VRAAG
Op de website (https://eservices.minfin.fgov.be/myminfin-web/pages/fisconet/document/c43647e7-02a5-44d8- b462-d2633467f262#_Toc65170987) van de overheidsdienst Financiën is te lezen dat bij het geval dat een gebouw wordt gesloopt op een perceel waarop daarna meerdere woningen worden opgericht (splitsing bebouwd perceel) in dergelijk geval de oprichting van de nieuwe woningen, in principe, kan gebeuren met toepassing van het tarief van 6 %.
Er zijn een aantal voorbeelden op het terrein waar na samenvoeging van percelen en sloop van één of meerdere gebouwen het verlaagde btw-percentage slechts verhoudingsgewijs, naargelang het aantal nieuwbouwen, gegund wordt.
1. Kan er duidelijkheid geboden worden of bij samenvoeging van percelen en sloop van één of meerdere gebouwen slechts verhoudingsgewijs (dus slechts een verlaagd percentage voor de nieuwbouwen naar verhouding van het aantal gesloopte gebouwen) beroep gedaan kan worden op het verlaagde percentage dan wel alle woningen op het perceel hierop beroep kunnen doen, zoals de passage op de website van de FOD doet vermoeden?
2. Welke mogelijkheden heeft de burger wanneer hij/zij niet akkoord kan gaan met standpunt FOD Financiën?
3. Wordt er nagedacht over een eventuele uitbreiding van de motiveringsplicht in hoofde van de administratie? Namelijk ook in negatieve zin: zodat een betrokkene ook weet waarom er in welbepaalde gevallen niet aan verlaagd tarief gebouwd kan worden.
4. Plant u initiatieven om de wettelijke basis aan te passen en/of nog duidelijker te maken?
ANTWOORD
van de vice-eersteminister en minister van Financiën, belast met de Coördinatie van de fraudebestrijding van 04.11.2021:
1. U wil blijkbaar vernemen of het, in het kader van samenvoeging van percelen bij een afbraak- en heropbouwproject waarbij meerdere gebouwen worden opgericht, mogelijk is dat sommige nieuwe gebouwen het tijdelijk verlaagd btw-tarief van 6 % krachtens artikel 1quater van koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 inzake btw-tarieven kunnen genieten, terwijl andere nieuw opgerichte gebouwen onderworpen zijn aan 21 %.
Aangezien het toepasselijk btw-tarief afhankelijk is van het al dan niet vervullen van bepaalde grond- en vormvoorwaarden, is dit inderdaad mogelijk.
Terzake gelden er algemene grondvoorwaarden, te beoordelen per nieuw gebouw (de afbraak van een gebouw en daarmee gepaard gaande heropbouw van een nieuwe woning door dezelfde bouwheer op hetzelfde kadastraal perceel), alsook specifieke grondvoorwaarden te beoordelen per wooneenheid, zijnde woning/appartement (de zogenaamde 'sociale' voorwaarden in hoofde van de bouwheer/ verkrijger: gedurende vijf jaar hoofdzakelijk gebruik als eigen woning, enige woning, bewoonbare oppervlakte van maximum 200 m2; hetzij verhuur (of beheersmandaat) aan een sociaal verhuurkantoor met een minimumverhuurtermijn van minstens 15 jaar.
Indien een heropgebouwde eengezinswoning of woonblok op een perceel wordt opgericht dat ontstaan is door samenvoeging van meerdere kadastrale percelen en dit gebouw deels staat op een vroeger bebouwd kadastraal perceel en deels op een vroeger niet-bebouwd kadastraal perceel moet nagegaan worden of dit nieuwe gebouw voor ten minste 50 % (grondoppervlakte van de woning of de woningblok) is gelegen op een vroeger bebouwd perceel. Indien dit het geval is en voor zover de overige grond - en vormvoorwaarden uiteraard zijn vervuld, kan het verlaagd btw-tarief van 6 % worden toegepast. Indien dit niet het geval is, zal het normale btw-tarief van toepassing zijn op de onroerende werken of de verkoop met betrekking tot dat gebouw.
Voormelde bepalingen gelden eveneens als het project bestaat uit de heroprichting van meerdere gebouwen. Hierbij wordt opgemerkt dat eengezinswoningen steeds aangemerkt worden als afzonderlijke gebouwen zelfs indien ze aan elkaar zijn gebouwd. Een alleenstaand woonblok wordt ook als een afzonderlijk gebouw aangemerkt. Indien er meerdere woonblokken worden opgericht hangt het af van de feitelijke omstandigheden of ze al dan niet als één gebouw worden aangemerkt (zie gepubliceerde FAQ, editie 2 juni 2021).
2 en 3. De tijdelijke regeling inzake afbraak en heropbouw bedoeld in artikel 1quater, van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven wordt, onder de controle en het toezicht van de administratie, toegepast door de bouwheer en dienstverrichter (artikel 1quater, § § 1 en 2) of koper en leverancier (§ 3).
Wanneer de voorwaarden voor toepassing van de tijdelijke regeling inzake afbraak en heropbouw niet zijn vervuld, kan de administratie, na het tijdstip waarop de belasting opeisbaar is geworden overeenkomstig de artikelen 17, § 1, 22 en 22bis, § 1, van het Btw-Wetboek, de aanvullend verschuldigde belasting navorderen en, afhankelijk van de concrete omstandigheden van elk dossier, overgaan tot een rechtzetting in hoofde van hetzij de bouwheer of dienstverrichter, hetzij de koper of leverancier.
Naar aanleiding van een dergelijke rechtzetting zal de administratie kennis geven van de verantwoording van de belastingschuld (artikel 85, § 1, derde lid, van het Btw-Wetboek). De mededeling van deze verantwoordingselementen gebeurt in het kader van de uitdrukkelijke motivering van het innings- en invorderingsregister en bestaat uit de kennisgeving van de overwegingen in rechte en in feite die als grondslag dienen van het innings- en invorderingsregister.
Het innings- en invorderingsregister vormt de uitvoerbare titel voor de invordering van de belastingschuld en concretiseert de belastingschuld (artikel 85, § 1, eerste lid, van het Btw-Wetboek).
In geval van niet-akkoord met het standpunt ingenomen door de administratie heeft de bouwheer, dienstverrichter, koper of leverancier afhankelijk in wiens hoofde de btw door de administratie wordt nagevorderd, volgende mogelijkheden:
- het indienen van een administratief beroep (artikel 84, eerste lid, van het Btw-Wetboek);
- het indienen van een aanvraag tot bemiddeling bij de fiscale bemiddelingsdienst, voor zover althans het meningsverschil een blijvend karakter heeft verkregen (artikel 84quater, van het Btw-Wetboek);
- het indienen van een verzoek tot kwijtschelding of vermindering van de toegepaste administratie geldboeten (artikel 9 van het Regentbesluit van 18 maart 1831);
- het instellen van een rechtsvordering. De tenuitvoerlegging van het innings- en invorderingsregister kan slechts worden gestuit door een rechtsvordering (artikel 19, § 2, van het Wetboek van de minnelijke en gedwongen invordering van fiscale en niet-fiscale schuldvorderingen).
De bouwheer, dienstverrichter, koper of leverancier, kan voorafgaand aan het opeisbaar worden van de belasting overeenkomstig de artikelen 17, § 1, 22 en 22bis van het Btw-Wetboek, de administratie:
- op algemene wijze bevragen over de wijze waarop de tijdelijke regeling inzake afbraak en heropbouw dient te worden toegepast;
- concrete elementen van een btw-dossier dat betrekking heeft op de tijdelijke regeling afbraak- en heropbouw ter beoordeling voorleggen.
Een positief antwoord is in dat stadium steeds voorwaardelijk:
- de werkelijkheid moet overeenstemmen met de in de vraag weergegeven feitelijke omstandigheden;
- de bij de handeling betrokken partijen handelen in overeenstemming met het door de administratie gegeven antwoord;
- en mits alle andere voorwaarden voor de toepassing van het tarief van 6 % vervuld zijn.
Wanneer er daarentegen geen gunstig gevolg kan gegeven worden aan de vraag of het afbraak - en heropbouwproject binnen het toepassingsgebied van het verlaagde btw-tarief valt, moet de administratie voldoende uitleggen waarom dat zo is.
4. Er zijn op dit moment geen plannen om de tekst van het koninklijk besluit aan te passen. De praktische toepassingsproblemen van de tijdelijke tarifaire gunstmaatregel zullen wel worden geëvalueerd om hier lessen uit te trekken voor de toekomst.