Vr. en Antw., Kamer, 1993-1994, nr. 88, blz. 8540-8541
BTW - Sportinfrastructuur - Verhuring
VRAAG
Een gemeentelijke vzw belast met het beheer van de gemeentelijke sportinfrastructuur verkrijgt het statuut van BTW-belastingplichtige. Die vzw verricht belastbare handelingen door de verhuur van terreinen in de plaatselijke sporthal aan sportclubs.
1. Wat is het toepasselijke BTW-tarief voor die handelingen ?
2. Worden wijzigingen in het vooruitzicht gesteld op het stuk van de BTW-reglementering met betrekking tot dergelijke verhuring ?
ANTWOORD
1. Op het eerste gezicht komt het mij voor dat de handeling die het geacht lid beoogt blijkbaar dient te worden aangemerkt als een dienst als bedoeld in artikel 18, § 1, tweede lid, 12°, van het BTW-wetboek, meer bepaald de toekenning van het recht gebruik te maken van een sportinrichting. Die dienst is onderworpen aan het tarief van 6 %.
Wanneer evenwel de terreinen ter beschikking worden gesteld door een vereniging zonder winstoogmerk geldt normaal de vrijstelling bepaald in artikel 44, § 2, 3°, van het BTW-wetboek op grond waarvan de diensten verstrekt door exploitanten van sportinrichtingen en inrichtingen voor lichamelijke opvoeding aan personen die er aan lichamelijke ontwikkeling of aan sport doen, zijn vrijgesteld van de BTW, wanneer die exploitanten en inrichtingen instellingen zijn die geen winstoogmerk hebben en zij de ontvangsten uit de vrijgestelde werkzaamheden uitsluitend gebruiken tot dekking van de kosten ervan.
Anderzijds is het echter niet uitgesloten dat de terbeschikkingstelling of de verhuur van terreinen onder bepaalde omstandigheden dient te worden aangemerkt als een onroerende verhuur, die op grond van artikel 44, § 3, 2°, van het BTW-wetboek eveneens van de belasting is vrijgesteld.
Om echter een correct en duidelijk antwoord op de gestelde vraag te kunnen geven, verzoek ik het geacht lid mij de concrete gegevens van dat geval mee te delen of in voorkomend geval de naam en het adres van de betrokken vereniging, zodat een onderzoek kan worden ingesteld.
2. Noch ten aanzien van de toekenning van het recht gebruik te maken van een sportinrichting zoals bedoeld in artikel 18, § 1, tweede lid, 12°, van het BTW-wetboek, noch ten aanzien van de vrijstelling vervat in artikel 44, § 2, 3°, van het BTW-wetboek worden wijzigingen in het vooruitzicht gesteld.
De vrijstelling met betrekking tot de onroerende verhuur blijft eveneens gehandhaafd.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.