Regeling BTW-entrepot · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

596 9 oktober 1996

Zoeken

Regeling BTW-entrepot

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/596-regeling-btw-entrepot-huts-df3c

Nummer
596
Datum
9 oktober 1996

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

30 paragrafen

Vr. en Antw., Kamer, nr. 63, 1996-1997, blz. 8390-8394

Regeling BTW-entrepot.

VRAAG

De Tweede Vereenvoudigingsrichtlijn (95/7/EG) tot wijziging van de Zesde Richtlijn (77/388/EEG) voorziet in de invoering van een regeling entrepot ander dan douane-entrepot, ook genoemd de regeling BTW-entrepots. Zoals verwoord in die richtlijn dienen de lidstaten te voorzien in de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen om op 1 januari 1996 aan deze richtlijn te voldoen, onder meer op het vlak van de regeling BTW- entrepots met betrekking tot communautaire goederen.

Ter implementatie van het voorgaande in de Belgische BTW-wetgeving, werd het artikel 39quater opgenomen in het Belgische BTW-wetboek. Tevens werd het koninklijk besluit nr. 54 van 25 februari 1996 met betrekking tot de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot bedoeld in artikel 39quater van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde genomen ter uitvoering van voornoemde wetsbepaling. Onder meer artikel 11 van het bovengenoemde koninklijk besluit nr. 54 van 25 februari 1996 stelt uitdrukkelijk dat door (of vanwege) de minister van Financiën de praktische toepassingsvoorwaarden zullen bepaald worden. Het koninklijk besluit nr. 54 van 25 februari 1996 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1996.

1. Hoeveel aanvragen van BTW-belastingplichtigen werden tot op heden aan de BTW-administratie inzake de regeling BTW-entrepots met betrekking tot communautaire goederen, gericht ?

2. Hoeveel vergunningen ter zake werden tot op heden uitgereikt door de BTW-administratie ?

3. Indien nog geen vergunningen werden uitgereikt, wat is de reden daarvan ?

4. Artikel 7 van het genoemde koninklijk besluit nr. 54 van 25 februari 1996 bepaalt dat de vrijstelling, bedoeld in artikel 39quater, § 1, van het BTW-wetboek, voorlopig wordt verleend en somt de gevallen op waarin de bedoelde vrijstelling definitief wordt. Artikel 51, § 2, 3° en 4°, van het BTW-wetboek regelt de voldoening van de BTW in het kader van de regeling BTW-entrepots. Na lezing van de hogergenoemde bepalingen is het niet volkomen duidelijk wie de BTW moet voldoen, en op welke manier. Kan u dit verduidelijken en aangeven hoe de aanrekening van de BTW zat geschieden bij de uitslag van de goederen ?

5. Het koninklijk besluit nr. 54 van 25 februari 1996 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1996. Tot op heden zijn er nog steeds geen administratieve onderrichtingen bekend. Wat is de reden van het uitblijven van deze administratieve onderrichtingen ?

6. Zullen de ondernemingen die, wegens het ontbreken van administratieve onderrichtingen ter zake, geen gebruik hebben kunnen maken van de regeling BTW-entrepots, maar dit wel wilden doen op grond van de voor handen zijnde wetgeving, schadeloosstelling kunnen verkrijgen van de door hen gemiste kansen op het vlak van optimalisatie van hun BTW-positie ?

7. Zullen de ondernemingen, gelet op het ontbreken van administratieve onderrichtingen ter zake, gevrijwaard worden van navordering en van BTW, boeten en nalatigheidsinteresten voor de periode van 1 januari 1996 tot de datum van bekendmaking van de administratieve onderrichtingen inzake BTW- entrepots ?

8. Zullen de administratieve onderrichtingen aangepast zijn aan de manier van handel drijven op internationaal vlak en zullen zij rekening houden met de inzake BTW-entrepots uitgewerkte maatregelen in de andere lidstaten, zodat voor ons land geen concurrentieel nadeel ontstaat ten opzichte van de ons omringende landen ?

ANTWOORD

In tegenstelling tot hetgeen het geacht lid beweert, bestond de andere regeling van entrepot dan douane-entrepot (in België ook BTW-entrepot genoemd) reeds vóór 1 januari 1996 en dit zowel in het communautaire recht (artikel 16 van de Zesde BTW-Richtlijn) als in het Belgische recht (artikelen 39, § 2 en 40 - oud - van het BTW-wetboek).

Wat het Belgische recht betreft, konden de vrijstellingen van BTW in het kader van de regeling BTW-entrepot, zoals die bestonden vóór 1 januari 1996, in twee grote categorieën worden ingedeeld.

Een eerste categorie betreft de ingevoerde goederen. Daarbij konden goederen die werden opgeslagen op een plaats die was erkend als douane- entrepot, in het vrije verkeer worden gebracht, terwijl de heffing van de BTW wegens invoer werd opgeschort en verlegd naar het tijdstip waarop de goederen uit het entrepot werden uitgeslagen. Er golden bijna geen beperkingen wat betreft de aard van de goederen. Wel was een vergunning vereist die door de Administratie der douane en accijnzen werd uitgereikt.

Een tweede categorie betreft bepaalde goederen die in de Gemeenschap in het vrije verkeer zijn, die in België op een bepaalde erkende plaats werden opgeslagen, en die vervolgens werden doorverkocht, vaak via internationale markten om door de uiteindelijke koper te worden opgehaald. De toepassing van deze regeling was afhankelijk van het verkrijgen van een vergunning, uitgereikt door de Centrale administratie van de BTW, registratie en domeinen. Er wordt hierbij opgemerkt dat het accijnsentrepot voor de opslag van minerale oliën erkend werd als plaats van opslag onder de regeling BTW-entrepot (Parlementaire vraag nr. 247 van 23 januari 1996).

Ter gelegenheid van de besprekingen over de Tweede Vereenvoudigingsrichtlijn werd van Belgische zijde erover gewaakt dat de hiervoor genoemde stelsels zouden kunnen blijven bestaan, temeer omdat deze stelsels beantwoordden aan de desiderata van het Belgische bedrijfsleven waarvan de bevoegde administratie kennis had.

De Tweede Vereenvoudigingsrichtlijn (95/7/EG) van 10 april 1995, waarbij artikel 16 van de Zesde BTW-Richtlijn (77/388/EEG) werd herschreven, heeft enkel een begin van harmonisatie ingesteld voor de regeling BTW-entrepot. Deze harmonisatie komt er in essentie op neer dat tenminste de goederen opgenomen in bijlage J bij de Zesde Richtlijn, en die op een bepaalde plaats zijn opgeslagen, een gelijke fiscale behandeling moeten krijgen ongeacht of ze zich onder douaneverband bevinden (ingevoerde goederen) dan wel of ze in het vrije verkeer zijn (communautaire goederen). De bedoelde handeling komt neer op het verlenen van vrijstelling van BTW en van ontslag van fiscale vertegenwoordiging voor niet in het binnenland gevestigde belastingplichtigen die goederen verhandelen die zich onder dergelijke regelingen bevinden. Tot slot zijn de lidstaten verplicht om indien ze vrijstelling van BTW verlenen voor accijnsprodukten, de plaats die inzake accijns erkend is als belastingentrepot, ook te erkennen als plaats waar de regeling BTW-entrepot van toepassing is. Verder dan het hiervoor geschetste kader gaat de harmonisatie op EU-vlak niet. De lidstaten zijn dus vrij om de regeling BTW-entrepot zelf in te vullen, binnen de krijtlijnen van artikel 16 van de Zesde Richtlijn en zonder daarbij afbreuk te doen aan de grondbeginselen van de BTW.

Kortom, de regeling BTW-entrepot is bedoeld voor de kettingverkoop van bepaalde goederen, die zich in het vrije verkeer bevinden, en die op een bepaalde plaats zijn opgeslagen terwijl ze verhandeld worden, vaak via internationale markten.

Ter gelegenheid van de omzetting van de Tweede Vereenvoudigingsrichtlijn in nationaal recht op 1 januari 1996, werden de voordien bestaande bepalingen met betrekking tot de regeling BTW-entrepot gegroepeerd in één artikel van het BTW-wetboek (artikel 39quater) en in één koninklijk besluit (het koninklijk besluit nr. 54).

Rekening houdend met wat hiervoor werd uiteengezet, kunnen de door het geacht lid gestelde vragen als volgt beantwoord worden.

1, 2 en 3. Wat de praktische toepassing van de regeling betreft na 31 december 1995, werd de continuïteit verzekerd door de bestaande vergunningen ambtshalve te verlengen. Voor de ingevoerde goederen werden bij omzendbrief van 15 maart 1996 uitgaande van de administratie der douane en accijnzen, de voorwaarden bekendgemaakt voor de hernieuwing van de vóór 1 januari 1996 uitgereikte vergunningen. Voor de communautaire goederen blijven de vóór 1 januari 1996 uitgereikte vergunningen onverminderd van toepassing totdat de administratieve commentaar is verschenen. De Centrale administratie van de BTW heeft trouwens geen nieuwe aanvragen om vergunning ontvangen.

4. De uitslag van de goederen uit het BTW-entrepot stelt een einde aan de regeling. Op dat tijdstip moet op de goederen dezelfde fiscale druk wegen als wanneer de regeling niet zou zijn toegepast. Aan deze voorwaarde is steeds voldaan wanneer de uitslag het gevolg is van een levering onder bezwarende titel of van een daarmee gelijkgestelde handeling. Aan de voornoemde voorwaarde is niet voldaan wanneer de eigenaar de goederen uitslaat los van enige handelstransactie en de goederen in België blijven. In dit laatste geval moeten de goederen met BTW worden bezwaard. Dit gebeurt door terug te komen op de voorlopige vrijstelling van BTW voor de belastbare handeling(en) (invoer, levering van goederen, intracommunautaire verwerving van goederen of dienst) verricht aan of door de persoon die de goederen wegneemt uit het BTW-entrepot. Deze persoon is schuldenaar van de BTW op de bedoelde belastbare handeling(en) waarvoor de voorlopige vrijstelling werd toegepast. De verschuldigde belasting moet worden voldaan hetzij aan de douane wanneer de te regulariseren handeling een invoer van goederen is, hetzij in alle andere gevallen via de periodieke BTW-aangifte van de persoon die de goederen uitslaat.

Teneinde ervoor te zorgen dat de BTW kan worden ingevorderd ten aanzien van goederen die uit het BTW-entrepot zijn verdwenen of er ontbreken zonder dat de bestemming verantwoord kan worden, moeten andere personen dan de overeenkomstsluitende partijen mede aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de verschuldigde bedragen. Om die reden worden de depothouder, dit is de persoon die het BTW-entrepot beheert, en de vervoerder die goederen uit het BTW-entrepot komt ophalen hoofdelijk aansprakelijk gesteld (cf. artikelen 51, § 2, 4° en 51bis, § 3 van het BTW-wetboek).

5. Wat de administratieve onderrichtingen betreft, kan ik melden dat een aanschrijving in verband met de regeling BTW-entrepot zoals die sedert 1 januari 1996 van toepassing is, klaar is, zij het nog niet gepubliceerd omdat op de publicatie van enkele uitvoeringsbesluiten moet worden gewacht.

6. Zoals reeds gezegd hiervoor, zijn de voor 1 januari 1996 uitgereikte vergunningen ambtshalve verlengd en heeft de Centrale administratie van de BTW anderzijds geen nieuwe aanvragen om vergunning ontvangen. Het probleem van een eventuele schadeloosstelling is bijgevolg niet aan de orde.

7. Ik kan het geacht lid de verzekering geven dat de toepassing van de regeling BTW-entrepot tijdens het jaar 1996 met de nodige soepelheid gecontroleerd zal worden.

8. Artikel 16 van de Zesde Richtlijn legt aan de lidstaten slechts een aantal minimumverplichtingen op voor de toepassing van de regeling BTW- entrepot. Elke lidstaat kan deze regeling volgens eigen inzichten verder invullen zij het niet onbeperkt. Bij het instellen per 1 januari 1996 van de nieuwe regeling BTW-entrepot in België, werd vooral de continuïteit van de voordien bestaande regeling voor ogen gehouden en werd in de mate van het mogelijke rekening gehouden met hetgeen het Belgische bedrijfsleven in voorafgaande contacten met de bevoegde administratie had te kennen gegeven.

Aangehaalde teksten

5