Vr. en Antw., Kamer, 2005-2006, nr. 084 , blz. 14421-14422
Schriftelijke akkoorden tussen de BTW- en belastingadministraties en de BTW- en belastingplichtigen
VRAAG
Zowel ter afronding van het onderzoek van de BTW- en de belastingdossiers als bij de afhandeling van fiscale bezwaar- en verzoekschriften worden bij wijze van minnelijke schikking of verzoening schriftelijke akkoorden of overeenkomsten gesloten waarin de belastingplichtige bepaalde belastbare elementen en/of belasting- of BTW-schulden erkennen.
In de huidige stand van de fiscale wetgeving en reglementering rijzen daarbij zowel op het vlak van de BTW als op het vlak van de directe belastingen thans gelijktijdig de volgende algemene vragen.
1. Zijn dergelijke akkoorden, deals of convenanten, zowel met betrekking tot principekwesties als tot feitenkwesties, juridisch bindend voor de toekomst en kan de BTW- en belastingplichtige en/of belastingschuldige daaruit rechten putten?
2.
a) Is hier zowel op het stuk van de BTW (indirecte belastingen) als op het stuk van de directe belastingen telkens sprake van een "dading" in de zin van artikel 2044, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek?
b) Zo neen, waarom telkens niet en op welke wijze wordt een eventuele verschillende benadering tussen de beide sectoren juridisch uitgelegd en naar voldoening van recht voortaan verantwoord?
3. Zijn de nationale en internationale bepalingen van het BTW-Wetboek net als bepalingen van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 eveneens van openbare orde?
4. Bestaat er inzake BTW een wettelijke of reglementaire nationale en/of internationale bepaling die gelijkaardig is aan die van artikel 50, § 1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en in bevestigend geval, hoe wordt deze in praktijk daadwerkelijk ingevuld?
5. Kan u afzonderlijk punt per punt uw actuele algemene zienswijze meedelen zowel onder meer in het licht van alle wettelijke en reglementaire bepalingen van het BTW-Wetboek, Europese richtlijnen, verdragen en verordeningen, het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, de artikelen 1134, 1354 tot 1356 en 2044 van het Burgerlijk Wetboek en de artikelen 170, § 1; 171 en 172 van de Gecoördineerde Grondwet als het openbare-ordekarakter van de belastingen?
ANTWOORD
1. Ter afronding van controles gesloten schriftelijke akkoorden tussen de belastingplichtige en de administratie, waarin de belastingplichtige bepaalde belastbare elementen en/of belasting- of BTW-schulden erkent zijn in principe bindend. Zowel de administratie als de belastingplichtige kunnen hieruit rechten putten. Dit betekent dat indien deze overeenkomsten wettig zijn aangegaan, ze degenen die ze hebben aangegaan tot wet strekken, en slechts kunnen herroepen worden met wederzijdse toestemming of op gronden door de wet erkend. Dit betekent echter geenszins dat er in geen enkel geval kan worden teruggekomen op een bestaand akkoord. Bovendien is het akkoord slechts bindend voorzover dezelfde omstandigheden aanwezig blijven en dezelfde voorwaarden vervuld blijven als deze waaronder het akkoord tot stand is gekomen. Elke wijziging der reglementaire of feitelijke omstandigheden kan een herroeping verantwoorden met ingang van het ontstaan van deze wijziging.
Wanneer een vermeend akkoord zonder meer strijdig is met de wettelijke voorschriften, kan het vertrouwensbeginsel, inhoudende de verplichting tot honorering van de opgewekte gerechtvaardigde verwachtingen waarop de burger zijn gedrag kan afstemmen, in geen geval worden ingeroepen.
2. Een naar aanleiding van een controle gesloten overeenkomst tussen de BTW-belastingplichtige en de BTW-administratie is een dading in de zin van artikel 2044 van het Burgerlijk Wetboek.
3. Alle belastingwetten zijn van openbare orde. Dit geldt bijgevolg ook voor het BTW-Wetboek.
4. Inzake BTW bestaat er geen bepaling die gelijkaardig is aan die van artikel 50, § 1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992. Inzake BTW mag de belastingplichtige, krachtens artikel 45, § 1, enkel de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten, van de door hem ingevoerde goederen en de door hem verrichte intracommunautaire verwervingen van goederen, aftrekken. Om de belasting die verschuldigd is voor de aan hem geleverde goederen en verstrekte diensten te mogen aftrekken moet de belastingplichtige, krachtens artikel 3, § 1,1°, van het koninklijk besluit nr. 3, in het bezit zijn van een door zijn leverancier uitgereikte regelmatige factuur waarop hem inzonderheid de opeisbare belasting afzonderlijk wordt in rekening gebracht. Voor invoeren en voor intracommunautaire verwervingen gelden nog andere voorwaarden.
Antwoord inzake directe belastingen
De belasting, en de vrijstelling of de wijziging ervan vinden hun grondslag slechts in de wet. Er kunnen ter zake geen voorrechten worden ingevoerd. De fiscale wetten zijn van openbare orde.
Daar waar een akkoord over feitenkwesties kan gaan, kan er geen worden gesloten nopens rechtskwesties.
De administratie is ertoe gehouden de bij de belastingplichtige opgewekte gerechtvaardigde verwachtingen na te komen. Het zo opgeroepen recht op rechtszekerheid, impliceert niet dat een akkoord dat een onwettelijk regime doet ontstaan moet worden toegepast, daar dit immers geen gerechtvaardigde verwachtingen kan doen ontstaan.
Het is op basis van voorafgaande regels dat de door het geachte lid aangehaalde akkoorden of conventies moeten worden beschouwd.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.