Maandelijkse teruggave van BTW · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

829 8 november 2001

Zoeken

Maandelijkse teruggave van BTW

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/829-maandelijkse-teruggave-btw-moerman-teruggaaf-70c8

Nummer
829
Datum
8 november 2001

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

21 paragrafen

Vr. en Antw., Kamer, 2001-2002, nr. 115, blz. 13983-13986

Maandelijkse teruggave van BTW

VRAAG

De BTW-aanschrijving nr. 7/1994 licht het stelsel nader toe van de maandelijkse teruggaaf van BTW, in voege getreden op 1 januari 1993.

Om de voorfinancieringslast te temperen, voorziet de BTW-reglementering in een stelsel van maandelijkse teruggaaf, waardoor belastingplichtigen die in belangrijke mate actief zijn in de internationale handel en geregeld belastingtegoeden hebben, bij het indienen van elke BTW-aangifte de teruggaaf kunnen vragen van het BTW-tegoed waartoe die aangifte aanleiding geeft, voor zover bepaalde voorwaarden en modaliteiten worden nageleefd.

De basisvoorwaarden waaraan moet voldaan worden, zijn:

•tijdens het verstreken kalenderjaar ten minste 30 % van zijn omzet gerealiseerd hebben met toepassing van de vrijstelling bedoeld in de artikelen 39, 39bis, 39ter of 39quater, en, onder de door of vanwege de minister te bepalen voorwaarden en beperkingen, in de artikelen 40, 41 of 42 van het BTW-Wetboek;

•tijdens dezelfde periode ten minste 500.000 frank belastingoverschot in zijn voordeel hebben gehad.

Voor het bepalen van de totale omzet wordt in de "aanschrijving" echter op geen enkele wijze rekening gehouden met de omzet die op basis van artikel 15, § 2, 1°, van het BTW-Wetboek vrijgesteld is van BTW. Betreffende handelingen zijn nochtans in grote lijnen vergelijkbaar met de handelingen die bedoeld zijn in artikel 39bis van het BTW-Wetboek en op basis waarvan wel maandelijkse teruggaaf van BTW kan worden bekomen.

1. Werden de handelingen bedoeld in artikel 15, § 2, 1°, van het BTW-Wetboek doelbewust uitgesloten uit de activiteiten die in aanmerking komen voor de maandelijkse teruggaaf van BTW?

2. Zo ja, op basis van welke concrete argumenten wordt deze uitsluiting gemotiveerd?

3. Bent u uiteindelijk niet van mening dat betreffende handelingen toch in aanmerking moeten komen voor het bekomen van de maandelijkse teruggaaf van BTW?

ANTWOORD

Zoals het geachte lid stelt, moet de belastingplichtige, overeenkomstig artikel 8 1, § 2, 3°, van het koninklijk besluit nr. 4 van 29 december 1969, om te kunnen genieten van het stelsel van de maandelijkse teruggaaf, tijdens het verstreken kalenderjaar voor ten minste 30 % van zijn omzet handelingen verricht hebben met toepassing van de vrijstelling bedoeld in de artikelen 39, 39bis of 39quater (artikel 39ter werd opgeheven bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1999) en, onder bepaalde voorwaarden en beperkingen bepaald door de minister van Financiën, in de artikelen 40, 41 of 42 van het BTW-Wetboek.

Bovendien moet hij tijdens dezelfde periode ten minste 500.000 frank belastingoverschot in zijn voordeel hebben gehad (12.390 euro vanaf 1 januari 2002).

Voor het vaststellen van de totale omzet, dient rekening te worden gehouden met alle handelingen die geacht worden plaats te vinden in België. Voor het vaststellen van de vrijgestelde omzet, dient rekening te worden gehouden met de handelingen die plaatsvinden in België en die vrijgesteld worden door de artikelen 39, 39bis, 39quater en 40 tot 42 van het BTW-Wetboek.

Er wordt aan het geachte lid opgemerkt dat de plaats van leveringen van goederen en van dienstverrichtingen bepaald wordt op grond van respectievelijk de artikelen 15 en 21 van het BTW-Wetboek. Het is in die zin dat de meerderheid van de handelingen die in aanmerking komen voor de berekening van de vrijgestelde omzet worden gelokaliseerd overeenkomstig artikel 15, § 2, 1°, van het BTW-Wetboek (op de plaats waar de verzending of het vervoer naar de verkrijger aanvangt, wanneer het goed door de leverancier, door de verkrijger of door een derde wordt vervoerd). Dit is bijvoorbeeld het geval voor de leveringen van goederen die zijn vrijgesteld door de artikelen 39 en 39bis van het BTW-Wetboek.

De reden waarom in principe enkel de handelingen die in België plaatshebben, voor de berekening in aanmerking worden genomen is dat deze normaal de enige zijn die vatbaar zijn om in België een belastingkrediet te veroorzaken. Inderdaad, voor de meerderheid van hun aankopen moeten de belastingplichtigen de Belgische BTW ondergaan, terwijl hun uitgaande handelingen van de BTW vrijgesteld zijn.

Aangezien zij doorgaans mede aan de basis liggen van het ontstaan van een belastingtegoed, heeft de Belgische administratie in de aanschrijving nr. 10 van 12 november 1996 (bijwerking van de aanschrijving nr. 7 van 28 maart 1994) toegestaan dat bepaalde handelingen die in het buitenland plaatsvinden toch in aanmerking mogen worden genomen voor de bepaling van zowel de totale als de vrijgestelde omzet. Dit is onder meer het geval voor bijvoorbeeld de verkopen op afstand die plaatsvinden op de plaats van aankomst van het vervoer (artikel 15, § 5, van het wetboek) alsmede voor de leveringen met installatie of montage door of voor rekening van de leverancier die plaatsvinden daar waar de installatie of montage wordt verricht (artikel 15, § 2, 2°, van het wetboek). Er moet worden vastgesteld dat hoewel deze twee categorieën van leveringen geacht worden in het buitenland plaats te vinden, de aanvang van het vervoer in België gesitueerd is, waardoor het bijgevolg waarschijnlijk is dat de Belgische belastingplichtige een Belgische BTW heeft moeten voorfinancieren bij de aankoop van de goederen om deze leveringen te verrichten.

Daarentegen mogen de leveringen van goederen die op grond van artikel 15, § 2, 1°, van het wetboek (plaats van aanvang van het vervoer) geacht worden in het buitenland plaats te vinden, niet in aanmerking worden genomen voor het bepalen van de totale omzet en de vrijgestelde omzet, omdat deze in België normaliter geen belastingkrediet veroorzaken. Inderdaad, om dergelijke leveringen te verrichten ondergaat de belastingplichtige ter gelegenheid van zijn aankopen in principe de BTW van het land waar de plaats van aanvang van het vervoer is gesitueerd en niet de Belgische BTW. Dit is de reden waarom er voor het stelsel van de maandelijkse teruggaaf niet beoogd wordt rekening te houden met deze categorie van leveringen.

Bovendien wordt er opgemerkt dat wanneer de belastingplichtige, teneinde deze in het buitenland gesitueerde leveringen te verrichten, in België goederen aankoopt, hij dan geacht wordt vanuit België een overbrenging te verrichten naar de lidstaat waar hij de levering verricht, die gelijkgesteld wordt met een intracommunautaire levering van goederen onder bezwarende titel, en in de lidstaat van bestemming een verwerving die gelijkgesteld wordt met een intracommunautaire verwerving onder bezwarende titel. Deze overbrenging wordt in principe van de BTW vrijgesteld op grond van artikel 39bis, eerste lid, 4°, van het BTW-Wetboek en kan bijgevolg in rekening gebracht worden voor het bepalen van de totale en de vrijgestelde omzet.

Aangehaalde teksten

8
WBTW art. 157 voorkomens
WBTW art. 39bis4 voorkomens
WBTW art. 403 voorkomens
WBTW art. 423 voorkomens
WBTW art. 392 voorkomens
WBTW art. 412 voorkomens
WBTW art. 211 voorkomen