Vr. en Antw., Kamer, nr. 72, 1996-1997, blz. 9665-9667
Autovoertuigen - Maatstaf van heffing - Voordeel van alle aard.
VRAAG
Op grond van welke wetsbepaling wordt in de circulaire 4/1996 van 9 mei 1996 een andere berekeningswijze gehanteerd voor de aan de Staat te betalen BTW wanneer een voertuig door een BTW-plichtige voor privé-doeleinden wordt gebruikt dan wanneer het door de vertegenwoordigers of personeelsleden van de BTW-plichtige wordt gebruikt ?
ANTWOORD
Overeenkomstig artikel 19, § 1, van het BTW-wetboek worden zowel het gebruik voor de privé-doeleinden van een belastingplichtige als de terbeschikkingstelling voor de privé-doeleinden van zijn personeelsleden van een autovoertuig waarvoor in hoofde van de belastingplichtige recht op aftrek van de BTW is ontstaan, gelijkgesteld met een dienst verricht onder bezwarende titel die de BTW opeisbaar maakt.
Krachtens artikel 33, 2°, van genoemd wetboek bestaat in de regel de maatstaf van heffing voor deze handeling uit de voor het verrichten van de handeling gedane uitgaven.
Gelet evenwel op het feit dat de belastingplichtige voor een dergelijke handeling die bestaat in de terbeschikkingstelling van een autovoertuig de BTW geheven van de verkrijging en het gebruik van dat voertuig bij toepassing van artikel 45, § 2, van het BTW-wetboek slechts tot beloop van maximum 50 % in aftrek kan brengen, moet voor het bepalen van de maatstaf van heffing rekening worden gehouden met zowel de Europese rechtspraak (zie H.v.J., 25 mei 1993, zaak Möhsche - C.-193/91), die dubbele belastingheffing uitsluit als met het gebruik pro rata temporis van het bedoelde goed voor andere doeleinden dan die van de economische activiteit.
Gelet op deze overwegingen kunnen de gedane uitgaven slechts die uitgaven zijn waarvoor een geheel of gedeeltelijk recht op aftrek werd uitgeoefend en dit met het doel de belastingplichtige-eindverbruiker in dezelfde situatie te plaatsen alsof hij zijn recht op aftrek niet had uitgeoefend.
De elementen die bijgevolg oorspronkelijk niet werden belast en dus de restbelasting bevatten én de elementen die wel werden belast doch waarvoor geen recht op aftrek werd uitgeoefend, mogen dus niet in aanmerking worden genomen voor het bepalen van de maatstaf van heffing.
Deze regels zijn algemeen van toepassing op elke handeling bedoeld in voornoemd artikel 19, § 1, die aan de belasting onderworpen is.
Niettemin heeft de Administratie om voornoemde principes te respecteren om praktische redenen rekening willen houden met het verschil tussen het geval van de belastingplichtige die zijn voertuig zowel voor beroeps- als voor privé-doeleinden gebruikt en dat van de belastingplichtige die het kosteloos voor de doeleinden van zijn onderneming terbeschikking van zijn personeelsleden gestelde voertuig door laatstgenoemden eveneens voor privé-doeleinden laat gebruiken.
Welnu, aangezien in dit laatste geval het in het algemeen door de Administratie der directe belastingen vastgestelde voordeel in hoofde van de begunstigde personeelsleden, terzelfder tijd en in dezelfde mate een uitgave meebrengt in hoofde van de verstrekker ervan kan dat voordeel dienen als basis voor het bepalen van de maatstaf van heffing van de dienstverrichting.
Derhalve wordt bij de gratis terbeschikkingstelling door een belastingplichtige van een personenauto aan een personeelslid, de maatstaf van heffing vastgesteld op het bedrag van het voordeel van alle aard, verminderd met een bedrag als kosten dat ingevolge het bovengenoemde arrest uit de maatstaf van heffing moet geweerd worden én met het bedrag van de BTW dat oorspronkelijk door de belastingplichtige ingevolge de toepassing van artikel 45, § 2, van het BTW-wetboek niet in aftrek kon worden gebracht. Op de BTW die berekend wordt over de aldus vastgestelde maatstaf van heffing wordt de BTW die oorspronkelijk in hoofde van de belastingplichtige niet aftrekbaar was, toegerekend in de mate waarin deze in het te belasten voordeel is begrepen. Dit verschil is de uiteindelijk aan de Schatkist verschuldigde belasting.
Deze op praktische wijze berekende maatstaf vervangt het begrip "gedane uitgave", maar de belastingplichtige die de werkelijk gedane uitgaven kan vaststellen en aantonen mag die gebruiken als maatstaf van heffing voor de betreffende terbeschikkingstelling
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.