Renovatie, Verlaagde btw-tarieven · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

868 17 februari 2022

Zoeken

Renovatie, Verlaagde btw-tarieven

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/868-renovatie-verlaagde-btw-tarieven-dieter-8987

Nummer
868
Datum
17 februari 2022

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

31 paragrafen

Parlementaire vraag nr. 868 van de heer Dieter Vanbesien d.d. 17.02.2022

Kamer, Vragen en Antwoorden, 2021-2022, QRVA 55/083 d.d. 21.04.2022, blz. 237

Vraag nr. 868 van De heer volksvertegenwoordiger Dieter Vanbesien van 17 februari 2022 (N.) aan de vice-eersteminister en minister van Financiën, belast met de Coördinatie van de fraudebestrijding:

Renovatie. - Verlaagde btw-tarieven.

VRAAG

Bij de analyse van de wetgeving rond de btw-tarieven in de bouw zijn er enkele pijnpunten naar boven gekomen. Bij nieuwbouw geldt standaard het btw-tarief van 21 %. Bij renovatiewerken en afbraak en heropbouw geldt standaard het tarief van 6 %. Dit laatste tarief is wel verbonden aan het naleven van een aantal voorwaarden afhankelijk van de situatie beschreven in Bijlage A XXXI, XXXVII of XXXVIII bij koninklijk besluit nr. 20. Deze voorwaarden zijn niet alleen verbonden aan of het renovatie of afbraaken heropbouwwerken betreft, maar ook aan bijv. de ouderdom en ligging (in een centrumstad of niet) van de woning.

Al deze voorwaarden maken de wetgeving zeer complex. Hierdoor moet de administratie veel energie investeren in het opstellen en controleren van de naleving van talloze omzendbrieven, rulings, rechterlijke uitspraken, antwoorden op parlementaire vragen en de effectieve wettelijk beschreven voorwaarden. De onzekerheid die deze complexiteit voor architecten en bouwheren creëert is groot, waardoor middelen die de renovatiegolf op gang zouden moeten trekken gaan naar gespecialiseerde consultancy-bedrijven. Wanneer tijdens de bouwwerken de aard van de werken door de administratie alsnog anders worden gekwalificeerd, volgen financiële drama's voor burgers die tijdens bouwwerken net zoveel mogelijk zekerheid nodig hebben.

Deze complexiteit zou op zich voldoende moeten zijn om de btw-regeling opnieuw onder de loep te nemen. Bovendien blijkt uit de praktijk dat enkele opdelingen die in de wet worden gemaakt ook bijzonder contraproductieve gevolgen kunnen hebben. Zo is het onderscheid tussen renovatiewerken en afbraak- en heropbouwwerken bijv. contraproductief aangezien de wetgeving uitgaat van een strikte dichotomie, terwijl er in de praktijk sprake is van een continuüm. De wetgeving creëert hierdoor een incentive om in bepaalde gevallen meer of net minder af te breken dan strikt noodzakelijk om te kunnen voldoen aan de toepassingsvoorwaarden van het voordeeltarief van 6 % btw.

Een soortgelijke opmerking kan worden gemaakt over het onderscheid of de woning zich al dan bevindt in een centrumstad. Slechte woningen bevinden zich immers zeker niet uitsluitend in grote steden. Anderzijds zijn er ook goede en dure woningen in centrumsteden waarvoor het verlaagde btw-tarief niet zou mogen gelden, wanneer deze middelen naar slechte woningen van minder bemiddelde Vlamingen buiten de centrumsteden zouden kunnen gaan.

Ook het onderscheid tussen de fysieke arbeid van aannemers en de intellectuele diensten van architecten zoals dit in de wetgeving wordt gemaakt kan negatieve effecten hebben. De intellectuele diensten die tijdens de ontwerpfase moeten verzekeren dat de woning ecologisch en kostenefficiënt worden verbouwd of heropgebouwd, zijn belangrijk om de uitstootreductiedoelstellingen door een versnelde renovatiegolf te kunnen behalen.

Het huidige btw-regime zorgt ervoor dat bouwheren besparen op deze intellectuele diensten die onder het regime van 21 % btw vallen, wat niet tot een efficiënte middelenverdeling in functie van ecologische doelstellingen leidt. Belgen die financieel minder bemiddeld zijn dreigen te besparen op de diensten van architecten, terwijl zij net het meest gebaat zijn bij de bescherming die architecten bieden tegen mogelijke fouten van of misbruik door aannemers.

In het algemeen kan worden gesteld dat deze btw-wetgeving, door het complexe onderscheid dat er wordt gemaakt tussen architecten en bouwheren, aanzet om bouwwerken uit te voeren in functie van de btw-wetgeving in plaats van in functie van efficiënte werken die ecologische doelstellingen behalen. Een wijziging in de wetgeving die de regeling voor renovaties en afbraak- en opbouwwerken gelijktrekt, en afstand neemt van de hierboven beschreven onderscheidingen in het voordeel van voorwaarden die worden gekoppeld aan sociale doelstellingen zou de hierboven genoemde negatieve gevolgen van de huidige regeling kunnen overkomen.

1. In uw antwoord op mondelinge vraag nr. 23243C stelde u dat de verlenging van het verlaagde tarief voor sloop- en heropbouwwerken op gepaste tijd binnen de regering op tafel zal komen. Zult u deze maatregel ondertussen ook inhoudelijk evalueren en een aanpassing voorstellen?

2. Zult u dit ook doen voor de regelgeving in de bijlagen XXXI en XXXVII bij het koninklijk besluit nr. 20? Gelooft u dat de drie hier genoemde regelingen intern op elkaar worden afgesteld zodat zeer sterk gelijkende voorwaarden gelden voor de drie situaties, of samengevoegd zouden worden tot één coherente regeling?

3. Gaat u in het algemeen akkoord met hierboven gemaakte analyse? Gaat u in het bijzonder akkoord dat het strikte onderscheid tussen de daar opgesomde zaken in de praktijk tot onbillijke situaties kan leiden? In het bijzonder wat betreft:

a) het onderscheid tussen afbouw- en heropbouwwerken en renovatiewerken;

b) het onderscheid tussen grote steden en andere steden;

c) het onderscheid tussen werken en intellectuele diensten, zoals dit bijv. wordt gemaakt in bijlage XXXVIII, §1, 1°?

4. a) Zult u onderzoeken of dit wettelijk onderscheid kan worden vervangen door criteria die enerzijds rekening houden met de klimaatdoelstellingen, maar anderzijds geënt zijn op de sociaaleconomische positie van de persoon die de verbouwing wil uitvoeren, zodanig dat de steun vaker gaat naar hen die dit nodig hebben?

b) Gelooft u in het bijzonder dat een versterkte voorwaardelijkheid gekoppeld aan sociale doelstellingen een compensatie kan zijn voor een billijke uitbreiding van het toepassingsgebied van de regeling, bijv. door:

- per woning te werken met een maximumtarief voor het verlaagde btw-tarief, zodat zij die geen financiële steun nodig hebben hier ook niet voor in aanmerking komen;

- het voordeeltarief te koppelen aan de voorwaarde dat de woning tijdens de verbouwingen bestemd is als eigen woning van de bouwheer, of voor een aantal jaar zal worden verhuurd via een sociaal verhuurkantoor?

5. Wat betreft het aanvragen van een verlaagd btw-tarief en de controle hierop door de administratie, voor de voorbije vijf jaar, per jaar:

a) hoeveel bouwheren gingen er in het recente verleden van uit dat hun renovatie- en/of sloop- en heropbouwwerken onder het verlaagde btw-tarief vielen;

b) bij hoeveel van deze bouwheren werd het toegepaste btw-regime effectief gecontroleerd;

c) bij hoeveel van hen werd het btw-tarief na de controle opnieuw gekwalificeerd naar het tarief van 21 %;

d) bij hoeveel van hen gebeurde dit terwijl de werken reeds werden uitgevoerd;

e) hoeveel bedroeg voor deze laatste categorie hierdoor de gemiddelde stijging van de btw-kosten?

6. Hoeveel woningen in grote steden dienen volgens uw inschatting gerenoveerd te worden voor 2030, 2040 en 2050? Welk aandeel van de woningen buiten de grote steden dienen gerenoveerd te worden voor deze data?

ANTWOORD

van de vice-eersteminister en minister van Financiën, belast met de Coördinatie van de fraudebestrijding van 06.04.2022:

Het antwoord op deze vraag werd rechtstreeks naar het geachte Kamerlid gestuurd. Door de omvang ervan werd het antwoord niet opgenomen in het Bulletin van Vragen en Antwoorden. Op verzoek zal de griffie van de Kamer van volksvertegenwoordigers de documenten bezorgen (schriftelijke.vragen@dekamer.be).