Handelszaken. Vervreemding of overdracht · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

596 16 juni 1993

Zoeken

Handelszaken. Vervreemding of overdrachtHandelszaken. Vervreemding of overdracht.

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/596-handelszaken-vervreemding-overdracht-grembergen-handelszaak-40b3

Nummer
596
Datum
16 juni 1993

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

20 paragrafen

Vr. en Antw., Kamer, 1992-1993, nr. 71, blz. 6828-6830

Handelszaken. - Vervreemding of overdracht.

VRAAG

Vervreemding of overdracht van een handelszaak kan geschieden, krachtens artikel 11 van het wetboek betreffende de belasting over de toegevoegde waarde, met vrijstelling van BTW mits het om de algemeenheid van goederen gaat. Wordt alleen cliëntèle (één van de bestanddelen van de handelszaak) vervreemd of overgelaten dan is wel BTW verschuldigd ten belope van 19%.

1. Hoe wordt de waarde van de cliëntèle bepaald en welke normen gebruikt de BTW-administratie ter zake?

Een handelszaak heeft evenwel ook nog een reeks andere componenten van immateriële aard, bijvoorbeeld de volgende onlichamelijke roerende goederen: handelsnaam en uithangbord, intellectuele eigendomsrechten, know-how, goodwill en winstvooruitzichten enzovoort.

2. Houdt de administratie rechtstreeks of onrechtstreeks rekening met de waarde van dergelijke onlichamelijke roerende goederen? Eventueel, hoe en door wie kan de waarde worden geschat voor zover dat van belang kan zijn?

Overigens, maar niet onbelangrijk, het is altijd mogelijk dat de verkoopprijs hoger ligt dan de totale fiscale boekwaarde, of nog, dat de overlater slechts bepaalde goederen van de handelszaak verkoopt terwijl hij de exploitatie gewoon voortzet. Het is evengoed mogelijk dat de overlater de exploitatie volledig of definitief stopzet.

3.

a) Wat is dan de toestand op fiscaal vlak voor de partijen?

b) Welk belang hebben de opgebouwde gronden en terreinen ter zake?

c) Welk belang heeft de outillage?

ANTWOORD

De overdracht onder bezwarende titel door een BTW-belastingplichtige in het kader van zijn economische activiteit van cliënteel en, in voorkomend geval, van intellectuele rechten die geen deel uitmaken van de overdracht van een algemeenheid van goederen of van een bedrijfsafdeling dient te worden aangemerkt als dienstverrichtingen bedoeld in artikel 18, § 1, tweede lid, 5°, 6° of 7° van het BTW-wetboek die tegen het normale tarief, dat thans 19,5% bedraagt, belastbaar zijn wanneer die prestaties in België plaatsvinden.

Voor de heffing van de BTW met betrekking tot voornoemde diensten wordt in de regel de tussen de partijen overeengekomen prijs in aanmerking genomen tenzij uiteraard zou blijken dat de gefactureerde prijs lager is dan de werkelijk overeengekomen prijs. Anderzijds wordt in het BTW-wetboek ter zake niet voorzien in een schattingsprocedure noch in een minimum heffingsgrondslag.

Wanneer de overlater zijn exploitatie volledig en definitief stopzet en de overdracht alle elementen van de handelszaak bevat, zijn in de regel de artikelen 11 en 18, § 3, van het BTW-wetboek van toepassing en geldt de overdracht niet als een levering noch als een dienstverrichting zodat de BTW ter zake niet opeisbaar is. De waardebepaling van de overgedragen goederen heeft voor de heffing van de BTW dan ook geen invloed.

Anderzijds wanneer bij de overdracht van een handelszaak niet alle elementen worden overgedragen zodat de artikelen 11 en 18, § 3, van het BTW-wetboek geen toepassing vinden, is de BTW door de overlater verschuldigd over de prijs van de overgedragen goederen en verleende diensten tegen het tarief dat geldt volgens de aard van die goederen of diensten. De aldus opeisbare BTW is evenwel volgens de normale regels in hoofde van de overnemer aftrekbaar wanneer die laatste de verkregen goederen en diensten gebruikt voor het stellen van belastbare handelingen (BTW-wetboek, artikel 45, § 1).

Wanneer in de in het vorige lid bedoelde overdracht gebouwen zijn begrepen die de overlater heeft opgericht of heeft laten oprichten of met voldoening van de BTW heeft verkregen en de overdracht plaatsvindt uiterlijk op 31 december van het jaar na dat waarin ze voor het eerst zijn opgenomen in het kohier van de onroerende voorheffing, is die overdracht met BTW belastbaar wanneer de overlater op de door de Koning bepaalde wijze kennis heeft gegeven van zijn bedoeling de gebouwen met voldoening van de BTW te vervreemden (zie koninklijk besluit nr. 14, van 3 juni 1970, artikel 1). De maatstaf van heffing ten aanzien van die overdracht mag evenwel niet lager zijn dan de normale waarde, dat is de prijs die hier te lande, op het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt, in dezelfde handelsfase voor ieder van de prestaties kan worden verkregen onder vrije mededinging tussen twee van elkaar onafhankelijke partijen (BTW-wetboek, artikelen 32, tweede lid, en 36, § 1, a).

Wanneer de overlater die zijn exploitatie volledig en definitief stopzet, goederen onder zich houdt en er voor die goederen of de bestanddelen ervan, recht op volledige of gedeeltelijke aftrek van de BTW is ontstaan, dan worden die goederen geacht onder bezwarende titel te zijn geleverd bij toepassing van artikel 12, § 1, 5°, van het BTW-wetboek. Die leveringen zijn belastbaar tegen het tarief volgens de aard van de goederen, over een maatstaf van heffing die gelijk is aan de aankoopprijs van de goederen of soortgelijke goederen, of, indien er geen aankoopprijs is, de kostprijs (BTW-wetboek, artikel 33, 1°). Wanneer het evenwel gaat om een gebouw waarvoor op het tijdstip van de stopzetting van de activiteit de hierboven bedoelde termijn verstreken is, en het bijgevolg niet met toepassing van de BTW kan worden overgedragen, dan moet de overlater de met betrekking tot dat gebouw in aftrek gebrachte BTW in eenmaal herzien voor het jaar van de stopzetting en voor de nog te lopen jaren van het herzieningstijdvak tot beloop van een vijfde of een tiende per jaar (zie koninklijk besluit nr. 3, van 10 december 1969, artikelen 10, 5°, en 11, § 3, 2°).

Aangezien het geacht lid blijkbaar een concreet geval beoogt, ben ik uiteraard bereid een onderzoek te laten instellen wanneer mij de identiteit van de betrokken belastingplichtige wordt meegedeeld.

Aangehaalde teksten

3
WBTW art. 113 voorkomens
WBTW art. 183 voorkomens
WBTW art. 121 voorkomen