Reisbureau. Touroperator. Commissieloon. Tussenpersoon. Aanschrijving 33/1978. Maatstaf van heffing · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

87 10 augustus 1979

Zoeken

Reisbureau. Touroperator. Commissieloon. Tussenpersoon. Aanschrijving 33/1978. Maatstaf van heffing

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/87-reisbureau-touroperator-commissieloon-tussenpersoon-aanschrijving-91e1

Nummer
87
Datum
10 augustus 1979

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

16 paragrafen

Vr. en Antw., Senaat, G.Z. 1979 blz. 692

Reisbureau - Touroperator - Commissieloon - Tussenpersoon - Aanschrijving 33/1978 - Maatstaf van heffing

VRAAG

Kleine zelfstandige reisbureaus werken meestal voor een touroperator die na toezegging der reis de afrekening opstelt.

ANTWOORD

Op deze afrekening staat de belastbare basis vermeld en de hierop verschuldigde BTW. Het totaalbedrag der afrekening, na aftrek van het commissieloon, wordt betaald aan de touroperator (dus met inbegrip van de BTW). De touroperator zal deze BTW waarschijnlijk opnemen in zijn aangiften.

De BTW-wetgeving is op prestaties van deze wetgeving slechts van toepassing geworden na afsluitdatum der referentieperiode inzake de beperking der aftrek BTW op investeringen.

Kan de geachte Minister mij antwoorden op de volgende vragen:

1. Moeten de zelfstandige kleine reisbureaus zoals hierboven omschreven de commissielonen als belastbare basis, alsmede de BTW, opnemen in hun BTW-aangifte of dient dat te geschieden door de touroperator ? Wat is de juiste werkwijze ?

2. Is de volledige BTW aftrekbaar op investeringen vermits de BTW-wetgeving na 30 september 1976 van toepassing is geworden op prestaties door reisbureaus ?

3. Zo neen, op punt 2 hoe dient de referteperiode te worden bepaald ?

Antwoord:

1. Ten aanzien van de door een zogenaamde touroperator georganiseerde gecombineerde reis die verkocht wordt door tussenkomst van reisbureaus, wordt de BTW die verschuldigd is van de prestaties van de organisator van de reis en van de reisbureaus berekend tegen het tarief van 16 pct. over een vaste winstmarge die gelijk is aan 18 pct. van de publieke prijs van die reis. Deze heffing dekt zowel de BTW die verschuldigd is over de winstmarge van de touroperator als die welke verschuldigd is wegens de door het bemiddelende reisbureau verrichte prestaties. De betaling aan de Schatkist van de aldus verschuldigde BTW moet uitsluitend worden gedaan door de touroperator die daartoe dit bedrag opneemt in zijn periodieke BTW-aangifte .

2. Alhoewel de BTW op de winstmarge van reisbureaus slechts werd ingevoerd vanaf 1 december 1977, waren de reisbureaus voor dat tijdstip eveneens aan de BTW onderworpen, maar dan volgens de regeling waarbij reisbureaus in de regel werden gelijkgesteld met de diverse dienstverrichters die tussenkomst verlenen bij het tot stand brengen van een reis (vervoerders, hotelhouders enz.).

Hieruit volgt dat reisbureaus die hun werkzaamheid reeds uitoefenen voor 1 december 1977, voor de toepassing van artikel 100 van het BTW-Wetboek, niet als nieuwe belastingplichtigen worden aangemerkt.

3. De referentieperiode als bedoeld in § 3 van artikel 100 van het BTW-Wetboek dient bijgevolg te worden vastgesteld naargelang het reisbureau met haar werkzaamheid een aanvang heeft genomen voor 1 oktober 1973 dan wel na dat tijdstip, maar voor 30 september 1976.

Aangehaalde teksten

1
WBTW art. 1002 voorkomens