Btw-plicht verhuur ontmoetingscentra · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

853 2 maart 2022

Zoeken

Btw-plicht verhuur ontmoetingscentra

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/853-btw-plicht-verhuur-ontmoetingscentra-steven-b5d8

Nummer
853
Datum
2 maart 2022

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

36 paragrafen

Parlementaire vraag nr. 853 van de heer Steven Matheï d.d. 02.03.2022

Kamer, Vragen en Antwoorden, 2021-2022, QRVA 55/082 d.d. 05.04.2022, blz. 111

Vraag nr. 913 van De heer volksvertegenwoordiger Steven Matheï van 02 maart 2022 (N.) aan de vice-eersteminister en minister van Financiën, belast met de Coördinatie van de fraudebestrijding:

Btw-plicht verhuur ontmoetingscentra.

VRAAG

In principe is de verhuur van onroerende goederen niet onderworpen aan btw.

Het gaat dan over de situatie waarbij een gebouw of een deel van een gebouw "passief" ter beschikking wordt gesteld aan de huurder door de verhuurder. Dit betekent dat de verhuurder enkel het gebouw of de ruimte verhuurt en verder geen bijkomende diensten aanbiedt.

In een aantal situaties valt de onroerende verhuur wel onder de btw-plicht.

- Zo kan men kan men sinds 1 januari 2019 (wet van 18 oktober 2018) in bepaalde omstandigheden gebruik maken van een optioneel btw-stelsel waarbij men kiest voor btw-heffing op de verhuur van nieuwbouw of fundamentele vernieuwbouw.

- Ook wanneer er sprake is van kortdurende onroerende verhuur valt men in principe onder de btw-plicht (wet van 18 oktober 2018). Er zijn echter vier wettelijke uitzonderingen waarbij de btw-plicht bij kortstondige verhuur niet wordt toegepast: verhuur van onroerende goederen die bestemd zijn voor private bewoning, verhuur aan een natuurlijke persoon die het onroerend goed niet aanwendt voor de uitoefening van een economische activiteit, verhuur aan organisaties zonder winstoogmerk en verhuur aan organisaties die het onroerend goed aanwenden voor sociaal-cultureel vrijgestelde activiteiten (artikel 44, § 1 en § 2 Btw-Wetboek).

- Ook wanneer het niet gaat om een passieve verhuur, maar om een complexe dienst die verder gaat dan enkel gebruik van de ruimte, hebben we te maken met een verhuur waar wel btw op moet worden aangerekend.

Het verenigingsleven is een belangrijk onderdeel van onze samenleving. In Vlaanderen vindt het verenigingsleven zeer vaak plaats in tal van ontmoetingscentra in buurten, dorpen en steden. Veel van die ontmoetingscentra nemen de vorm aan van een vzw en verhuren hun lokalen onder andere aan verenigingen en particulieren.

Vaak is er geen sprake van passieve verhuur (die niet is onderworpen aan btw) maar van een complexe dienst die verder gaat dan enkel gebruik van de ruimte omdat er ook bijkomende diensten en prestaties worden geleverd. Wanneer deze zo belangrijk worden dat de verhuur op zich niet meer de hoofdzaak is en het voorwerp van de overeenkomst tussen de verhuurder en huurder niet langer een onroerende verhuur is, maar een complex geheel van diensten (waarvan de terbeschikkingstelling van de ruimte slechts één onderdeel is), spreekt men niet meer van passieve verhuur maar van actieve verhuur waarvoor de btw-vrijstelling niet van toepassing is.

De meeste ontmoetingscentra (vzw's) die hun lokalen verhuren en waarbij de huurder ook de drank moet afnemen van de vzw, veronderstellen dat men onder de passieve verhuur valt en dus vrijgesteld is van btw.

Een arrest van het Hof van Cassatie van 29 januari 2021 veroorzaakt echter ongerustheid bij ontmoetingscentra. Daar werd de vraag gesteld of de verhuur van een ontmoetingscentrum met drank een van btw vrijgestelde onroerende verhuur zou zijn. Het Hof oordeelde dat het om een complexe prestatie ging die niet voor btw-vrijstelling in aanmerking komt.

Deze uitspraak veroorzaakt ongerustheid omdat men vreest dat het niet meer om een feitenkwestie gaat en de btw-vrijstelling niet meer geval per geval beoordeeld wordt. Dit zou potentieel een grote impact op het verenigingsleven in Vlaanderen kunnen hebben aangezien dat vaak in ontmoetingscentra wordt georganiseerd.

1. Kan u bevestigen dat de btw-vrijstelling bij onroerende verhuur van ontmoetingscentra met drank wel degelijk geval per geval moet beoordeeld worden en het dus nog steeds om een feitenkwestie gaat?

2. Wordt een onderscheid gemaakt tussen verhuur van ontmoetingscentra met drank voor privéfeesten, gewone samenkomsten en vergaderingen van verenigingen?

ANTWOORD

van de vice-eersteminister en minister van Financiën, belast met de Coördinatie van de fraudebestrijding van 05.04.2022:

1. Sinds 1 januari 2019 is ingevolge artikel 44, § 3, 2°, a), zevende streepje van het Btw-Wetboek een verplichte btw-heffing ingevoerd ten aanzien van de verhuur van een onroerend goed voor een periode van niet meer dan zes maanden.

Evenwel is de louter passieve terbeschikkingstelling van een zaal, zonder dat deze terbeschikkingstelling kan worden beschouwd als een element van een complexe dienst, aan verenigingen en particulieren die de zaal slechts voor een korte duur gebruiken, als onroerende verhuur vrijgesteld van de btw wanneer zij gebeurt:

- aan natuurlijke personen die de zaal gebruiken voor hun privédoeleinden of, meer in het algemeen voor andere doeleinden dan die van hun economische activiteit,

- aan organismen zonder winstoogmerk,

- aan eenieder die de goederen aanwendt voor handelingen die vrijgesteld zijn op grond van artikel 44, § 2, van het Btw-Wetboek (sportclubs, onderwijsinstellingen, musea en dergelijke).

De terbeschikkingstelling van tafels en stoelen en meer in het algemeen van alle goederen die de basisuitrusting van de zaal vormen, wordt als een bijzaak van de vrijgestelde verhuur gezien en is in de bedoelde omstandigheden bijgevolg evenmin aan de btw onderworpen.

Wanneer naast de loutere onroerende verhuur en de daaraan bijkomstige diensten ook andere diensten (die niet als een bijzaak bij de onroerende verhuur kunnen worden beschouwd) worden verstrekt, is er sprake van een meervoudige handeling die uit een serie elementen en handelingen bestaat

Uit de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU volgt dat in het laatst bedoeld geval rekening dient te worden gehouden met alle omstandigheden waarin de betrokken handeling plaatsvindt teneinde te bepalen of het twee of meer afzonderlijke prestaties dan wel één enkele prestatie betreft, en of, in dat laatste geval, die enkele prestatie als dienstverrichting moet worden gekwalificeerd.

Bij die feitelijke beoordeling geldt als uitgangspunt dat elke handeling normaal gesproken als onderscheiden en zelfstandig moet worden beschouwd.

In twee gevallen is er evenwel sprake van één prestatie, namelijk:

- wanneer twee of meer elementen of handelingen die de belastingplichtige levert of verricht ten behoeve van de als modaal beschouwde consument, zo nauw met elkaar verbonden zijn dat zij objectief gezien één economische, niet te splitsen, prestatie vormen waarvan het kunstmatig zou zijn die uit elkaar te halen,

- wanneer één of meer elementen worden geacht de hoofdprestatie te vormen terwijl één of meer andere elementen moeten worden beschouwd als één of meer bijkomende prestaties die het fiscale lot van de hoofdprestatie delen.

Bij het laatste hierboven vernoemde geval geldt de overweging dat een dienst als bijzaak bij een hoofddienst moet worden beschouwd wanneer hij voor de klanten geen doel op zich is maar een middel om de hoofdprestatie van de dienstverrichter zo aantrekkelijk mogelijk te maken.

Dit laatste geldt bij de verhuur van een zaal, zoals hierboven reeds aangehaald, bijvoorbeeld voor de terbeschikkingstelling van tafels en stoelen en meer in het algemeen van alle goederen die de basisuitrusting van de zaal vormen.

De vraag of er in een welbepaald geval voor de toepassing van de btw sprake is van één complexe dienst dan wel van verschillende naast elkaar bestaande prestaties, is en blijft een feitenkwestie die geval per geval dient beoordeeld te worden. Er dient dus bij ieder apart geval nagegaan te worden welke bedoeling de consument heeft gehad bij de afname van de hem aangeboden diensten teneinde te bepalen of de terbeschikkingstelling van het uit zijn aard onroerend gedeelte slechts een element is van een complexe dienst die als een ondeelbaar geheel moet worden beschouwd.

Het Hof van Cassatie heeft in bedoeld arrest alleen maar bevestigd dat het hof van beroep te Gent in het arrest van 5 juni 2018 haar beslissing dat het in het aan haar voorgelegd geval, gelet op de door dat Hof vastgestelde feitelijke omstandigheden (waarover het Hof van Cassatie zelf geen uitspraak doet), een complexe dienst betrof, naar recht heeft verantwoord, m.a.w. dat het hof van beroep rechtsgeldig tot haar beslissing is kunnen komen rekening houdend met de door haar vastgestelde feitelijke omstandigheden van het voor haar aanhangig geding.

2. Concreet betekent het voorgaande dat de btw-vrijstelling bij onroerende verhuur van ontmoetingscentra met drank, zowel voor privéfeesten, gewone samenkomsten als vergaderingen voor verenigingen, wel degelijk geval per geval moet beoordeeld worden en het dus nog steeds om een feitenkwestie gaat hetgeen betekent dat het arrest van het Hof van Cassatie van 29 januari 2021 niet zomaar mag veralgemeend worden.

Aangehaalde teksten

1
WBTW art. 442 voorkomens