Omzetbelasting op verrichtingen van bedrijfsartsen · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

P2600 20 september 2001

Zoeken

Omzetbelasting op verrichtingen van bedrijfsartsen

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/p2600-omzetbelasting-verrichtingen-bedrijfsartsen-ilgenfritz-45e5

Nummer
P2600
Datum
20 september 2001

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

9 paragrafen

Vraag nr. P2600 van de heer Ilgenfritz dd. 20.09.2001

Vr. en Antw., Europees Parlement

Omzetbelasting op verrichtingen van bedrijfsartsen

VRAAG

Op grond van § 6, lid 1, punt 19 van de Oostenrijkse wet op de omzetbelasting van 1994 is een arts (natuurlijke persoon) vrijgesteld van omzetbelasting, terwijl dit niet geldt voor een door de beroepsorganisatie erkende onderneming (GmbH).

Is het conform de EU-wetgeving dat natuurlijke personen en ondernemingen bij de heffing van omzetbelasting ongelijk worden behandeld?

ANTWOORD

van de heer Bolkestein namens de Commissie (17 oktober 2001)

De Commissie is van oordeel dat de vrijstelling die is bepaald in artikel 13-A-1-c) van de zesde BTW-richtlijn (de Zesde richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting - gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag PB L 145 van 13.6.1977. ) voor zorgverrichtingen aan mensen, verricht in het kader van de uitoefening van medische beroepen, niet alleen van toepassing is op de zorgverrichtingen die door natuurlijke personen zijn geleverd maar ook op die verrichtingen die door rechtspersonen zijn geleverd.

De Commissie merkt op dat deze aangelegenheid eveneens het onderwerp vormt van een prejudiciële procedure die thans bij het Hof van Justitie in behandeling is (de zaak C-141/00).

Aangehaalde teksten

1