naar gelang” alsnog aan bedoelde voorwaarden wordt voldaan;
dat uit het geheel dezer bepalingen volgt, dat bij de „uitkeringen welke reeds zijn vastgesteld” moet worden gedacht aan de vaststelling ter uitvoering van de alinea's e en f;
dat zodanige vaststelling uiteraard eerst plaats kan vinden na het van kracht worden der Verordening no. 3 en meer in het bijzonder van de voornoemde alinea's e en f, welke van blijvende betekenis zijn, zoals trouwens blijkt uit de hiervoor reeds geciteerde woorden „op een bepaald tijdstip”;
dat derhalve de bewuste bepalingen van artikel 28 eveneens van blijvende betekenis zijn;
V — Ten aanzien van de kosten
Overwegende dat de kosten gemaakt door de Raad en door de Commissie der E.E.G., die hun opmerkingen aan het Hof hebben voorgelegd, niet voor vergoeding in aanmerking komen;
dat de onderhavige procedure ten aanzien van de betrokken partijen het karakter draagt van een incident in het tussen hen aanhangige geding voor de Centrale Raad van Beroep, zodat de beslissing over de gemaakte kosten bij de Centrale Raad moet verblijven;
Dictum
beslist
HET HOF VAN JUSTITIE
uitspraak doende op het verzoek om een prejudiciële beslissing, gedaan door de Centrale Raad van Beroep bij zijn bevel van 30 oktober 1963:
1. De term „wetgeving” of „wettelijke regeling”, gebezigd door de artikelen 1, onder b, 2, lid 1, aanhef en onder d en 3 der Verordening no. 3 van de Raad der E.E.G. inzake de sociale zekerheid van migrerende werknemers (Publikatieblad van de Europese Gemeenschappen van 16 december 1958, blz. 561 e.v.) omvat eveneens de nationale wettelijke regelingen betreffende de verzekering inzake vroegtijdig overlijden met uitkeringen aan nagelaten betrekkingen, zelfs indien deze regelingen later dan de Verordening no. 3 van kracht zijn geworden en niet zijn medegedeeld;
2. Artikel 28 van genoemde Verordening is slechts van toepassing ingeval van het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op uitkeringen, bedoeld bij artikel 27; de artikelen 27 en 28 zijn van toepassing op wettelijke regelingen, die het bedrag der uitkeringen niet afhankelijk stellen van de duur der verzekering; de artikelen 27 en 28 zijn slechts van toepassing in zoverre de Verordeningen toestaan de belanghebbenden uitkeringen te verzekeren ten minste gelijkwaardig aan het totaal van die, waarop zij, los van de Verordeningen nos. 3 en 130 van de Raad der E.E.G., krachtens de nationale wetgeving van elk der betrokken landen aanspraak zouden hebben;
3. Bij de toepassing van de artikelen 27 en 28 van de Verordening no. 3 moeten voor de bepaling van het weduwenpensioen krachtens de Nederlandse wettelijke regeling inzake de algemene weduwen- en wezenverzekering de premietijdvakken, vervuld volgens de Nederlandse Invaliditeitswet, worden aangemerkt als tijdvakken van verzekering ingevolge eerstgenoemde wettelijke regeling;
4. De woorden „uitkeringen welke reeds zijn vastgesteld”, voorkomend in artikel 28, lid 1, onder g der Verordening no. 3 zien op alle uitkeringen welke in uitvoering der alinea's e en f van genoemd artikel 28, lid 1, zijn vastgesteld, onverschillig op welke datum deze vaststelling plaatsvond;
5. Het staat aan de Centrale Raad van Beroep uitspraak te doen over de kosten in de onderhavige instantie gevallen.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Hof van Justitie van de Europese Unie · tekst opnieuw opgemaakt
Rechtspraak
2Europese Unie
2Hof van JustitieC-291/0306.10.2005