Gehandicapte. Personenwagen. BTW-tarief. Verkeersbelasting. BIV · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

958 22 maart 2002

Zoeken

Gehandicapte. Personenwagen. BTW-tarief. Verkeersbelasting. BIV

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/958-gehandicapte-personenwagen-btw-tarief-verkeersbelasting-cd96

Nummer
958
Datum
22 maart 2002

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

15 paragrafen

Vr. en Antw., Kamer, 2002-2003, nr. 151, blz. 19286-19289

Gehandicapte - Personenwagen - BTW-tarief - Verkeersbelasting - BIV

VRAAG

In de reglementering inzake de toekenning van de fiscale voordelen inzake BTW, verkeersbelasting en belasting op inverkeersstelling wordt voorzien dat men deze voordelen enkel kan behouden op voorwaarde dat het voertuig door de invalide of gehandicapte als persoonlijk vervoermiddel wordt gebruikt tijdens de duur van de inschrijving van het voertuig. Het persoonlijk gebruik houdt echter in dat de invalide of gehandicapte zelf, alleen of vergezeld, aanwezig is in het voertuig telkens wanneer dit op de openbare weg wordt gebruikt, ongeacht of hij het voertuig zelf bestuurt of zich laat rijden.

Indien men dit punctueel wil uitvoeren, zou dit betekenen dat mensen verplicht zijn zich twee auto's aan te schafffen, één voor de eigen verplaatsingen waarbij de invalide of gehandicapte niet aanwezig is (bijvoorbeeld naar werk, winkel) en één voor de verplaatsingen waarbij de invalide of gehandicapte zelf aanwezig is (bijvoorbeeld naar school, tijdens het weekeind). Deze voorwaarde maakt dan ook dat heel wat mensen met een gehandicapt gezinslid geen beroep kunnen doen op deze fiscale voordelen. Mensen die het zich echter kunnen permitteren van twee auto's aan te schaffen, kunnen echter wel een beroep doen op deze fiscale voordelen.

Bent u bereid deze voorwaarde inzake "persoonlijk gebruik" af te schaffen of sterk te versoepelen, zodat mensen met een gehandicapt gezinslid, die slechts één auto kunnen kopen of wensen te kopen, ook een beroep kunnen doen op deze fiscale voordelen?

ANTWOORD

(07.01.2003)

Uit de bepalingen van betreffende gunstregeling zelf (BTW-Wetboek, artikel 77, § 2; koninklijk besluit nr. 20, bijlage, tabel A, rubrieken XXII en XXVI) blijkt dat de fiscale voordelen ten gunste van bepaalde categorieën van invaliden en gehandicapten die een automobiel voor personenvervoer langs de weg gebruiken, een strikt persoonlijk recht is dat slechts wordt verleend aan de invalide of de gehandicapte zelf.

Niets belet dat de invalide of gehandicapte zich met het voertuig verplaatst in gezelschap van andere personen of dat hij, in zijn aanwezigheid, het besturen toevertrouwt aan een verwante of zelfs aan een derde.

Het voertuig mag daarentegen in principe niet worden gebruikt zonder de invalide of gehandicapte. De fiscale voordelen worden immers slechts verleend om tegemoet te komen aan de verplaatsingsmoeilijkheden van laatstgenoemde.

Als de invalide of gehandicapte niet zelf met de wagen kan rijden, is het evenwel evident dat de persoon die hem naar zijn werk of - als het een jongere betreft - naar de school voert, daarna zonder de invalide of gehandicapte met de wagen terugkeert naar het huis van laatstgenoemde en dat die persoon 's avonds weer vertrekt met het "lege" voertuig om betrokkene te halen. Dit is a fortiori ook zo voor het vervoer van de invalide of gehandicapte met het oog op zijn hospitalisatie, zonder onderscheid of betrokkene gewoonlijk al dan niet zelf rijdt. De administratie is er altijd van uitgegaan dat er een onmiddellijk verband is tussen die uitzonderlijke trajecten zonder de invalide of gehandicapte en de noodwendigheden van het persoonlijk vervoer van betrokkene, zodat die trajecten het voordeel van de fiscale gunstregelingen niet in het gedrang brengen. De administratie zal voortaan ook geen kritiek leveren op het feit dat een familielid of een derde alleen met het voertuig naar de apotheek rijdt ten behoeve van de invalide of gehandicapte die, om gezondheidsredenen, zijn woning tijdelijk niet kan verlaten.

Behalve die gevallen waarvoor een tolerantie logischerwijze gerechtvaardigd is, beantwoordt elk ander gebruik van het voertuig zonder de meerderjarige invalide of gehandicapte niet aan de doelstellingen die aan de basis lagen van de invoering van betreffende gunstregeling. Ik merk op dat de invoering van die gunstregeling aansloot op een bepaling met dezelfde optiek die bestond in het stelsel van de met het zegel gelijkgestelde taksen vóó r de invoering van de BTW in 1971. Het oneigenlijk gebruik van het voertuig heeft dus het verlies van de fiscale voordelen tot gevolg. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de echtgenoot het voertuig gebruikt zonder de invalide of gehandicapte voor boodschappen of om betrokkene te komen bezoeken in het ziekenhuis.

Een werkgroep, waarvan ook parlementsleden deel uitmaken, heeft ondertussen onderzocht of in verband met het gebruik van het voertuig niet één en ander kon worden bijgestuurd. Hierbij diende voor ogen te worden gehouden dat elke nieuwe tolerantie noodzakelijkerwijze beperkt moet blijven tot situaties die duidelijk afgebakend zijn en die op grond van uitzonderlijke en concrete omstandigheden verantwoord blijken. Elke uitgesproken uitbreiding van de toepassing van betreffende gunstregelingen, zoals het afschaffen of sterk versoepelen van de voorwaarde inzake het gebruik van het voertuig door de invalide of gehandicapte, zou immers niet alleen in strijd zijn met de basisprincipes van bettreffende regelingen, maar zou bovendien de BTW-gunstregeling in het gedrang brengen. De Europese Commissie heeft immers uitdrukkelijk de toelating gegeven die fiscale gunstregeling te behouden op voorwaarde dat de toepassing ervan door België strikt ongewijzigd blijft.

Naar aanleiding van de besprekingen van de werkgroep werd de aandacht gevestigd op het feit dat invalide of gehandicapte kinderen voor het gebruik van het voertuig altijd afhankelijk zijn van een meerderjarige. Het voertuig zal dan ook meestal worden bestuurd door de wettige vertegenwoordiger van de invalide of gehandicapte die minderjarig is of onder het statuut van verlengde minderjarigheid is geplaatst. Die wettige vertegenwoordiger is trouwens belast met het verrichten van alle rechtshandelingen die betrekking hebben op het voertuig en die de invalide of gehandicapte ingevolge zijn handelingsonbekwaamheid niet zelf kan stellen. Rekening houdend hiermee zal de administratie voortaan geen kritiek leveren op het gebruik van het voertuig zonder de invalide of gehandicapte, voor zover dit slechts sporadisch gebeurt, het tevens gaat om een gebruik van het voertuig door de wettige vertegenwoordiger van de invalide of gehandicapte en het tenslotte ook het enige voertuig van het gezin betreft. Deze versoepeling zal worden gehandhaafd tot op het ogenblik dat de betrokken invalide in aanmerking komt voor hetzij de inkomensvervangende tegemoetkoming, hetzij de integratietegemoetkoming bedoeld door de wet van 27 december 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan gehandicapten (Belgisch Staatsblad van 1 april 1987).

Bovendien zal er aan de gewesten worden voorgesteld evenmin kritiek te leveren op het sporadische gebruik van het voertuig door de echtgenoot of echtgenote (of de partner ingeval van wettelijk samenwonen) van de invalide of gehandicapte in diens belang en zonder zijn aanwezigheid en het tenslotte ook het enige voertuig van het gezin betreft. Tevens zal de aandacht van de gewesten gevestigd worden op het feit dat de categorieën van handicap die thans in de wetgeving zijn opgenomen, beperkt zijn en dat een aanpassing ervan aangewezen is om te beantwoorden aan de maatschappelijke en sociale noden. Als de gewesten het hiermee eens zijn zal ik aan de Europese Commissie de goedkeuring vragen inzake de aanpassing in die zin van de gunstregeling inzake BTW.

Aangehaalde teksten

1