Verkoop van tweedehandse wagens door niet-belastingplichtigen · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

74 7 oktober 1977

Zoeken

Verkoop van tweedehandse wagens door niet-belastingplichtigen

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/74-verkoop-tweedehandse-wagens-belastingplichtigen-bernard-d2dc

Nummer
74
Datum
7 oktober 1977

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

21 paragrafen

Vr. en Antw., Kamer

Verkoop van tweedehandse wagens door niet-belastingplichtigen

VRAAG

De Commissie van de Europese Gemeenschap heeft maanden geleden een "gemotiveerd advies" aan de Belgische Regering toegezonden waarin er wordt op gewezen dat de Belgische Belasting over de Toegevoegde Waarde op de tweedehandse wagens onder niet-belastingplichtigen en zonder de mogelijkheid in een eerder stadium betaalde belasting af te trekken, strijdig is met de bepalingen van de Gemeenschap.

Graag vernam ik van de Minister:

1. Wanneer België zijn bepalingen aan die richtlijnen zal aanpassen?

2. Of hij een maatregel zal voorstellen waardoor België formeel in regel is (door die belasting een andere naam te geven bijvoorbeeld)? Of hij daarentegen van plan is eveneens de geest van het Europees advies na te leven?

Kan men afgezien van de juridische en fiscale aspecten van dit probleem niet stellen dat een lagere belasting van de tweedehandse wagens leidt tot het aanmoedigen van de markt van tweedehandse wagens, een verlenging van de gebruiksduur van de wagens, een besparing van grondstoffen en van deviezen, en een vermindering van de belastingdruk voor de bevolkingsgroepen die het meest onder de belasting hebben te lijden?

ANTWOORD

1. Het is inderdaad juist dat de Commissie van de Europese Gemeenschappen op 10 januari 1977 een met redenen omkleed advies aan de Belgische Regering heeft toegezonden. Hierin beweert de Commissie dat de toepassing door België van een BTW op de verkoop van tweedehandse personenauto's door particulieren, met verwerping van het recht op aftrek, in strijd is met de bepalingen van de tweede richtlijn van 11 april 1967 inzake BTW.

De Regering heeft indertijd gemeend dat de verwijten die België werden gemaakt niet gegrond waren. Haar argumentering is tegelijk van juridische en economische aard.

Op juridisch gebied werd deze argumentering gehaald uit de bepalingen zelf van de tweede richtlijn, met name uit het derde lid van punt 2 van bijlage A, dat het mogelijk maakt handelingen die niet geregeld worden verricht, te belasten, en uit § 4 van artikel 11, dat de Staten toelaat bepaalde goederen en bepaalde diensten van de aftrekregeling uit te sluiten.

Op economisch gebied blijkt eveneens dat het Belgische stelsel concurrentieverstoring voorkomt en een maximale fiscale neutraliteit waarborgt, wat een van de fundamentele doelstellingen van de communautaire BTW vormt.

De Commissie is reeds voor het met redenen omkleed advies van 10 januari 1977 van deze overwegingen in kennis gesteld.

Ik onderschrijf ze volledig.

Onder die omstandigheden meent België niet in strijd met de tweede richtlijn te hebben gehandeld en niet van heden af haar wetgeving te moeten wijzigen.

2. Anders is het evenwel ten opzichte van de zesde richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen, van 17 mei 1977; artikel 13, B, c, van deze richtlijn verplicht immers de Staten, vanaf het in werking treden van de richtlijn, dit is vanaf 1 januari 1978, de leveringen van goederen waarvoor het recht op aftrek is uitgesloten, van de belasting vrij te stellen.

Daarom en mede gelet op bepaalde technische moeilijkheden bij de heffing van de huidige belasting, ben ik voornemens zeer binnenkort aan mijn Collega's van de Regering een wetsontwerp voor te leggen, waarbij de opheffing wordt beoogd van de heffing van de BTW bij leveringen van de bedoelde goederen door particulieren, door ze te vervangen door een specifieke belasting met een tarief dat gelijk is aan dat van de BTW; de inschrijving van de voertuigen bij de Dienst van het Wegverkeer zal met dit recht worden belast wanneer de BTW in hoofde van de houder van de inschrijving niet verschuldigd wordt; ze zal bijgevolg niet het kenmerk van een omzetbelasting hebben.

Dit voornemen werd reeds ter kennis gebracht van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, die verklaard heeft geen principiële bezwaren te haren opzichte te moeten maken.

In tegenstelling met wat het geacht Lid meent, verdient deze oplossing nadrukkelijke aanbeveling op economisch gebied. Zij waarborgt de neutraliteit in de handel van tweedehandse auto's tussen de beroepsverkopers en de particuliere verkopers.

Ze heeft overigens geen enkele weerslag op de structuur van de automobielhandel in het algemeen, aangezien zij geen enkele verlegging van lasten tussen de handel van nieuwe auto's en die van tweedehandse auto's ten gevolge zal hebben. Tenslotte zal zij de controle doeltreffender maken door deze voor de ingebruikneming van het voertuig te laten plaatshebben.