Vermoeden · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

595 3 december 2012

Zoeken

Vermoeden

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/595-vermoeden-christian-brotcorne-richtlijn-bewijslast-c180

Nummer
595
Datum
3 december 2012

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

16 paragrafen

Kamer, Vragen en Antwoorden, 2012-2013, QRVA 53/091 d.d. 03.12.2012, blz. 129

Btw. - Vermoeden.

VRAAG

1. a) Welke bepaling van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde wordt er bij artikel 15, § 7 van het Btw-Wetboek in Belgisch recht omgezet?

b) Kan u de toepassing van die bepaling aan de hand van enkele voorbeelden illustreren?

c) Weet u of die bepaling al dikwijls door de rechtbanken werd geïnterpreteerd?

2. a) Moet elke in België gevestigde onderneming als gevolg van die bepaling systematisch het btw-nummer controleren van alle leveranciers van goederen of dienstverrichters die in een andere EU-lidstaat gevestigd zijn en bij wie die onderneming goederen en diensten betrekt waarvoor in het land van de leverancier een btw-vrijstelling geldt?

b) Zo ja, waar en wanneer heeft uw administratie die verplichting, die voor de ondernemingen, en in het bijzonder de kmo's, veel rompslomp meebrengt, becommentarieerd?

ANTWOORD

(van de heer Vanackere, Vice-eersteminister en minister van Financiën en Duurzame Ontwikkeling, belast met Ambtenarenzaken )

1. a) Overeenkomstig artikel 15, § 7, van het Btw-Wetboek, wordt de levering van een roerend goed, behoudens tegenbewijs, geacht in België plaats te vinden wanneer, op het tijdstip van de levering, één der bij de levering betrokken partijen er een zetel van economische activiteit of een vaste inrichting heeft gevestigd, of, bij gebrek aan een dergelijke zetel of vaste inrichting, een woonplaats of een gebruikelijke verblijfplaats.

Dit artikel vindt haar oorsprong in artikel 394 van de Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde. Die bepaling biedt de lidstaten de mogelijkheid om bijzondere maatregelen toe te passen ter voorkoming van bepaalde vormen van belastingfraude of -ontwijking.

b) Opdat een levering van goederen aan de btw onderworpen is, legt artikel 2, eerste lid van het Btw-Wetboek een aantal voorwaarden op. Eén van die voorwaarden voor de opeisbaarheid van Belgische btw, is dat de levering in België moet plaatsvinden.

In principe ligt de bewijslast met betrekking tot dit feitelijk gegeven, overeenkomstig het gemeen recht, bij de Administratie. Gezien het niet evident is voor de Administratie om aan te tonen dat deze voorwaarde vervuld is, heeft de wetgever in artikel 15, § 7, van het Btw-Wetboek een weerlegbaar wettelijk vermoeden ingeschreven met betrekking tot de plaats waar een levering van goederen geacht wordt plaats te vinden. Op basis van dat vermoeden kan de administratie er van uitgaan dat een levering van rechtswege in België heeft plaatsgevonden en kan ze die handeling belasten, voor zover ook de andere voorwaarden bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het Btw-Wetboek zijn vervuld. Het is dan niet langer de administratie die moet aantonen dat de levering in België plaats vindt, maar de persoon aan wie de naheffing is gericht, die met behulp van alle middelen van het gemeen recht het tegenovergestelde moet aantonen, namelijk dat die levering in België niet aan de btw onderworpen is, omdat ze elders heeft plaatsgevonden.

Bijvoorbeeld wanneer een controleambtenaar bij een Belgische leverancier een uitgaande factuur bemerkt waar geen Belgische btw werd aangerekend, en geen indicatie te vinden is omtrent de plaats van die levering, laat artikel 15, § 7, van het Btw-Wetboek toe om er van rechtswege van uit te gaan dat de levering van die goederen hier te lande heeft plaatsgevonden en bijgevolg de Belgische btw opeisbaar maakt, zolang het tegenbewijs niet is geleverd door deze leverancier.

c) De afgelopen tien jaar zijn er bij de hoven van beroep een zestal zaken aanhangig gemaakt omtrent de weerlegging van het bedoelde wettelijk vermoeden.

2. Het wetsontwerp van 18 oktober 2012 tot wijziging van het Btw-Wetboek (Parl. St., Kamer, 2012-2013, DOC 53 K 2450) voorziet de opheffing van artikel 15, § 7, met ingang van 1 januari 2013. Het onderzoek van de feitelijke situatie, zoals gesteld door het geachte lid met betrekking tot die bepaling, is dan ook zonder voorwerp.

Aangehaalde teksten

3