Beheer onderneming. Plaats van de dienst · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

645 9 april 2001

Zoeken

Beheer onderneming. Plaats van de dienst

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/645-beheer-onderneming-plaats-dienst-desimpel-4a5c

Nummer
645
Datum
9 april 2001

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

21 paragrafen

Vr. en Antw., Kamer, 2000-2001, blz. 10260-10262

BTW-Revue nr. 152, blz. 623

Beheer onderneming - Plaats van de dienst

VRAAG

Voor heffing van de BTW is van belang de plaats waar de dienst geacht wordt plaats te vinden.

Voor "intellectuele" diensten was dat tot in het verleden steeds daar waar de dienstontvanger is gevestigd.

Neem het voorbeeld van een Belgisch BTW-plichtige ondernemer die diensten van beheer presteert voor een in Nederland gevestigde werkvennootschap. Tot in het recente verleden werd zonder morren door de administratie aanvaard dat de plaats van de dienst zich in Nederland bevond met als gevolg dat de Belgische ondernemer op zijn facturatie geen Belgische BTW in rekening hoefde te brengen. De BTW werd "verlegd" naar het land van de dienstontvanger.

Naar aanleiding van een zeer concrete casus maakt de administratie nu een onderscheid tussen diensten van "beheer en leiding" van een onderneming op basis van zaakvoerderschap, bestuurdersmandaat of krachtens overeenkomst (managementdiensten), en diensten van loutere informatieverstrekking en advies.

Voor de eerste categorie stelt de administratie dat als plaats van de dienst geldt de vestigingsplaats van de dienstverrichter (dus België).

Gevolg is dat Belgische BTW op de factuur verschuldigd is, een BTW die vervolgens door de buitenlandse BTW-plichtige middels een zeer omslachtige teruggaafprocedure in Brussel kan teruggevorderd worden.

Slechts voor de tweede categorie van diensten blijft de verleggingsregeling van toepassing.

1. Heeft dit standpunt van de administratie een algemene werking of blijft dit beperkt tot deze ene casus?

2. Zo het standpunt een algemene werking heeft, acht u het dan opportuun dat het onmiddellijk wordt toegepast met retroactieve werking voor elke belastingplichtige en voor elke facturatie uit het verleden?

3. Zo ja, is het dan opportuun dat bij navordering van Belgische BTW een boete aan de belastingplichtige wordt opgelegd ook al is deze herleid tot het minimum van 10 %?

ANTWOORD

Overeenkomstig artikel 9, § 1, van de 6e richtlijn van de Raad van 17 mei 1977, betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting, omgezet in artikel 21, § 2, van het Belgisch BTW-Wetboek, wordt als plaats van een dienst aangemerkt de plaats waar de dienstverrichter de zetel van zijn economische activiteit of een vaste inrichting heeft gevestigd van waaruit hij de dienst verricht of, bij gebrek aan een dergelijke zetel of vaste inrichting, zijn woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats.

Op deze algemene regel bestaan evenwel afwijkingen, inzonderheid wanneer de handeling intellectueel werk tot voorwerp heeft in het kader van hun geregelde werkzaamheden verricht door juridische of andere adviseurs, accountants, ingenieurs, adviesbureaus en andere soortgelijke dienstverrichters, alsook informatieverwerking en -verschaffing, met uitzondering van de diensten die verband houden met een uit zijn aard onroerend goed en materiële werken of expertises die betrekking hebben op een ander goed dan een uit zijn aard onroerend goed.

Overeenkomstig de regels bepaald in artikel 9, tweede lid, sub e), derde streepje, van voormelde richtlijn, omgezet in artikel 21, § 3, 7°, d), van het BTW-Wetboek, vinden dergelijke handelingen plaats daar waar de ontvanger van de dienst de zetel van zijn economische activiteit of een vaste inrichting heeft gevestigd waarvoor de dienst is verricht of, bij gebreke, zijn woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats, wanneer de dienst wordt verleend aan een ontvanger die buiten de Gemeenschap is gevestigd of aan een belastingplichtige die in de Gemeenschap doch buiten het land van de dienstverrichter is gevestigd en handelt voor de doeleinden van zijn economische activiteit. De administratie heeft tot voor kort steeds aangenomen dat managementdiensten een intellectueel werk waren in de zin van dit artikel 21, § 3, 7°, d).

In de geest van het arrest van 16 september 1997 (zaak C-145/96 Bernd von Hoffmann tegen Finanzamt Trier) gewezen door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen inzake arbitrage, werd de administratie er evenwel toe gebracht haar standpunt opnieuw in overweging te nemen.

Wanneer een onderneming als activiteit het beheer en de leiding heeft van een andere onderneming, in de hoedanigheid van hetzij zaakvoerder, hetzij statutair beheerder, of nog krachtens een overeenkomst waardoor eerstgenoemde over de mogelijkheid beschikt zijn beleidslijnen aan laatstgenoemde op te leggen, wordt voortaan, in alle gevallen, de plaats van de in het kader van genoemde activiteit door die onderneming verrichte diensten bepaald overeenkomstig artikel 21, § 2, van het BTW-Wetboek.

In dit verband wordt verwezen naar mijn antwoord op vraag nr. 2-1220 van 19 maart 2001 van mevrouw de senator Clotilde Nyssens. Omdat dit standpunt nog niet het voorwerp heeft uitgemaakt van een publicatie, zal - in de gevallen waarin artikel 21, § 3, 7°, d) van het BTW-Wetboek werd toegepast - niet teruggekomen worden op de periode die voorafgaat aan de publicatie van het antwoord op de bovengenoemde vraag in het Bulletin van Vragen en Antwoorden. Instructies in deze zin zullen worden gegeven aan de lokale diensten van de BTW, er evenwel rekening mee houdend dat de personen die persoonlijk op de hoogte werden gebracht van de wijziging van het administratief standpunt ertoe gehouden zijn dit toe te passen vanaf het ogenblik dat deze beslissing hun werd meegedeeld.

Aangehaalde teksten

2