Accountant. Beroepsgeheim · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

828 16 december 1993

Zoeken

Accountant. BeroepsgeheimAccountant. Beroepsgeheim.

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/828-accountant-beroepsgeheim-thissen-6815

Nummer
828
Datum
16 december 1993

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

26 paragrafen

Vr. en Antw., Kamer, 1993-1994, nr. 105, blz. 10.878-10.880

Accountant - Beroepsgeheim.

VRAAG

De belastingadministratie heeft relatief uitgebreide bevoegdheden inzake onderzoek. De belastingcontroleur en de BTW-controleur mogen bijvoorbeeld een accountant verplichten alle inlichtingen te verstrekken die zij nodig achten om de fiscale toestand van een van zijn cliënten te controleren.

Bepaalde vragen van de controleur kunnen de accountant evenwel in een moeilijk parket brengen, voor zover zij informatie betreffen die onder het beroepsgeheim valt.

Sinds het beroep van accountant in 1985 werd gereglementeerd, zijn de zelfstandige accountant en de mensen voor wie hij instaat (medewerkers, stagiairs, enzovoort), op straffe van strafrechtelijke of tuchtsancties gehouden tot het beroepsgeheim. Dat beroepsgeheim heeft betrekking op alle informatie die de accountant tijdens de uitoefening van zijn beroep bij zijn cliënt inwint, ongeacht of die wordt geput uit de rekeningen zelf, uit nota's van de cliënt of uit louter mondelinge vertrouwelijke mededelingen. Tevens mag de accountant in principe geen overtredingen (bijvoorbeeld van de wet op de boekhouding of van de fiscale wetgeving) van zijn cliënt overbrieven.

De verplichting tot geheimhouding is evenwel niet onbeperkt. Er zijn een aantal bij wet bepaalde of door de jurisprudentie erkende afwijkingen. Zo is er bijvoorbeeld het geval van een accountant die voor de rechtbank als getuige wordt opgeroepen. In een dergelijke situatie heeft de betrokkene echter nog altijd de keuze : hij kan wat hij tijdens de uitoefening van zijn beroep heeft vernomen, al dan niet bekendmaken.

Wanneer het beroepsgeheim van de accountant in botsing komt met het recht van onderzoek van de belastingadministratie, treedt de bijzondere procedure in werking die uitdrukkelijk in artikel 334 van het WIB 1992 vervat staat. Om dat conflict op te lossen bepaalt dat artikel dat "de administratie om tussenkomst van de territoriaal bevoegde tuchtoverheid (het Instituut der accountants) verzoekt opdat deze zou oordelen of, en gebeurlijk in welke mate, de vraag om inlichtingen of de overlegging van boeken en bescheiden verzoenbaar is met het eerbiedigen van het beroepsgeheim". Het Instituut der accountants zal dus moeten oordelen of de door de controleur gevraagde inlichtingen al dan niet worden beschermd door het beroepsgeheim. De uitspraak van het instituut is doorslaggevend.

Hoewel de bevoegdheden inzake onderzoek van de BTW-administratie even ruim zijn, mag het verwondering wekken dat het BTW-wetboek nergens in een soortgelijke bepaling voorziet. Anders gezegd, er bestaat geen arbitrageprocedure voor het oplossen van gebeurlijke conflictsituaties waarin een door het beroepsgeheim gebonden accountant tegenover de BTW- controleur staat.

Welke maatregelen heeft u genomen om die situatie recht te trekken ?

ANTWOORD

Zoals het geacht lid terecht opmerkt, zijn de accountants door artikel 95 van de wet van 21 februari 1985 houdende de hervorming van het bedrijfsrevisoraat, gehouden tot het beroepsgeheim.

Overeenkomstig artikel 78 van die wet, bestaan de opdrachten van de accountant uit :

1) het verifiëren en corrigeren van alle boekhoudkundige stukken;

2) de expertise, zowel privé als gerechtelijk, op het gebied van de boekhoudkundige organisatie van ondernemingen, alsmede de analyse volgens boekhoudmethodes van de toestand en de werking van ondernemingen vanuit het oogpunt van hun kredietwaardigheid, hun rentabiliteit en risico's;

3) de organisatie van de boekhoudingsdiensten en van de administratieve diensten van de ondernemingen, evenals het adviseren over de boekhoudkundige en administratieve organisatie van ondernemingen;

4) de organisatie en het voeren van de boekhouding van derden;

5) het verstrekken van advies in belastingzaken voor zover dat niet geschiedt als hoofdwerkzaamheid of voor zover dat door zijn aard een onderdeel uitmaakt van de uitoefening van een der werkzaamheden bedoeld onder 1).

Die opsomming is niet limitatief (zie de memorie van toelichting : Parl. stuk., Kamer, gewone zitting 1982-1983, nr. 552/1, blz. 42).

Wanneer een ambtenaar van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen, met toepassing van artikel 62, eerste lid, van het BTW- wetboek, een vraag om inlichtingen richt aan een accountant moet het hierna volgende onderscheid worden gemaakt.

Indien de accountant niet in die hoedanigheid maar als gemandateerde van de belastingplichtige handelt, wordt de vraag om inlichtingen in feite gericht aan de belastingplichtige zelf die ertoe gehouden is hetzij persoonlijk, hetzij door de bemiddeling van zijn lasthebber te antwoorden. Dat zal bijvoorbeeld het geval zijn indien de accountant de volmacht heeft gekregen om de aangiften op te stellen en te ondertekenen en de belastingambtenaar een vraag stelt met betrekking tot die aangiften.

Indien de accountant handelt in die hoedanigheid, staat het hem vrij om het beroepsgeheim waartoe hij gehouden is, in te roepen wanneer hij van oordeel is dat een vraag om inlichtingen hem er kan toe brengen om het beroepsgeheim te overtreden. Het lijkt nochtans zo te zijn dat een dergelijke vraag slechts uitzonderlijk in strijd zal zijn met de verplichting opgelegd door artikel 95 van voormelde wet van 21 februari 1985.

Niettemin, wanneer het beroepsgeheim wordt ingeroepen, komt het aan de Administratie van de BTW, registratie en domeinen toe om te beslissen of de gestelde vraag dreigt te leiden tot het niet eerbiedigen van het beroepsgeheim door de accountant. De administratie laat zich hierbij leiden door de toepasselijke rechtspraak en rechtsleer.

In elk geval kan de administratie altijd rechtstreeks een vraag stellen aan de klant van de accountant, zelfs wanneer er een volmacht bestaat. Hiervoor verwijs ik het geacht lid naar het antwoord dat ik heb gegeven op de vraag nr. 548 door de heer de Clippele (zie bulletin van Vragen en Antwoorden, Kamer, gewone zitting 1992-1993, nr. 64, van 21 juni 1993, blz. 5945).

In dat verband wil ik tevens erop wijzen dat, gezien de eigenheid van de belasting over de toegevoegde waarde, de inlichtingen in bepaalde omstandigheden uiterst snel moeten kunnen worden bekomen. Dat kan het geval zijn wanneer de administratie gehouden is tot een teruggave van een belastingkrediet, waarbij zij ertoe verplicht is om de echtheid ervan binnen een korte termijn te verifiëren zonder dat belemmeringen, al dan niet vrijwillig, worden uitgeoefend.

Ten slotte deel ik het geacht lid mee dat het ontwerp van wet houdende het Wetboek van belastingprocedure, dat werd goedgekeurd door de ministerraad, de bepalingen van het artikel 334, WIB 1992, uitbreidt tot alle in dat ontwerp bedoelde belastingen.

Aangehaalde teksten

1
WBTW art. 621 voorkomen