VRAAG
1. Moet een BTW-plichtige wiens beroepswerkzaamheid normaal belast wordt, facturen opmaken wanneer hij tegelijk van de belasting vrijgestelde activiteiten uitoefent, zoals het verhuren van vastgoed ?
2. Zo ja, in welk vakje van zijn BTW-aangifte moeten dergelijke verrichtingen worden ingevuld ?
3. Moeten die verrichtingen ook in de jaarlijkse BTW-listing worden opgenomen ?
4. Welke categorieën van BTW-plichtigen zijn niet verplicht in die omstandigheden facturen op te maken ?
ANTWOORD
1 en 4. De algemene regels met betrekking tot de verplichting tot uitreiking van een factuur zijn de volgende.
Overeenkomstig artikel 1, § 1, 1°, van het koninklijk besluit nr. 1, van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, is elke belastingplichtige, behalve hij die uitsluitend leveringen van goederen of diensten verricht die zijn vrijgesteld door artikel 44 van het BTW-wetboek, waarvoor hij geen recht op aftrek heeft, gehouden aan zijn medecontractant een factuur uit te reiken voor de leveringen van goederen en de diensten die hij verricht in het kader van zijn economische activiteit.
De enige door de reglementaire bepalingen vastgestelde ontheffing is deze die artikel 1, § 2, eerste lid, van het voormelde koninklijk besluit nr. 1 instelt voor de goederen en de diensten verstrekt aan natuurlijke personen die ze bestemmen voor hun privé-gebruik. En dan nog is deze ontheffing niet van toepassing op de handelingen, opgesomd onder de punten 1° tot 12° van artikel 1, § 2, tweede lid, van dit koninklijk besluit nr. 1, waarvan de tekst rechtstreeks aan het geacht lid zal worden toegezonden.
Bijgevolg, en onder voorbehoud van de hiervoor aangehaalde ontheffing, is de belastingplichtige die zowel handelingen die daadwerkelijk aan de BTW zijn onderworpen als door het voormeld artikel 44 vrijgestelde handelingen van onroerende verhuur verricht, strikt gehouden een factuur uit te reiken voor alle handelingen die hij verricht in de uitoefening van zijn economische activiteit, met inbegrip dus van de beoogde handelingen van onroerende verhuur.
Evenwel, wat betreft meer in het bijzonder de handelingen van onroerende verhuur vrijgesteld krachtens artikel 44, § 3, 2°, van het BTW-wetboek, waarvan de tekst rechtstreeks aan het geacht lid zal worden medegedeeld, heeft de administratie beslist om de belastingplichtige te ontheffen van zijn verplichting een factuur uit te reiken, wanneer de twee volgende voorwaarden gelijktijdig zijn vervuld. Enerzijds, mogen deze handelingen niet wijzen op een specifieke economische activiteit van onroerende verrichtingen in hoofde van de belastingplichtige en, anderzijds, moet er een geregistreerd huurcontract bestaan.
Onder een specifieke economische activiteit van onroerende verrichtingen, dient te worden verstaan de activiteit van een persoon die uitsluitend of hoofdzakelijk in de onroerende sector opereert (wat bijvoorbeeld het geval is voor een immobiliënkantoor).
2. Enkel de krachtens artikel 44 van het BTW-wetboek vrijgestelde handelingen, waarvoor krachtens artikel 45, § 1, 4° en 5° van dit wetboek desondanks een recht op aftrek van de BTW bestaat, moeten worden vermeld in de periodieke BTW-aangifte, in het onderhavige geval in rooster 47.
In het precieze geval van de onroerende verhuur, slaande op handelingen waarvoor geen recht op aftrek van de BTW bestaat, moet het bedrag van die handelingen derhalve niet worden opgenomen in de voormelde aangifte.
3. Indien, rekening houdend met de hiervoor uiteengezette regels, de belastingplichtige gehouden is aan zijn medecontractant een factuur uit te reiken, is hij eveneens gehouden de handeling die deze factuur vaststelt, op te nemen in de jaarlijkse opgave van zijn voor de BTW in België geïdentificeerde belastingplichtige afnemers.