Vr. en Antw., Kamer
Leasing van personenwagens - Grensoverschrijdende verhuur - Plaats van de dienst - Fiscale gevolgen - Harmonisatie
VRAAG
Het huidig systeem van vrijstelling van BTW voor buitenlandse leasing van personenwagens heeft tot gevolg dat deze formule zich sterk ontwikkelt. Dat heeft voor de Schatkist zeer nadelige gevolgen voor de inkomsten uit de BTW.
1. Hoeveel wagens werden er gedurende de jongste 3 jaar op deze manier geleasd?
2. Wat is de totale factuurwaarde van de wagens die via deze weg werden aangeschaft?
3. Hoeveel BTW per jaar ontglipte hierdoor gedurende de jongste 3 jaar aan de Schatkist?
4. Hoe kan U aan deze situatie een einde maken?
ANTWOORD
De hierna meegedeelde gegevens zijn eensdeels gebaseerd op de door buitenlandse verhuurmaatschappijen ingediende aanvragen om teruggaaf van BTW geheven bij de aankoop in België van de voor verhuur bestemde wagens en anderdeels op gegevens voortkomend uit de BTW-aangiften die worden ingediend door de aansprakelijke vertegenwoordigers van buitenlandse belastingplichtigen. Aangezien die aangiften niet uitsluitend de gegevens bevatten met betrekking tot de aankoop van voor verhuur bestemde wagens, kunnen de gevraagde inlichtingen dan ook slechts bij benadering worden meegedeeld.
1. Het aantal in België verhuurde wagens voor de jaren 1988 1989 en 1990 bedraagt respectievelijk ongeveer 1200, 1400 en 1800.
2. De factuurwaarde van de in België aangekochte wagens tijdens dezelfde jaren bedraagt, eveneens bij benadering, respectievelijk 1,6, 2,3 en 3,5 miljard Belgische frank.
3. Het gecumuleerde vermoedelijke verlies aan BTW voor de Schatkist voor dezelfde jaren beloopt respectievelijk 150, 300 en 450 miljoen.
4. Zoals vermeld in mijn antwoord op de vraag van de heer Kuypers , van 20 december 1990 Z. Revue nr. 94, blz. 157.
(zie bulletin van Vragen en Antwoorden, Senaat, nr. 16 van 29 januari 1991, blz. 668) is de zogenaamde «cross-border leasing» mee het gevolg van de regels inzake de bepaling van de plaats van de dienst ten aanzien van de verhuur van personenwagens die in casu op grond van artikel 21, §§ 2 en 3, 6°, a, van het BTW-Wetboek, gesteund op artikel 9 van de Zesde EEGRichtlijn van 17 mei 1977 Z. Revue nr. 30, blz. 263.
(Richtlijn nr. 77/388/EEG betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake omzetbelasting - gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag) plaatsvindt daar waar de verhuuronderneming de zetel van haar beroepswerkzaamheid of een vaste inrichting heeft. Bovendien is het ook zo dat het probleem ten aanzien van vanuit Nederland in België verhuurde vervoermiddelen ook voortvloeit uit de internationaal verschillende juridische kwalificatie van bepaalde roerende leasingovereenkomsten. Dit laatste probleem wordt evenwel in onderling overleg tussen de bevoegde Belgische en Nederlandse administraties onderzocht.
Ten slotte kan ik het geachte Lid meedelen dat aan bedoelde toestanden slechts een einde kan worden gesteld door een verdere harmonisering in de EEG van de wetgeving inzake indirecte belastingen, onder meer met betrekking tot de BTW-tarieven en het recht op aftrek van de voorbelasting.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.