Factureringsverplichting. Handelszaken · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

6 31 juli 2003

Zoeken

Factureringsverplichting. Handelszaken

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/6-factureringsverplichting-handelszaken-campenhout-facturatieplicht-handelszaak-e185

Nummer
6
Datum
31 juli 2003

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

28 paragrafen

Vr. en Antw., Kamer, 2003-2004, nr. 42, blz. 6462-6466

Factureringsverplichting - Handelszaken

VRAAG

Artikel 53, eerste lid, 2°, van het BTW-Wetboek, juncto artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de BTW (hierna KB nr. 1) stelt als algemeen principe inzake de facturatieplicht van BTW-belastingplichtigen dat een BTW-belastingplichtige gehouden is om aan zijn medecontractant een factuur uit te reiken.

Artikel 1, § 2, eerste lid, KB nr. 1 voorziet echter in een uitzondering op dit algemeen principe: een BTW-belastingplichtige is ontheven van de verplichting een factuur uit te reiken indien hij goederen levert of diensten verstrekt aan natuurlijke personen die ze bestemmen voor hun privé-gebruik. In artikel 1, § 2, tweede lid, KB nr. 1 worden dan weer een aantal uitzonderingen opgesomd op de ontheffing van de principiële factureringsplicht. Zo bepaalt artikel 1, § 2, tweede lid, 6°, KB nr. 1 dat de ontheffing van de verplichting tot het uitreiken van een factuur niet geldt voor de leveringen die betrekking hebben op goederen die, gelet op hun aard ervan, de wijze waarop zij worden aangeboden, de verkochte hoeveelheden of de toegepaste prijzen, kennelijk bestemd zijn voor een economisch gebruik, alsook de leveringen van goederen van de soort waarin de verkrijger handel drijft of die hij normaal bestemt voor de uitoefening van zijn economische activiteit.

In aanschrijving nr. 95 van 8 juni 1971 verklaart de administratie dat voor alle goederen die gelet op hun aard en hun conditionering kennelijk bestemd zijn voor een handels- of beroepsgebruik, de uitreiking van een factuur verplicht is, zelfs indien de koper een natuurlijk persoon is en hij beweert te kopen voor privé-gebruik. In aanschrijving nr. 109 van 20 november 1972 staat te lezen dat de uitreiking van de factuur verplicht is voor elke levering van goederen van de soort waarin de verkrijger handel drijft en die hij normaal bestemt voor beroepsdoeleinden, zelfs indien de koper een natuurlijke persoon die beweert te handelen voor privé-doeleinden.

Volgens het Hof van Cassatie (arrest van 8 september 1989) kunnen goederen in geval van twijfel alleen dan geacht worden niet voor beroepsdoeleinden bestemd te zijn indien het publiek bij de aankoop van deze goederen geen spontane associatie met professionele gebruikers maakt. Volgens de rechtbank van eerste aanleg te Brugge (vonnis van 20 januari 1993) is bij de beoordeling van de factureringsplicht niet de identiteit van de koper, maar wel de aard of presentatie van de goederen relevant.

In bepaalde sectoren (bijvoorbeeld grootwarenhuizen, drankencentrales, doe-het-zelfzaken enz.) worden goederen verkocht aan cliënteel dat zowel bestaat uit natuurlijke personen die de gekochte goederen voor privé-doeleinden gebruiken als natuurlijke personen die de goederen voor beroepsdoeleinden gebruiken. Indien dergelijke handelszaken een groot tot zeer groot cliënteel hebben, is het voor deze handelszaken praktisch onmogelijk om de BTW-hoedanigheid van hun cliënteel te kennen en/of de sector te kennen waarin de BTW-belastingplichtige koper werkzaam is. Er rijzen dan ook vele vragen in verband met de factureringsplicht en de daaraan verbonden fiscale risico's voor deze handelszaken.

1. Welke aansprakelijkheidsrisico's loopt een BTW-belastingplichtige op het gebied van inkomstenbelastingen en BTW indien hij goederen verkoopt aan een andere BTW-belastingplichtige zonder het uitreiken van een factuur, indien de BTW-belastingplichtige koper handelt voor beroepsdoeleinden en zijn hoedanigheid van BTW-belastingplichtige niet bekendmaakt?

2. Kan een BTW-belastingplichtige verkoper dit aansprakelijkheidsrisico uitsluiten door aan elke koper expliciet de vraag te stellen of hij BTWbelastingplichtige is die in die hoedanigheid handelt?

3. Zo neen, kan een BTW-belastingplichtige verkoper dit aansprakelijkheidsrisico uitsluiten door in zijn handelszaak een uithangbord op te hangen waarop de inhoud van artikel 1, § 2, tweede lid, 6°, KB nr. 1 vermeld staat, met daaronder de vermelding dat de BTW-belastingplichtige consumenten op wie dit wetsartikel van toepassing is, verplicht zijn dit te melden aan de kassa?

4. Indien deze voorzorgsmaatregelen niet voldoende zouden zijn, bestaan er dan volgens u andere voorzorgsmaatregelen die wel als voldoende kunnen beschouwd worden en bijgevolg het aansprakelijkheidsrisico in hoofde van de verkoper uitsluiten?

5. Bestaan er door de administratie opgestelde richtlijnen waarin bepaald wordt welke goederen of welke hoeveelheden van zulke goederen door het publiek zullen geassocieerd worden met beroepsgebruik?

6. Is de administratie bereid om in de toekomst richtlijnen op te stellen, eventueel in samenspraak met de beroepsorganisaties, voor beroepssectoren waarvoor nog geen dergelijke richtlijnen zijn opgesteld door de administratie?

ANTWOORD

(vice-eerste minister en minister van Financiën, 29.07.2004)

Ik heb de eer het geachte lid het volgende mee te delen.

De verplichting om een factuur uit te reiken inzake de belasting over de toegevoegde waarde wordt voornamelijk beoogd door artikel 53 van het BTW-Wetboek en door artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde. Deze bepalingen werden enigszins gewijzigd ingevolge de omzetting in Belgisch recht op 1 januari 2004 van de richtlijn 2001/115/EG van de Raad van 20 december 2001 inzake facturering, door de wet van 28 januari 2004 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 10 februari 2004) en door het koninklijk besluit van 16 februari 2004 tot wijziging van voormeld koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 (Belgisch Staatsblad van 27 februari 2004).

Aldus voorziet artikel 53, § 2 (nieuw), van het BTW-Wetboek vijf gevallen waarin de belastingplichtige, die andere leveringen van goederen of diensten verricht dan die welke krachtens artikel 44 van het BTW-Wetboek zijn vrijgesteld en die hem geen enkel recht op aftrek verlenen, ertoe gehouden is een factuur aan zijn medecontractant uit te reiken. Dit is onder meer het geval wanneer deze belastingplichtige een levering van goederen of een dienst verricht voor een belastingplichtige of een niet-belastingplichtige rechtspersoon (artikel 53, § 2, 1°, van het BTW-Wetboek).

In de situatie waarin een belastingplichtige leveringen van goederen of diensten verricht voor natuurlijke personen die ze bestemmen voor privé-gebruik, somt artikel 1 (nieuw) van voornoemd koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 twaalf gevallen op waarin de betrokken belastingplichtige gehouden is een factuur uit te reiken voor handelingen die overeenkomstig de artikelen 15 en 21 van het BTW-Wetboek in België plaatsvinden. Eén van deze gevallen van verplichte facturering beoogt de aan niet-belastingplichtigen gedane leveringen van goederen die, gelet op de wijze waarop zij worden aangeboden, de verkochte hoeveelheden of de toegepaste prijzen, kennelijk bestemd zijn voor een economisch gebruik, alsook de leveringen van goederen van de soort waarin de verkrijger handel drijft of die hij normaal bestemt voor de uitoefening van zijn economische activiteit (artikel 1, 6°, van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992).

Bij dit alles dient aangestipt dat niets er zich tegen verzet dat de belastingplichtige, die overeenkomstig de hierboven geciteerde regelgeving niet zou gehouden zijn een factuur uit te reiken, er niettemin spontaan een aan zijn medecontractant uitreikt.

In de punten 1 tot 4 van zijn vraag beoogt het geachte lid uitsluitend de situatie van een belastingplichtige die niet de hoedanigheid heeft van fabrikant of groothandelaar en die in België leveringen van goederen verricht voor BTW-belastingplichtige medecontractanten. Voor deze handelingen is genoemde belastingplichtige uiteraard gehouden aan zijn medecontractant een factuur uit te reiken en dit overeenkomstig het bepaalde in artikel 53, § 2, van het BTW-Wetboek. Daar het gaat om leveringen aan belastingplichtigen zijn de bepalingen van artikel 1 van het hiervoor beoogde koninklijk besluit nr. 1, en meer bepaald punt 6° ervan, hier niet aan de orde.

In deze omstandigheden moet de belastingplichtige het bewijs kunnen leveren dat hij alles in het werk heeft gesteld om zich ervan te vergewissen of zijn medecontractant al dan niet de hoedanigheid heeft van belastingplichtige en wanneer hij als zodanig geen factuur heeft uitgereikt, dat hij redelijkerwijze kon veronderstellen dat zijn medecontractant geen belastingplichtige was of tenminste dat laatstgenoemde de bedoelde goederen niet bestemde voor de uitoefening van een activiteit als belastingplichtige. De betrokken belastingplichtige mag derhalve stelselmatig aan zijn klanten vragen of ze al dan niet BTW-belastingplichtigen zijn; bij de toonbanken en/of kassa's vermelden dat belastingplichtige klanten hun hoedanigheid moeten kenbaar maken; vragen om de "fiches van economische identiteit" volledig in te vullen bij de toekenning van klanten- of getrouwheidskaarten. De situatie moet uiteraard geval per geval bekeken worden.

In geval van inbreuk inzake de verplichting tot uitreiking van facturen, loopt de belastingplichtige de boete op voorzien in artikel 70, § 2, van het BTW-Wetboek, met name een boete die gelijk is aan het dubbel van de op de handeling verschuldigde belasting, zonder dat ze minder mag bedragen dan 50 euro.

Deze boete is evenwel niet verschuldigd als de overtredingen louter toevallig zijn of als de leverancier geen ernstige reden had om te twijfelen aan de niet-belastingplicht van zijn medecontractant. In de uitzonderlijke gevallen van herhaaldelijke en niet-toevallige inbreuken zou een ambtshalve aanslag, zoals voorzien in artikel 66 van het BTW-Wetboek, kunnen worden opgelegd.

De inhoud van de punten 5 en 6 van de vraag van het geachte lid moet duidelijk onderscheiden worden van wat voorafgaat. Hier wordt immers de situatie bedoeld waarin de klant-koper een natuurlijke persoon is, niet-belastingplichtige of een niet als zodanig optredende belastingplichtige, die de gekochte goederen voor privé-doeleinden gebruikt. Het is immers slechts in deze situatie, en dus in geen geval wanneer de koper een rechtspersoon is of een als zodanig optredende belastingplichtige, dat de bepalingen voorzien in artikel 1, § 1, (6° in de omstandigheden beoogd in de vraag), van voormeld koninklijk besluit nr. 1 van toepassing zijn om te bepalen of de verkoper voor de leveringen in kwestie de verplichting heeft om een factuur uit te reiken.

De in beschouwing te nemen criteria die hoofdzakelijk in verband staan met de goederen zelf die zijn verkocht, hebben betrekking op hun aard of op de wijze waarop zij worden aangeboden alsmede op de toegepaste prijzen en op de verkochte hoeveelheden. Deze elementen worden in principe individueel en handeling per handeling in overweging genomen. Zij moeten aldus doen vermoeden dat de verkochte goederen klaarblijkelijk bestemd zijn voor economisch gebruik om, in dit geval, de uitreiking van een factuur verplicht te maken.

Het aantal goederen of types van goederen, economische sectoren en commerciële gebruiken al dan niet eigen aan deze verschillende sectoren, is zodanig uitgebreid dat het voor de administratie onmogelijk is om een lijst op te stellen of spontaan richtlijnen of een praktische verklarende commentaar van alle hiervoor beoogde gevallen uit te vaardigen.

De administratie is evenwel bereid concrete situaties die haar ter kennis worden gebracht door belastingplichtigen of representatieve beroepsverenigingen en beroepsfederaties die moeilijkheden zouden ondervinden om te bepalen of ze zich al dan niet in de situatie beoogd in artikel 1, § 1, 6°, van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992 bevinden, te onderzoeken en er zich over uit te spreken.

Aangehaalde teksten

7
KB nr. 1 art. 18 voorkomens
WBTW art. 534 voorkomens
WBTW art. 151 voorkomen
WBTW art. 211 voorkomen
WBTW art. 441 voorkomen
WBTW art. 661 voorkomen
WBTW art. 701 voorkomen