Vr. en Antw., Kamer, 1992-1993, nr. 71, blz. 6832-6834
BTW. - Niet-overbrenging.
VRAAG
Het verzenden naar België van een goed door een onderneming gevestigd buiten België maar binnen de Europese Gemeenschap, om het te verhuren aan een ontvanger gevestigd in België, is een geval van niet- overbrenging zoals bedoeld in de nieuwe artikelen 12bis, tweede lid, 6°, en 25quater, tweede lid, van het BTW-wetboek (vraag nr. 381 van 20 januari 1993, zie bulletin van Vragen en Antwoorden, Kamer, 1992-1993, nr. 50, blz.4204). Als alle in die bepalingen genoemde voorwaarden vervuld zijn, hoeft het buitenlandse bedrijf geen BTW-nummer in België aan te vragen.
1. Als het goederen betreft die voor 1 januari 1993 met betaling van de BTW op naam van buitenlandse bedrijven in België werden ingevoerd, en die bij het aflopen van de huurcontracten, in 1993 of later, naar de lidstaat van herkomst werden of worden teruggestuurd, kan men zich afvragen of de terugkeer van die goederen beschouwd dient te worden als de tweede fase van een "niet-overbrenging" die voor 1993 is ingegaan, dan wel als een overbrenging die gelijkgesteld wordt met een intracommunautaire levering.
2. Omgekeerd is er het voorbeeld van een Belgisch bedrijf dat voor 1993 materiaal naar een andere EG-lidstaat heeft uitgevoerd (waar de goederen niet onder een stelsel van tijdelijke invoer binnengelaten werden) voor verhuur aan een in dat land gevestigde klant. Dient de terugkeer van die goederen in België in 1993 of later te worden beschouwd als de tweede fase van een "niet-overbrenging" of als een transactie die gelijkgesteld wordt met een intracommunautaire verwerving?
3. Is artikel 12bis, tweede lid, 6°, van het BTW-wetboek van toepassing wanneer de dienstverrichtingen waarvoor de goederen tijdelijk naar een andere EG-lidstaat worden verzonden, van permanente aard is (bijvoorbeeld bij een huurcontract van onbepaalde duur met periodieke vervanging van het materiaal)?
ANTWOORD
Zoals het geacht lid in zijn vraag vermeldt, is de verzending van een roerend goed door een onderneming die buiten België maar binnen de Gemeenschap gevestigd is, naar een in België gevestigde huurder, een niet- overbrenging in de zin van artikel 12bis, lid 2, 6°, nieuw van het BTW- wetboek.
Het eerste geval betreft goederen die werden ingevoerd in België op naam van buitenlandse ondernemingen met betaling van de BTW voor 1 januari 1993 en die opnieuw werden of zullen worden verzonden naar de oorspronkelijke lidstaat bij afloop van de huurcontracten in 1993 of later. In die hypothese gebeurt de terugzending van de gehuurde goederen onder het stelsel van de niet-overbrengingen in de zin van artikel 12bis, tweede lid, 6°, van het BTW-wetboek.
Dezelfde oplossing geldt in het tweede geval. Wanneer een Belgische onderneming goederen heeft uitgevoerd voor 1993 naar een andere lidstaat (zonder toepassing van een stelsel van tijdelijke invoer) om in huur te worden gegeven aan een in dat land gevestigde klant en de goederen worden teruggestuurd naar België ingevolge de afloop in 1993 of later van het huurcontract, dan is de terugkeer van de goederen eveneens een geval van niet-overbrenging (artikel 12bis, tweede lid, 6°, van het BTW-wetboek).
Het door het geacht lid aangehaalde derde punt heeft betrekking op het stelsel dat toepasselijk is indien goederen tijdelijk worden verzonden naar een andere lidstaat ingevolge een huurcontract van onbepaalde duur. In de mate dat het, zoals in de twee vorige gevallen, gaat om goederen die worden verzonden voor tijdelijk gebruik op het grondgebied van de lidstaat van aankomst van de verzending of het vervoer, ten behoeve van verhuurdiensten verricht door een belastingplichtige die gevestigd is in de lidstaat van vertrek van de verzending of het vervoer, kan men nog altijd de verzending van de goederen die tijdelijk in huur worden gegeven in een andere lidstaat beschouwen als een niet-overbrenging in de zin van voormelde bepaling, op voorwaarde dat de goederen, op het ogenblik dat contractueel in hun vervanging wordt voorzien, effectief worden teruggezonden naar België. Indien aan die voorwaarde niet wordt voldaan, worden de goederen beschouwd als zijnde overgebracht naar een andere lidstaat (artikel 12bis, derde lid van het BTW-wetboek) met de verplichting voor de verhuurder zich voor BTW-doeleinden te laten identificeren (of in voorkomend geval een aansprakelijk vertegenwoordiger te later erkennen) in die Staat.