Forfaitaire regelingen. Verlenging van de optietermijn tot 15 maart met uitwerking · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

70 5 januari 1983

Zoeken

Forfaitaire regelingen. Verlenging van de optietermijn tot 15 maart met uitwerkingForfaitaire regelingen. Verlenging van de optietermijn tot 15 maart met uitwerking op 1 april

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/70-forfaitaire-regelingen-verlenging-optietermijn-maart-be13

Nummer
70
Datum
5 januari 1983

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

14 paragrafen

Vr. en Antw., Senaat, 1982-1983, nr. 17, blz. 564

Forfaitaire regelingen - Verlenging van de optietermijn tot 15 maart met uitwerking op 1 april

VRAAG

De belastingplichtige die inzake BTW onder de forfaitaire regeling ressorteert, kan op zijn verzoek, gericht aan de controledienst van de BTW, overgaan naar de gewone regeling.

Artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit nr. 2 d.d. 7 november 1969 bepaalt dat die keuze aan de controledienst meegedeeld moet worden voor 15 maart en ingaat op 1 april van hetzelfde jaar.

De datum van 1 april is zonderling, vermits de (zelfs vereenvoudigde) boekhouding van de aanvrager bijgehouden wordt per kalenderjaar, wat voor natuurlijke personen de enige mogelijkheid is.

Wie op 1 april naar een andere regeling overgaat, moet dus van 1 januari tot 31 maart één regeling in acht nemen, van 1 april tot 31 december een andere regeling.

Dat is niet gemakkelijk voor de boekhouding, en evenmin voor het opmaken van de jaarlijkse aangifte voor de personenbelasting, of voor de controle door Directe Belastingen. Bovendien lijkt de verandering in de boekhouding tijdens het kalenderjaar strijdig met de geest - zoniet met de tekst - van de wet van 17 juli 1975, die de grondslag van ons boekhoudrecht is.

Zou men dan ook de overgang niet moeten laten ingaan op 1 januari mits de Controledienst de aanvraag voor 15 december van het vorige jaar ontvangen heeft?

ANTWOORD

Artikel 5, § 1, van het koninklijk besluit nr. 2 van 7 november 1969, zoals het in voege was tot 1 april 1978, bepaalde dat de optie moest worden gedaan voor 15 december en dat ze uitwerking had van 1 januari daaropvolgend. Deze tekst was dus in overeenstemming met wat door het geachte Lid wordt gesteld.

Bij artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 februari 1978 ( Belgisch Staatsblad van 2 maart 1978) werd de optietermijn gebracht op 15 maart en dit om de volgende motieven.

De besprekingen welke gevoerd worden tussen de betrokken administraties en de diverse bedrijfsgroeperingen met het oog op de vaststelling van de voorlopige forfaitaire grondslagen voor het volgende jaar, worden ten vroegste aangevat in de loop van de maand oktober, zulks om rekening te houden met de meest recente gegevens en ontwikkelingen in de betrokken bedrijfssectoren. Materieel wordt het daardoor onmogelijk de nieuwe forfaitaire regelingen te verspreiden voor 15 december.

Om de belastingplichtigen toe te laten met kennis van zaken te opteren, werd aldus de optietermijn verlengd tot 15 maart met uitwerking op 1 april.

Aangehaalde teksten

1
KB nr. 2 art. 52 voorkomens