Vr. en Antw., Senaat, 1993-1994, nr. 117, blz. 6237-6238
BTW-tarieven - Bijzondere margeregeling - Kunstvoorwerpen.
VRAAG
Wij vernemen dat de geachte minister de intentie heeft om de BTW op de verkoop van kunstwerken te verhogen.
Nochtans onderschreven het Belgische Parlement en de regering de UNESCO-resoluties van Belgrado 1980 die bepalen dat kunstwerken geen consumptiegoederen of investeringsmiddelen zijn, en dat zij aldus niet onderhevig mogen zijn aan onrechtstreekse belastingen op het moment van de creatie, de verspreiding of de eerste verkoop.
In die zin werd de BTW op de verkoop van kunstwerken door de toenmalige minister van Financiën verlaagd van 17,5 naar 6 pct.
Graag kreeg ik een antwoord op volgende vragen :
1. Klopt het dat de geachte minister de intentie heeft om de BTW op de verkoop van kunst te verhogen ? Waarom ? Wanneer ? In welke mate ?
2. Is een mogelijke verhoging dan niet in tegenspraak met de bewuste UNESCO-resoluties van Belgrado 1980, ook door ons land onderschreven ?
3. Pleegt de geachte minister over deze aangelegenheid desgevallend overleg met de betrokken (kunst)sectoren en -verenigingen ? Waarom desgevallend niet ?
ANTWOORD
Op 14 februari 1994 werd door de Raad van de Europese Unie richtlijn 94/5/EG vastgesteld tot aanvulling van het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde en tot wijziging van richtlijn 77/388/EEG, betreffende de bijzondere regeling voor gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten.
Krachtens deze richtlijn hebben de lidstaten vanaf uiterlijk 1 januari 1995 slechts de mogelijkheid een verlaagd BTW-tarief toe te passen op leveringen van in bijlage I ervan opgesomde kunstvoorwerpen die door de maker of diens rechthebbenden worden verricht of die incidenteel worden verricht door een andere belastingplichtige dan een belastingplichtige wederverkoper wanneer deze kunstvoorwerpen door deze belastingplichtige zelf zijn ingevoerd of hem zijn geleverd door de maker of diens rechthebbenden of te zijnen gunste het recht op volledige aftrek van de belasting over de toegevoegde waarde hebben doen ontstaan.
Alle kunstvoorwerpen die thans krachtens rubriek XXI, van tabel A, van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20, van 20 juli 1970, inzake BTW-tarieven, onderworpen zijn aan het BTW-tarief van 6 pct., zijn eveneens opgenomen in de bijlage I van voornoemde richtlijn.
De richtlijn 94/5/EG stelt een communautaire regeling vast van belastingheffing over de marge, gerealiseerd door belastingplichtige wederverkopers op de door hen verrichte leveringen van kunstvoorwerpen, gebruikte goederen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten.
Ingevolge deze bepaling wordt de heffing van de BTW bij de wederverkoop van de genoemde goederen door de belastingplichtige wederverkoper beperkt tot de marge die door hem wordt gerealiseerd en die gelijk is aan het verschil tussen de verkoopprijs en de aankoopprijs. In de normale regeling van de belasting is de BTW verschuldigd over de totale verkoopprijs.
Zo zou de belastingplichtige wederverkoper een kunstvoorwerp, dat hem door de maker of diens rechthebbenden zou zijn geleverd tegen het verlaagd BTW-tarief, kunnen doorverkopen met toepassing van de biezondere regeling van belastingheffing over de marge. Deze laatste levering door de belastingplichtige wederverkoper zal onderworpen zijn aan het normaal BTW-tarief.
Het ligt in de bedoeling die biezondere margeregeling te laten in werking treden op 1 januari 1995.
De implementatie van de richtlijn 94/5/EG in de Belgische BTW-wetgeving zal gebeuren na overleg met de betrokken sectoren en verenigingen.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.