Vrijstelling van BTW in het stadium dat de uitvoer voorafgaat · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

63 8 december 1988

Zoeken

Vrijstelling van BTW in het stadium dat de uitvoer voorafgaatVrijstelling van BTW in het stadium dat de uitvoer voorafgaat (art. 43 van het BTW-Wetboek). Weerslag op het belastingtegoed

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/63-vrijstelling-btw-in-stadium-uitvoer-87df

Nummer
63
Datum
8 december 1988

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

25 paragrafen

Vr. en Antw., Senaat

Vrijstelling van BTW in het stadium dat de uitvoer voorafgaat (art. 43 van het BTW-Wetboek) - Weerslag op het belastingtegoed

VRAAG

De vrijstelling bedoeld in artikel 43 van het Wetboek op de BTW wordt geregeld door de artikelen 19 tot 25 van het koninklijk besluit van 27 december 1977 Z. Revue nr. 33, blz. 109.

Krachtens die regeling wordt bedoelde vrijstelling sinds 1 januari 1971 (datum van invoering van de BTW-regeling) toegepast volgens drie percentages: 50, 75 en 90 pct.

Op 1 april ]984 werd een nieuw percentage van vrijstelling, nl. 30 pct. ingevoerd bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 2 april 1984 Z. Revue nr. 63, blz. 359.

Voor de toepassing gelden dezelfde regels als in hoofdstuk VI van omzendbrief 17/1987 Z. Revue nr. 80, blz. 62 , maar het verkrijgen van die 30 pct. vrijstelling, veronderstelt dat de aan de BTW onderworpen persoon wegens zijn uitvoer belastingkrediet geniet.

De structuren van die wettelijke regeling is niet bevorderlijk voor de uitvoer. Het groot percentageverschil (30, 50, 75, 90 pct.) heeft immers onduldbare discriminaties tot gevolg:

- firma A maakt gebruik van de vrijstelling; ze bereikt een uitvoercijfer van 72 pct.; krachtens de vigerende wetgeving wordt haar de vrijstelling van 50 pct. toegestaan;

- firma B maakt ook gebruik van de vrijstelling, maar haar exportcijtcr is 51 pct.; de vrijstelling wordt toegestaan naar rata van 50 pct.

Die maatregel is niet van die aard dat ze de export bevordert, integendeel : ijverige exporteurs worden niet beloond en ondervinden dezelfde financiële nadelen als de andere. Die nivellering naar beneden toe zet niet aan tot het zoeken naar buitenlandse afzetgebieden, wat in strijd is met de bedoeling van artikel 43, nl. de bevordering van de export.

Het blijkt overduidelijk dat de gedane inspanning (72 pct. export) niet naar waarde geschat wordt. De opgelegde beperking van de aankoop met vrijstelling verhoogt uiteraard in sterke mate het belastingkrediet en het voorafbetaalde bedrag (verdaging van de betaling). Die financiële handeling is onverantwoord.

Kan u het probleem onderzoeken? Kan men de gebruikers van de vrijstelling niet toestaan, deze te genieten in verhouding tot hun export of met toepassing van drempels die veel dichter bij elkaar liggen (5 pct. verschil b.v.)?

De cijfers zouden jaarlijks herzien worden, wat de billijkheid zou herstellen en de werking van het bedrijfsleven zou verbeteren.

ANTWOORD

In tegenstelling tot hetgeen het geachte Lid denkt, vormt de reglementering met betrekking tot de vrijstelling bedoeld in artikel 43 van het BTW-Wetboek geen belemmering voor de uitvoer.

Ik geef wel toe dat het systeem van vrijstelling, dat een forfaitair systeem is, niet perfect tegemoet komt aan alle mogelijke situaties.

Nochtans mag niet uit het oog worden verloren dat de vrijstelling alleszins de financiële last van de uitvoerders sterk vermindert doordat ze de belastingtegoeden beperkt.

Het voorstel van het geachte Lid komt er bijgevolg op neer dat het volume mogelijke vrijstellingen bijna maximaal wordt uitgebreid ten voordele van de uitvoerders.

Toch garandeert dat voorstel de uitvoerders niet dat ze steeds belastingtegoeden kunnen vermijden omdat de totstandkoming van die tegoeden mede door andere elementen wordt bepaald.

Het voorstel zou de Schatkist daarentegen tot een nieuwe budgettaire inspanning verplichten maar zou vooral de leveranciers van de uitvoerders opzadelen met financiële lasten omdat hun belastingtegoeden zullen toenemen en zij volgens het Europees communautaire recht zelf geen recht hebben op de vrijstelling.

Rekening houdend met de op het stuk van de bedoelde vrijstelling reeds geleverde inspanningen en om de hiervoor vernoemde redenen, lijkt het mij niet opportuun om het huidige systeem van de vrijstelling te wijzigen in de voorgestelde zin.

Bovendien dient erop gewezen dat het probleem van veel minder belang zal zijn binnen het kader van de toekomstige Europese interne markt, waarbij volgens de vooruitzichten van de Commissie van de Europese Gemeenschap de intracommunautaire handelingen als binnenlandse handelingen van die markt zullen worden belast.

Ik doe tevens opmerken dat de administratie aandacht heeft voor ondernemingen die op het stuk van de uitvoer inspanningen leveren of die wegens uitzonderlijke gebeurtenissen het vrijstellingspercentage verliezen dat ze vroeger hadden maar die zich door hun investeringen en hun commerciële of industriële politiek inspannen om het vroegere percentage te herwinnen. Wanneer de omstandigheden zulks wettigen wordt een gunstige beslissing genomen.

De zaak die waarschijnlijk de basis vormt voor de tussenkomst van het geachte Lid, werd ongetwijfeld in die zin onderzocht

Aangehaalde teksten

1
WBTW art. 433 voorkomens