BTW-aangiften. Betalingstermijnen · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

73 16 januari 1981

Zoeken

BTW-aangiften. Betalingstermijnen

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/73-btw-aangiften-betalingstermijnen-windels-aangifte-43cb

Nummer
73
Datum
16 januari 1981

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

15 paragrafen

Vr. en Antw., Senaat

BTW-aangiften - Betalingstermijnen

VRAAG

Het zal de geachte Minister niet onbekend zijn dat een zeker deel van de BTW-belastingplichtigen een beroep doet op boekhoudingskantoren e.a. om voor hen de formaliteiten te vervullen nodig om hetzij de maandelijkse, hetzij de driemaandelijkse aangifte inzake BTW bij de bevoegde diensten in te dienen.

Het tijdig indienen van de driemaandelijkse aangifte is door uw verklaring d.d. 14 maart 1973 (BTW-Revue nr. 15, blz. 220) een maatregel geweest die de boekhoudingskantoren de mogelijkheid geeft de aangifte op te stellen en in te dienen binnen de twintig dagen na het verstrijken van de wettelijke termijn, zonder dat dit voor de BTW-belastingplichtige aanleiding geeft tot boeten.

Kwestie indienen der aangifte bestaat er dus een tegemoetkoming.

Aangaande de betaling der rechten loopt het voor de BTW-belastingplichtigen veelal niet zonder intrest, alleen te wijten aan de zeer korte termijnen.

Kan derhalve de geachte Minister niet overwegen de betalingstermijnen als volgt aan te passen? Uit de praktijk blijkt immers dat aldus heel wat moeilijkheden zouden kunnen opgelost worden:

- Maandaangiften Betaling binnen de maand of uiterlijk de 25e van de maand volgend op de maand waarop de aangifte betrekking heeft;

- Kwartaalaangiften Invoeren van een derde voorschot, gelijk aan de twee voorschotten zoals deze nu voorzien zijn.

Dit derde voorschot zou dan moeten betaald zijn tegen de 20e van de maand die volgt op het kwartaal waarop de aangifte betrekking heeft en dan het saldo uiterlijk op de 15e van de daaropvolgende maand.

ANTWOORD

de door het geachte Lid gedane voorstellen schijnen niet te kunnen worden aanvaard.

Inderdaad, buiten de ontwrichting die ze zal uitlokken op het vlak van de thesaurie schijnt de voorgestelde oplossing niet van aard om de aan de belastingplichtigen opgelegde formaliteiten te vereenvoudigen, meer bepaald voor de belastingplichtigen gehouden tot het indienen van trimestriële aangiften.

Daarenboven kan er aangestipt worden dat voor de contante verkopen - die vooral voorkomen bij kleine en middelgrote ondernemingen - de belastingplichtige over een termijn beschikt van twintig tot vijftig dagen vooraleer hij de door hem ontvangen belasting aan de Schatkist stort.