Vr. en Antw., Kamer, 2004-2005, nr. 082, blz. 13989-13992
Elia-heffing
VRAAG
Op 1 februari 2005 heb ik in de commissie voor de Financiën en de Begroting een vraag gesteld ten aanzien van de minister van Financiën aangaande de inning van de BTW op de Elia-heffing (vraag nr. 5189, Integraal Verslag, Kamer, 2004-2005, COM 479, blz. 3). Één van mijn vragen handelde over de fiscale grond om BTW te innen op de Elia-heffing.
De plaatsvervanger van de minister verwees in zijn antwoord naar artikel 26 van het BTW-Wetboek. Artikel 26 van het BTW-Wetboek bepaalt: "Voor de leveringen van goederen en de diensten wordt de belasting berekend over alles wat de leverancier van het goed of de dienstverrichter als tegenprestatie verkrijgt of moet verkrijgen van degene aan wie het goed wordt geleverd of de dienst wordt verstrekt, of van een derde, met inbegrip van de subsidies die rechtstreeks met de prijs van die handelingen verband houden.
Tot de maatstaf van heffing behoren onder meer de sommen die de leverancier van het goed of de dienstverrichter aan degene aan wie het goed wordt geleverd of de dienst wordt verstrekt in rekening brengt als kosten van commissie, verzekering en vervoer, ongeacht of zulks al dan niet bij een afzonderlijk debetdocument wordt gedaan of ingevolge een uitzonderlijke overeenkomst. Belastingen, rechten en heffingen moeten eveneens in de maatstaf van heffing worden opgenomen.".
1. Ik stel vast dat de specifieke omschrijving "belastingen, rechten en heffingen moeten eveneens in de maatstaf van heffing worden opgenomen" niet terug te vinden zijn in artikel 11, A, 1a, van de zesde BTW-richtlijn.
Is deze bepaling dan niet strijdig met de Europese BTW-richtlijnen?
2. In ieder geval werd de BTW in 1971 ingevoerd om de cumulatieve omzetbelasting te vervangen door een niet-cumulatieve belasting die erop gericht is de juiste finale consumptiebesteding te belasten. Het is dan ook moeilijk te begrijpen dat nu nogmaals belasting zou moeten betaald worden. Is dit volgens u in overeenstemming met de geest van de BTW-wetgeving?
3. Wat is de rechtsgrond voor het tarief op de belastingen, rechten en heffingen?
4. Wat is de rechtsgrond van de 21 % BTW?
ANTWOORD
(vice-eerste minister en minister van Financiën, 09.06.2005)
1. Deze bepaling is terug te vinden in artikel 11, A, 2, a), van de zesde BTW-richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 dat luidt als volgt: "In de maatstaf van heffing moeten worden opgenomen, belastingen, rechten en heffingen, met uitzondering van de belasting over de toegevoegde waarde zelf". De artikelen 26, derde lid, en 28, 6°, van het Belgische BTW-Wetboek zijn de omzetting van voornoemde Europese bepaling. De Belgische BTW-wetgeving is dus conform de Europese wetgeving ter zake.
2. Slechts wanneer de belastingen, rechten en heffingen een voorschot uitmaken in de zin van artikel 28, 5°, van het BTW-Wetboek, dat wil zeggen dat zij niet verschuldigd zijn in hoofde van de leverancier of dienstverrichter zelf maar dat deze ze voorschiet in naam en voor rekening van zijn medecontractant die door de reglementering die de desbetreffende belastingen, rechten en heffingen invoert, als schuldenaar wordt aangeduid, dienen deze niet in de maatstaf van heffing van de levering of dienst te worden opgenomen voor de berekening van de BTW.
Voor de toepassing van bovengenoemde regels moet dus worden nagegaan wie volgens de geldende reglementering schuldenaar is van bedoelde heffing.
Zoals reeds geantwoord op uw bovengenoemde mondelinge parlementaire vraag kan de zogenaamde Elia-heffing, dit is de federale bijdrage bedoeld in artikel 22 bis van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, ingevoegd door artikel 230 van de programmawet van 27 december 2004, in hoofde van de beheerders van het distributienet niet worden aangemerkt als een voorschot in naam en voor rekening van hun medecontractant in de zin van voormeld artikel 28, 5°.
Wanneer de beheerders van het distributienet de Elia-heffing doorrekenen aan hun klanten, moet deze heffing bijgevolg worden opgenomen in de maatstaf van heffing van de dienst die zij aan hun klanten verstrekken en die bestaat in het bieden van toegang tot, en transport of transmissie via elektriciteitsdistributiesystemen.
3 en 4. Het bepalen van het toepasselijk BTW-tarief gebeurt op grond van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven. Het bieden van toegang tot, en transport of transmissie via elektriciteitsdistributiesystemen is een dienst die niet is bedoeld in één van de tabellen A of B van de bijlage bij voormeld koninklijk besluit. Bijgevolg is deze dienst op grond van artikel 1, eerste lid, 3°, van dit koninklijk besluit onderworpen aan het BTW-tarief van 21 %.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.