Teruggave van BTW. Uitvoering werken in onroerende staat. Onderaanneming. Verlegging · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

854 21 september 1994

Zoeken

Teruggave van BTW. Uitvoering werken in onroerende staat. Onderaanneming. VerleggingTeruggave van BTW. Uitvoering werken in onroerende staat. Onderaanneming. Verlegging van de heffing.

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/854-teruggave-btw-uitvoering-werken-in-36b1

Nummer
854
Datum
21 september 1994

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

18 paragrafen

Vr. en Antw., Senaat, 1994-1995, nr. 131, blz. 6937-6938

Teruggave van BTW - Uitvoering werken in onroerende staat - Onderaanneming - Verlegging van de heffing.

VRAAG

Artikel 17bis van het koninklijk besluit nr. 1 van 23 juli 1969 (huidig artikel 20 van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992) voerde het systeem van verlegging van heffing in voor belastingplichtigen in de bouwsector. Wanneer een aannemer facturen aflevert aan een BTW-plichtige medecontractant moet de verschuldigde BTW niet aangerekend en doorgestort worden door de aannemer zelf maar door de medecontractant die de BTW betaalt en opneemt in zijn aangifte.

Daardoor heeft de aannemer meestal geen of kleine BTW-schuld waardoor hij de zelf betaalde BTW niet in aftrek kan brengen. Hierdoor ontstaat een belastingtegoed dat in de huidige stand van wetgeving slechts driemaandelijks teruggegeven kan worden.

Een gelijkaardig probleem rees in de exportsector na de afschaffing van de vrijstelling voor de uitvoer. Om de voorfinanciering van BTW, die uitvoerders op hun aankopen moeten betalen, te verlichten, werd de mogelijkheid van maandelijkse terugbetalingen ingevoerd (artikel 8/1, § 3, van het koninklijk besluit nr. 4 van 14 april 1993).

Aannemers die quasi uitsluitend in onderaanneming werken en bijgevolg moeten factureren met verlegging van heffing kampen met hetzelfde probleem van voorfinanciering.

Kan de mogelijkheid van maandelijkse terugbetaling van permanente BTW-tegoeden ingevoerd worden voor aannemers die het grootste deel van hun werken in onderaanneming uitvoeren ?

ANTWOORD

Zoals het geacht lid terecht stelt werd het stelsel van de maandelijkse terugbetaling bedoeld in artikel 8/1, § 2, eerste lid, 3°, van het koninklijk besluit nr. 4 van 29 december 1969, ingevoerd voor deze belastingplichtigen die tijdens het vorige kalenderjaar voor ten minste 30 pct. van hun omzet handelingen hebben verricht die van de belasting zijn vrijgesteld op grond van artikel 39, 39bis of 39ter van het BTW-Wetboek of, binnen bepaalde voorwaarden en beperkingen, op grond van artikel 41 of 42 van hetzelfde wetboek. De genoemde bepaling viseert belastingplichtigen die goederen of diensten verrichten met betrekking tot goederen die buiten België vervoerd of verzonden worden.

Deze maatregel werd genomen ter compensatie van de opheffing op 1 januari 1993 van het artikel 43 van het BTW-Wetboek waarvoor ook enkel de hiervoor bedoelde belastingplichtigen in aanmerking kwamen (art. 49 van de wet van 28 december 1992 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde en het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, Belgisch Staatsblad van 31 december 1992, 1ste uitgave). Deze opheffing van artikel 43 van het BTW-Wetboek werd ingegeven door de noodzaak bepaalde maatregelen te treffen tegen de zogenaamde carrousel-fraude (zie memorie van toelichting bij het wetsontwerp tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde en het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, gedr.st. Kamer, nr. 684/1 - 92/93, 14 oktober 1992, blz. 46).

Aangezien derhalve de toestand inzake belastingkrediet voor de aannemers van werken in onroerende staat zowel vóór als na 1 januari 1993 nagenoeg ongewijzigd bleef, waren er geen redenen voorhanden om voormelde compensatiemaatregel, zoals het geacht lid voorstelt, uit te breiden tot de bouwsector.

In dit verband past het eraan te herinneren dat artikel 20 van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 (voorheen art. 17bis van het koninklijk besluit nr. 1 van 23 juli 1969) het vrijwaren van een normale concurrentie beoogt door het bestrijden van de fiscale fraude in een sector waarin deze hoogtij vierde. Een gezonde concurrentie vormt een wezenlijke bijdrage tot de rentabiliteit van de bonafide ondernemingen.

Overigens, de last welke eventueel het gevolg kan zijn van het bestaan van belastingkredieten in hoofde van de onderaannemers wordt gecompenseerd door de opheffing van hun voorfinanciering van de BTW.

Inderdaad, sinds de invoering van het stelsel van verlegging van de heffing in de bouwsector, zijn zij er niet meer toe gehouden de BTW te betalen die opeisbaar is uit hoofde van de handelingen die zij verrichten. Welnu, het is genoegzaam bekend dat in de onroerende sector dikwijls belangrijke termijnen verlopen tussen het ogenblik waarop de opeisbare BTW aan de Schatkist moet worden gestort door de leverancier of de dienstverrichter en dat waarop de klant de prijs van de handeling betaalt.

Daarenboven, door het feit zelf dat zij een belastingtegoed hebben, moeten de onderaannemers die gehouden zijn tot het indienen van kwartaalaangiften de in artikel 1, 4°, van het koninklijk besluit nr. 24 beoogde maandelijkse voorschotten niet meer betalen. Deze voorschotten zijn, in bepaalde gevallen, een andere vorm van voorfinanciering.

Tenslotte kan ik het geacht lid de verzekering geven dat de administratie van de BTW, Registratie en Domeinen alles in het werk stelt opdat de terugbetaling van belastingtegoeden zo vlug mogelijk wordt verricht.

Uit wat voorafgaat blijkt dat de voordelen van het systeem van de verlegging van de heffing opwegen tegen de nadelen ervan. Derhalve denk ik dat het niet aangewezen is ter zake nieuwe maatregelen te nemen.

Aangehaalde teksten

9
KB nr. 1 art. 202 voorkomens
WBTW art. 432 voorkomens
KB nr. 24 art. 11 voorkomen
WBTW art. 391 voorkomen
WBTW art. 39bis1 voorkomen
WBTW art. 39ter1 voorkomen
WBTW art. 411 voorkomen
WBTW art. 421 voorkomen