Parlementaire vraag nr. 973 van de heer Josy Arens d.d. 25.03.2022
Kamer, Vragen en Antwoorden, 2021-2022, QRVA 55/086 d.d. 25.05.2022, blz. 151
Vraag nr. 973 van De heer volksvertegenwoordiger Josy Arens van 25 maart 2022 (Fr.) aan de vice-eersteminister en minister van Financiën, belast met de Coördinatie van de fraudebestrijding:
Rechten van de verdediging in btw-dossiers.
VRAAG
Klopt het dat, volgens de algemene beginselen van het EU-recht zoals geïnterpreteerd door het Hof van Justitie van de Europese Unie, een schending van de rechten van de verdediging, en in het bijzonder van het recht om gehoord te worden, leidt tot de vernietiging van de beslissing die genomen werd na afloop van de kwestieuze administratieve procedure, indien die procedure zonder die onregelmatigheid tot een ander resultaat had kunnen leiden?
Betekent dit dat een tenuitvoerlegging van een uitvoerbaar verklaard kohier of innings- en invorderingsregister van rechtswege nietig is wanneer een btw-plichtige niet de mogelijkheid gekregen heeft om binnen een redelijke termijn te antwoorden?
ANTWOORD
van de vice-eersteminister en minister van Financiën, belast met de Coördinatie van de fraudebestrijding van 23.05.2022:
Het recht om te worden gehoord wordt in administratieve zaken erkend door artikel 41, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Het recht om te worden gehoord houdt in dat eenieder het recht heeft om te worden gehoord voordat jegens hem een voor hem nadelige individuele maatregel wordt genomen
Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) gaat het om een algemeen beginsel van Unierecht dat van toepassing is wanneer de administratie voornemens is een bezwarend besluit ten opzichte van een bepaalde persoon vast te stellen.
Krachtens het beginsel moeten de adressaten van besluiten die hun belangen aanmerkelijk raken, in staat worden gesteld hun standpunt over de elementen waarop de administratie haar besluit wil baseren, naar behoren kenbaar te maken. Deze verplichting rust op de administratieve overheden van de lidstaten wanneer zij besluiten nemen die binnen de werkingssfeer van het Unierecht vallen, ook al voorziet de toepasselijke Uniewetgeving niet uitdrukkelijk in een dergelijke formaliteit (zie arrest van het HvJ-EU van 9 november 2017, T. I., C-298/16, punt 26 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).
Het hoorrecht dient bijgevolg te worden gerespecteerd in het kader van de administratieve procedure op het vlak van btw, zelfs in het geval de toepasselijke nationale wetgeving, zoals dat in België het geval is, hier niet uitdrukkelijk in voorziet en dit telkens wanneer door de belastingadministratie ten aanzien van een btw-belastingschuldige een bezwarend besluit wordt genomen.
Het past niettemin er op te wijzen dat volgens vaste rechtspraak van het HvJ-EU het algemene Unierechtelijke beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging, waarvan het hoorrecht een onderdeel is, geen absolute gelding heeft, maar beperkingen kan bevatten, mits deze werkelijk beantwoorden aan de doeleinden van algemeen belang die met de betrokken maatregel worden nagestreefd, en, het nagestreefde doel in aanmerking genomen, niet zijn te beschouwen als een onevenredige en onduldbare ingreep, waardoor de gewaarborgde rechten in hun kern worden aangetast (arrest van 9 november 2017, voornoemd, punt 35 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).
In zijn rechtspraak legt het HvJ-EU bovendien de nadruk op de procedurele autonomie van de staten. De voorwaarden voor de eerbiediging van de rechten van de verdediging evenals de gevolgen die moeten worden toegekend aan het niet eerbiedigen van deze rechten zijn volgens het Hof een zaak van nationaal recht (zie in die zin ook het arrest van 3 juli 2014, K. I. L. e. D. H. W. L., C-129/13 en C-130/13, punt 75).
Het HvJ-EU heeft duidelijk gesteld dat de verplichting van de nationale rechter om de volle werking van het Unierecht te waarborgen niet meebrengt dat een beschikking die wordt aangevochten omdat zij is vastgesteld in strijd met de rechten van de verdediging, in het bijzonder het recht om te worden gehoord, altijd nietig dient te worden verklaard. Schending van de rechten van de verdediging, in het bijzonder het recht om te worden gehoord, leidt naar Unierecht immers pas tot nietigverklaring van het na afloop van de betrokken administratieve procedure genomen besluit, wanneer deze procedure zonder deze onregelmatigheid een andere afloop had kunnen hebben (arrest van 3 juli 2014, K. I. L. e. D. H. W. L., C-129/13 et C-130/13, punt 78 tot 80 en de aldaar aangehaalde rechtspraak).
Het Belgische Hof van Cassatie neemt de vaste rechtspraak van het HvJ-EU inzake het hoorrecht over en benadrukt de rol van de nationale rechter. Volgens het Hof van Cassatie staat het de nationale rechter om aan de hand van de specifieke feitelijke en juridische omstandigheden van het geval na te gaan of de aantasting van het hoorrecht van aard is dat een andere beslissing zou zijn getroffen indien de betrokkene de gelegenheid had gekregen elementen ter rechtvaardiging van zijn standpunt aan te voeren. Om een schending van het hoorrecht aan te tonen, dient de betrokkene dus aannemelijk te maken dat, indien hij was gehoord, een andere beslissing had kunnen genomen worden (arrest van het Hof van Cassatie nr. P. 18.0659.N van 4 juli 2018).
In België bepaalt het Btw-Wetboek niet welke gevolgen moeten worden toegekend aan de schending van het hoorrecht. Het zijn de hoven en de rechtbanken die zich in geval van een schending van het hoorrecht, geval per geval, zullen uitspreken over de gevolgen die dienen te worden toegekend aan het niet eerbiedigen van het recht.
Wat de eerbiediging van het hoorrecht in het kader van de Belgische navorderingsprocedure inzake de belasting over de toegevoegde waarde betreft wordt opgemerkt hetgeen volgt.
De regel is dat indien er naar aanleiding van een controle er na te vorderen btw is er door de administratie aan de belastingplichtige een regularisatie-opgave wordt voorgelegd of toegezonden. Indien de regularisatie-opgave aan de belastingplichtige wordt toegezonden beschikt deze in de regel over een termijn van één maand om zijn opmerkingen kenbaar te maken. Indien de regularisatie-opgave voor akkoord wordt voorgelegd ter ondertekening aan de belastingplichtige beschikt deze op dat ogenblik over de mogelijkheid om zijn hoorrecht uit te oefenen. Hij is bovendien geenszins verplicht om de regularisatie-opgave onmiddellijk voor akkoord te ondertekenen.
Ook de controleverrichtingen zelf dienen overigens in aanmerking te worden genomen om te oordelen of het hoorrecht is gerespecteerd (zie in dat verband bijv. punten 45 en 46 van het arrest van het HvJ-EU van 18.12.2008, C-349/07, S.).
Indien de belastingplichtige en de administratie niet tot een akkoord komen, wordt aan de belastingplichtige een proces-verbaal van regularisatie toegezonden. Bij niet-betaling van de belastingschuld wordt deze op grond van artikel 85, § 1, eerste lid, van het Btw-wetboek ingeschreven in een innings- en invorderingsregister, dat de uitvoerbare titel voor de invordering van de belastingschuld vormt. Artikel 85, § 1, derde lid, van het Btw-Wetboek voorziet in de verplichting de belastingplichtige in kennis te stellen van de verantwoording van de belastingschuld uiterlijk één maand voordat deze in een innings- en invorderingsregister wordt opgenomen. Slechts indien de rechten van de Schatkist in het gedrang komen kan door de administratie van deze wachttermijn tussen de kennisgeving van de verantwoording van de belastingschuld en de inschrijving in het register worden afgeweken.
In het kader van deze administratieve procedure beschikt de belastingplichtige, vanaf de toezending van de regularisatieopgave en tot de instelling van het beroep bij de rechter, over de mogelijkheid van administratief beroep waarin wordt voorzien door de artikelen 84 van het Btw-Wetboek. Gedurende gans de procedure kan de belastingplichtige zijn argumenten schriftelijk kenbaar maken.
Er wordt tenslotte op gewezen dat de administratieve navorderingsprocedure op het vlak van btw de belastingplichtige in elk van voormelde fasen, vanaf de controle tot de opname van de belastingschuld in het innings- en invorderingsregister, de mogelijkheid biedt contact op te nemen met de administratie.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.