Vragen en Antwoorden, Kamer 2011-2012, nr. 84 d.d. 09.10.2012, blz. 89
Vrijstellingsregeling met behoud van het recht op aftrek
Diamanthandel
Echte parels
Natuurlijke edelstenen
VRAAG
Artikel 42, § 4, 1° van het Belgische btw-Wetboek voorziet in een vrijstelling van de btw voor "de leveringen van echte parels, natuurlijke edelstenen en dergelijke, aan personen die uitsluitend handelaar in die goederen zijn". Voor de levering van diamanten en edelstenen aan een handelaar die de stenen vervolgens doorverkoopt aan een juwelier is er dus geen btw verschuldigd. In Afdeling 8 van de BTW-Handleiding wordt het doel van de vrijstelling als volgt beargumenteerd: "Dit stelsel van vrijstelling werd door de wetgever opgericht om te vermijden dat de handelaars in echte parels en natuurlijke edelstenen een belangrijk belastingkrediet zouden moeten voorfinancieren. Inderdaad, daar meer dan 95% van het zakencijfer van de nijverheid en de handel in niet gezette diamanten op de intracommunautaire levering of op de uitvoer betrekking heeft, verkopen deze handelaars in het algemeen met vrijstelling van btw. Indien de wet hun niet zou toelaten de goederen en diensten met betrekking tot hun beroep aan te kopen met vrijstelling van de belasting, zouden zij gedwongen zijn een aftrekbare voorbelasting te financieren, die hun zou moeten terugbetaald worden daar zij niet werkelijk in aftrek kon gebracht worden."
1. Die uitleg is mijns inziens nogal summier. De geschetste situatie geldt immers ook voor andere diensten en handelstakken. Kan u die verantwoording nader toelichten?
2. Krachtens artikel 42 van het btw-Wetboek bepaalt de minister van Financiën "de perken en de voorwaarden voor de toepassing van deze paragraaf." Kan er in deze tijden van crisis geen herziening van die vrijstelling worden overwogen?
3. Kan er voorgerekend worden hoeveel geld een herziening van de vrijstelling de Staat zou kunnen opbrengen?
ANTWOORD
(van de heer Vanackere, Vice-eersteminister en minister van Financiën en Duurzame Ontwikkeling, belast met Ambtenarenzaken)
1. Artikel 27, lid 5 van de zesde richtlijn 77/388/EEG liet aan de lidstaten die op 1 januari 1977 bijzondere maatregelen toepasten ter vereenvoudiging van de belastingheffing of ter voorkoming van bepaalde vormen van belastingfraude of -ontwijking toe deze te handhaven op voorwaarde dat zij de Commissie vóór 1 januari 1978 hiervan in kennis stelden. De vrijstelling die het geachte lid beoogt, was een dergelijke maatregel. Gelet op de bijzondere omstandigheden waarin de diamanthandel destijds plaatsvond in het wereldcentrum van de diamant te Antwerpen en het feit dat meer dan 98 percent van de omzet betrekking had op de uitvoer, heeft België in overeenstemming met de bepalingen van artikel 27, lid 5 van de zesde richtlijn 77/388/EEG (thans artikel 394 van de richtlijn 2006/112/EG) er dan ook voor geopteerd om de vrijstellingsregeling met behoud van het recht op aftrek voor de levering van echte parels, natuurlijke edelstenen en dergelijke te behouden na 1 januari 1978.
2. en 3. Gelet op de aard zelf van een dergelijke standstill-clausule is elke wijziging die zou leiden tot een uitbreiding van de draagwijdte van de vrijstelling als bedoeld in artikel 42, § 4, van het Btw-Wetboek uitgesloten. Indien een herziening van de vrijstelling zou worden overwogen, kan dit enkel in de richting van een beperking of afschaffing van genoemde vrijstelling. Wat betreft een eventuele beperking of afschaffing van deze vrijstelling, dient de aandacht van het geachte lid te worden gevestigd op het feit dat de budgettaire weerslag van een eventuele afschaffing van deze vrijstelling verwaarloosbaar zou zijn. Gelet op de bijzondere aard van de handelingen die in deze sector worden verricht, zouden de betrokken belastingplichtigen zich immers meestal bevinden onder de voorwaarden om een maandelijkse teruggaaf te bekomen van hun btw-tegoed overeenkomstig artikel 81, § 2, 3°, van het koninklijk besluit nr. 4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde.