Kosten van onthaal. Reclame en receptiekosten · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

53 11 januari 2008

Zoeken

Kosten van onthaal. Reclame en receptiekosten

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/53-kosten-onthaal-reclame-receptiekosten-devlies-6822

Nummer
53
Datum
11 januari 2008

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

20 paragrafen

Vr. en Antw., Kamer, 2007-2008, nr. 8, blz. 512-515

Kosten van onthaal - Reclame en receptiekosten

VRAAG

In principe is de BTW op kosten van onthaal niet aftrekbaar en zijn inzake vennootschapsbelasting diezelfde receptiekosten maar gedeeltelijk aftrekbaar.

Niettegenstaande constante rechtspraak worden naar verluidt door de BTW- en door de belastingadministraties al dergelijke kosten gemaakt voor ontvangst van derden zonder meer nog steeds volledig als « receptiekosten » aangemerkt (zoals dranken en organisatiekosten inzake jubilea, VIP-evenementen, bedrijfsfeesten, verkoop- en promotiecampagnes, opendeurdagen, enzovoort).

Zowel door de Europese rechtspraak als door de Belgische hogere rechtspraak van het Hof van Cassatie van 8 april 2005 en het hof van beroep te Gent van 30 januari 2007 worden alle onthaal- en ontvangstkosten (dranken en hapjes) die ondergeschikt zijn aan het publicitaire doel van een evenement of campagne inderdaad wel integraal als aftrekbare «reclamekosten » aangemerkt en worden er daarop geen fiscale aftrekbeperkingen ingesteld.

Logischerwijze is het in het kader van een behoorlijk administratief bestuur en van de managementsoptie tot «beter taxeren » ook volstrekt ongerijmd dat bij een gelijktijdige «gezamenlijke» AOIF-controle eenzelfde onderzoekende en verantwoordelijke dienstchef inzake BTW en inzake vennootschapsbelasting twee verschillende definities van het begrip «reclamekosten» zou gaan hanteren.

Wanneer zal de AOIF-administratie (administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit) dan ook de stelling van de geciteerde hogere rechtspraak rechtlijnig en gezamenlijk volgen en zullen aan de AOIFtaxatie- en geschillenambtenaren de nodige instructies of circulaires worden uitgevaardigd om in eender welk stadium van de BTW- en belastingprocedures, ook wat de hangende geschillen betreft die constante rechtspraak en vooral die Europese definitie van «reclamekosten» voortaan meteen uniform en gelijktijdig te hanteren zowel op BTW-vlak als op het vlak van de vennootschapsbelasting ?

ANTWOORD

(vice-eersteminister en minister van Financiën en Institutionele Hervormingen, 15.01.2008)

In zijn arrest van 8 april 2005 heeft het Hof van Cassatie zich uitgesproken over de kwalificatie van kosten van ontspanning en vermaak die worden gemaakt in het kader van een feestelijke bijeenkomst die hoofdzakelijk en rechtstreeks tot doel heeft kopers in te lichten over het bestaan en de hoedanigheid van een product of dienst met de bedoeling de verkoop ervan te bevorderen.

Inzake BTW legt de administratie zich neer bij de beslissing van het Hof om dergelijke kosten, die worden gemaakt met het oog op de publiciteit voor welbepaalde producten en waarbij het derhalve gaat om uitgaven met een strikt professioneel karakter, niet aan te merken als kosten van onthaal in de zin van artikel 45, § 3, 4°, van het BTW-Wetboek. De BTW geheven van bedoelde kosten is derhalve aftrekbaar.

Indien evenwel de ter zake gemaakte kosten betrekking hebben op het verschaffen van spijzen en dranken in de zin van artikel 18, § 1, tweede lid, 11°, van voornoemd Wetboek - wat uiteraard niet het geval is indien het bedrijf een restaurant met eigen personeel uitbaat - is overeenkomstig artikel 45, § 3, 3°, van het Wetboek elk recht op aftrek uitgesloten, zelfs indien het gaat om kosten van publicitaire aard.

Het verschil in benadering inzake BTW en inkomstenbelastingen met betrekking tot de aftrek is gelegen in het feit dat de aard van deze belastingen onderling verschilt. Dat verschil is te verklaren vanuit het feit dat de betreffende belastingstelsels op het vlak van het materieel recht volledig onafhankelijk zijn. Wat in de ene belasting geldt, geldt niet noodzakelijk ook in de andere belasting.

Zo zijn «kosten van onthaal» op het vlak van de BTW kosten die de belastingplichtigen aangaan in het kader van public relations, ontvangst en vermaak van aan het bedrijf vreemde personen en waarvan het recht op aftrek is uitgesloten krachtens artikel 45, § 3, 4°, WBTW. De uitsluiting van dit recht op aftrek beantwoordt aan de doeleinden van artikel 17, paragraaf 6, eerste lid, zin twee van de zesde rechtlijn (77/ 388/EG) van 17 mei 1977 (actueel artikel 176, 1e lid, van de richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006) te weten de uitsluiting van het recht op aftrek voor de uitgaven die geen strikt beroepskarakter hebben zoals luxe-uitgaven, vermaak of representatiekosten. Deze richtlijn geldt niet inzake inkomstenbelastingen.

Inzake inkomstenbelastingen zijn « receptiekosten» de kosten die de belastingplichtige maakt in het kader van zijn externe relaties, voor de ontvangst van derden. Hiermee zijn meer bepaald de kosten bedoeld die verbonden zijn aan de ontvangst van mogelijke klanten of leveranciers, zakenrelaties en andere personen die de belastingplichtige in zijn eigen lokalen of elders ontvangt. Het betreft hier inzonderheid de kosten van spijzen (maaltijden, snacks, versnaperingen, enzovoort), dranken, rookartikelen, bloemen, enzovoort.

Alhoewel de aard en definitie van de «kosten van onthaal» en de «receptiekosten» dus grotendeels gelijklopen, worden de «kosten van onthaal» op het vlak van de BTW van het recht op aftrek uitgesloten daar waar de «receptiekosten » op het vlak van bijvoorbeeld de vennootschapsbelasting in de regel wel een strikt professioneel karakter worden toegemeten en derhalve in beginsel als aftrekbare beroepskosten worden aangemerkt.

Onthaal en ontvangstkosten die ondergeschikt zijn aan het publicitaire doel van een evenement worden inzake BTW, in navolging van voormeld arrest van het Hof van Cassatie, voortaan wel als uitgaven met een strikt professioneel karakter aangemerkt en komen onder de noemer «publiciteitskosten» dan ook voor BTW-aftrek in aanmerking.

Dergelijke kosten zullen in de regel inzake inkomstenbelastingen nog steeds onder voormelde definitie van « receptiekosten » vallen en blijven, zoals de receptiekosten die in een ander kader worden gemaakt, hun beroepsmatig karakter behouden.

Het feit dat de aftrek van het beroepsmatig gedeelte wordt beperkt tot 50% is louter het gevolg van de uitdrukkelijke bepalingen van artikel 53, 8o, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, net zoals de uitsluiting van de aftrek van de BTW geheven op de kosten van spijzen en dranken voortvloeit uit een ter zake geldende wettelijke bepaling.

Ten slotte wordt eraan herinnerd dat het genoemde arrest van het Hof van Cassatie van 8 april 2005 enkel geldt inzake BTW, zoals onder meer reeds werd geantwoord op de parlementaire vraag nr. 3-877 van 9 juni 2005 van senator Steverlynck.

Aangehaalde teksten

1
WBTW art. 453 voorkomens