Vr. en Antw., Kamer, 2000-2001, nr. 70, blz. 7909-7910
Bull. nr. 816, pag. 1273
Renovatie gebouw - Tarief
VRAAG
Een groep van personen kopen een industrieel gebouw aan, dat zij door middel van een basisakte verdelen in individuele woonappartementen. Vervolgens voeren zij verbouwingswerken uit. Deze betreffen voornamelijk de renovatie van het gebouw en de indeling in wooneenheden, waarbij de structuur van het gebouw behouden blijft (dragende muren, indeling in verdiepingen en dergelijke) en worden in gezamenlijk overleg uitgevoerd, waarbij per soort van werk telkens één aannemer optreedt voor de verschillende eigenaars.
1. Inzake BTW wordt aanvaard dat dergelijke werken in principe, mits ook aan de andere voorwaarden is voldaan, het tarief van 6 % genieten, ook al wordt de woonbestemming pas na de werken gerealiseerd.
a) Aanvaardt de administratie hetzelfde principe ook voor de bijkomende intrestaftrek voor vernieuwbouw geregeld bij artikel 15, 1°, c), van het WIB 1992? Met andere woorden volstaat het dat het gebouw sedert ten minste 15 jaar in gebruik is genomen, ook al geschiedde deze ingebruikname niet als woning?
b) Aanvaardt de administratie hetzelfde ook voor de belastingvermindering voor de kapitaalaflossingen (artikel 145, § 1, 3°, WIB 1992), ook al had het eigendom bij het afsluiten van de lening nog geen woonbestemming?
2. Om het BTW-tarief van 6 %, de gewone intrestaftrek (artikel 14, 1°, WIB 1992), de bijkomende intrestaftrek voor vernieuwbouw (artikel 115, 1°, c), WIB 1992) en de belastingvermindering voor de kapitaalaflossingen (artikel 145, § 1, 3°, WIB 1992) te genieten, dient de belastingplichtige facturen voor te leggen.
Dienen deze facturen te worden gesteld op de namen van de verschillende eigenaars (en dienen er derhalve zoveel facturen te zijn als er eigenaars zijn), of volstaat het, in de geschetste hypothese, dat:
a) deze facturen worden afgegeven ten name van één van de leden van de groep of van de groep als dusdanig (die geen rechtspersoonlijkheid heeft);
b) en de eigenaars een overeenkomst voorleggen waaruit blijkt volgens welke verdeelsleutel de kosten tussen hen onderling worden omgeslagen, of dat zij via bankuittreksels (opnames op de individuele leningsdossiers) kunnen aantonen welk deel zij elk in de kosten hebben betaald?
ANTWOORD
Het geachte lid gelieve hierna de antwoorden op de gestelde vragen te willen vinden.
1. a) en b) Gelet op de huidige wettelijke bepalingen luidt het antwoord in beide gevallen ontkennend.
2. De werkzaamheden omschreven in het tweede lid van de inleiding van de vraag van het geachte lid, zijn handelingen in de zin van rubriek XXXI, § 1, 1°, van tabel A, van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 inzake BTW-tarieven.
Ze kunnen derhalve het verlaagd BTW-tarief van 6% genieten als ook de andere in rubriek XXXI vermelde voorwaarden vervuld zijn.
Zo is voor de toepassing van het verlaagd tarief van 6% onder meer vereist dat de handelingen worden verstrekt en gefactureerd aan een eindverbruiker (zie § 1, 4°, van rubriek XXXI, van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20).
Er dient te worden nagegaan of de door het geachte lid beoogde groep van personen zonder rechtspersoonlijkheid eindverbruiker is. Dat dient te gebeuren rekening houdend met de kwalificatie van de juridische band tussen de personen en de door hen gevormde groep, en eveneens rekening houdend met het fiscaal statuut van die groep.
Derhalve nodig ik het geachte lid uit mij de juridische elementen en de feitelijke omstandigheden van het beoogde concreet geval mee te delen.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.