VRAAG
Garagehouders zonderen soms geleasde auto's af om ze te gebruiken als directiewagen of vervangwagen voor hun klanten. Zodra er een koper gevonden wordt, wordt het leasingcontract beëindigd en verkopen ze het voertuig. Doorgaans wordt een voertuig nog geen 18 maanden voor deze doeleinden gebruikt.
1. Valt deze vorm van afzondering wel degelijk onder de bepalingen van circulaire nr. 9/85 (met andere woorden geen toepassing van artikel 45, § 2, van het BTW-Wetboek), en hoe moet de te regulariseren maatstaf van heffing berekend worden wanneer het voertuig meer dan 3 maar minder dan 18 maanden voor deze doeleinden wordt gebruikt, en tellen de volledige huursom in het kader van het leasingcontract plus de prijs die betaald werd bij het sluiten van het optiecontract mee voor de berekening van de regularisatie ?
2. Wat gebeurt er als de geleasde auto, die door de garagehouder wordt aangekocht, in afwachting van een koper niet meer ter beschikking van de klanten gesteld wordt na het verstrijken van de periode van 3 of 18 maanden?
3. Verliest de garagehouder, die de brandstof levert voor de voertuigen die hij verkoopt of afzondert, dientengevolge het recht op de BTW die hij op die brandstof heeft betaald volledig te mogen aftrekken, omdat hij artikel 45, § 2, van het BTW-Wetboek moet toepassen? Een voertuig moet nochtans geleverd worden met een weinig brandstof in de tank, en de klanten tanken doorgaans zelf en op eigen kosten het voertuig dat ze gebruikt hebben vol.
4. Moet er een voordeel in natura worden vastgesteld voor voertuigen die afgezonderd en door bedrijfsleiders of personeelsleden voor privé-vervoer gebruikt werden?
ANTWOORD
1 en 2. De ministeriële aanschrijving nr. 9 van 30 juli 1985, waarnaar het geachte lid verwijst, beoogt enkel de voertuigen die de handelaars in voertuigen hebben verworven met het oog op doorverkoop en die ze tijdelijk gebruiken, onder de voorwaarden gesteld in onderhavige aanschrijving, ofwel voor hun privédoeleinden of voor privé-doeleinden van hun personeel, ofwel als bedrijfsmiddel ten behoeve van hun onderneming.
Deze aanschrijving beoogt geen voertuigen die werden geleasd om te worden gebruikt als vervang- of demonstratiewagen. Dit heeft als gevolg dat artikel 45, § 2, van het BTW-Wetboek van toepassing is op de belastingen geheven op de huurvergoedingen voor die voertuigen, alsook overigens op de andere kosten betreffende het gebruik van die voertuigen (met name brandstof, onderhouds- en reparatiekosten).
De belasting geheven van de levering van het voertuig, hetgeen zich voordoet op het tijdstip waarop de handelaar in voertuigen de aankoopoptie voorzien in het leasingscontract licht, is daarentegen volledig aftrekbaar vermits het voertuig bestemd is voor doorverkoop. De regeling van de voornoemde aanschrijving nr. 9/1985 is niet van toepassing indien, zoals het geachte lid stelt, het voertuig niet meer gebruikt wordt, in afwachting van de verkoop, voor de doeleinden vermeld in het eerste lid hiervoor.
Indien de handelaar in voertuigen op het ogenblik van het lichten van de optie daarentegen overweegt het voertuig verder te gebruiken voor één van die doeleinden, kan hij voor dat gebruik de bijzondere regeling uiteengezet in de voormelde aanschrijving inroepen, welteverstaan dat in die veronderstelling het voertuig beschouwd dient te worden als een tweedehands voertuig. De regeling van toepassing op dat voertuig is uiteengezet in hoofdstuk III van de bedoelde aanschrijving.
3. De belasting geheven bij de aankoop van brandstof die de handelaar in voertuigen op hetzelfde tijdstip aan de koper levert als het voertuig is niet beoogd in de beperking voorzien in artikel 45, § 2, van het BTW-Wetboek.
Ik vestig de aandacht van het geachte lid erop dat de belastingen geheven op de kosten voor gebruik (met name brandstof, onderhouds- en herstellingskosten) van een voertuig, door een handelaar in die goederen, daarentegen beoogd zijn in de beperking voorzien in voormeld artikel 45, § 2. Dit is zelfs het geval wanneer dat voertuig gebruikt werd onder de bijzondere regeling uiteengezet in de voormelde aanschrijving nr. 9/85. De draagwijdte van de regeling uiteengezet in die aanschrijving is immers beperkt tot de belasting met betrekking tot de verwerving van het gebruikte voertuig en heeft geen betrekking op de kosten voor het gebruik van dat voertuig.
4. Inzake inkomstenbelastingen moet er een belastbaar voordeel van alle aard worden vastgesteld wanneer een wagen, die door een garage in leasing wordt genomen, door een personeelslid of door een bedrijfsleider van deze garage voor privé-doeleinden wordt gebruikt.
Dit voordeel van alle aard is belastbaar:
- als bezoldiging van een werknemer, op grond van artikel 31, tweede lid, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992), wanneer de wagen door een personeelslid wordt gebruikt;
- als bezoldiging van een bedrijfsleider, op grond van artikel 32, tweede lid, 2°, WIB 1992, wanneer de wagen wordt gebruikt door een bedrijfsleider van de vennootschap die de garage uitbaat.
Het bedrag van het voordeel van alle aard moet in beide gevallen worden vastgesteld overeenkomstig artikel 18, § 3, 9, van het koninklijk besluit tot uitvoering van het WIB 1992.