Betaling van de BTW voor de handelingen verricht tijdens het laatste aangiftetijdvak · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

53 30 januari 1973

Zoeken

Betaling van de BTW voor de handelingen verricht tijdens het laatste aangiftetijdvak

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/53-betaling-btw-handelingen-verricht-tijdens-1c05

Nummer
53
Datum
30 januari 1973

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

21 paragrafen

Vr. en Antw., Kamer

Betaling van de BTW voor de handelingen verricht tijdens het laatste aangiftetijdvak van het kalenderjaar

VRAAG

Artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 32 van 14 november 1972, met betrekking tot de betaling van de belasting over de toegevoegde waarde voor de handelingen verricht tijdens het laatste aangiftetijdvak van het kalenderjaar ( Belgisch Staatsblad van 22 november 1972), voorziet dat de belastingplichtige die, per 1 december van het lopend kalenderjaar ertoe gehouden is maandelijkse aangiften inzake belasting over de toegevoegde waarde in te dienen, een voorschot moet betalen op de belasting verschuldigd over zijn handelingen van de maand december van datzelfde jaar.

Afgezien van het eventueel te verhalen gedeelte van de met het zegel gelijkgestelde taksen, waarmee de goederenvoorraad per 31 december 1970 bezwaard was, is volgens artikel 2 van voornoemd koninklijk besluit van 14 november 1972 het bedrag van het in artikel 1 bedoeld voorschot, gelijk aan de belasting die door deze belastingplichtige verschuldigd is, over zijn handelingen van de maand november van het lopend kalenderjaar.

Verder moet de belastingplichtige, volgens artikel 3 van het voornoemd koninklijk besluit van 14 november 1972, uiterlijk op de twintigste dag van de maand december van het lopend kalenderjaar, het bedrag van het voorschot betalen, samen met de belasting verschuldigd over de handelingen van de maand november van dat jaar.

De betrokken belastingplichtigen moeten derhalve uiterlijk op 20 december van elk jaar tweemaal het voor de maand november verschuldigd bedrag betalen.

Deze beschikking geeft aanleiding tot een discriminatie onder de verschillende belastingplichtigen, daar de toepassing ervan voor de enen een te zware last betekent en voor de anderen een te lichte.

Voor sommige handelaars immers, betekent de maand november een maand waarin het hoogste verkoopcijfer en het laagste inkoopcijfer van het hele jaar genoteerd wordt. Voor andere belastingplichtigen zal het precies andersom zijn; de eersten zullen derhalve een veel te groot voorschot voor de maand december betalen en de laatsten een veel te klein.

Vermits het meestal belastingplichtigen geldt, waarvan de minimum omzet 5.000.000 fr. per jaar bedraagt, kunnen deze te hoge of te lage voorschotten in de honderdduizenden lopen. De benadeelden zijn natuurlijk diegenen voor wie november een topmaand is; zij zullen voor de maand december een voorschot moeten betalen, dat veel te groot is en waarvan zij het teveel slechts einde februari of begin maart van het volgend jaar zullen terugkrijgen.

Daartussen ligt er evenwel nog een andere vervaldag, t.w. deze van 15 januari, uiterlijke datum om voorafbetalingen te doen op de bedrijfsinkomsten van het vorige jaar.

Begrijpelijk kunnen de belastingplichtigen die een veel te groot voorschot voor december moeten betalen, alsdan niet meer over de nodige liquide middelen beschikken.

Denkt de heer Minister niet dat er om voormelde redenen, aanleiding bestaat, een andere referteperiode voor het bepalen van het voorschot vast te stellen, zoals bv. de voor december van het vorig jaar verschuldigde belasting over de toegevoegde waarde, of, wanneer voor een belastingplichtige deze referteperiode niet bestaat, het gemiddelde der verschuldigde belasting, voor drie of meer maanden?

ANTWOORD

Het doel van het koninklijk besluit nr. 32, van 14 november 1972 is, door de belastingplichtigen die maandaangiften indienen, het bedrag van de BTW in december te doen betalen dat ze normaal in januari van het volgend jaar zouden moeten betalen.

Dit besluit heeft de vorige Regering toegelaten in 1972 dertien maandelijkse BTW-stortingen te ontvangen en aan de begroting van 1972 een bedrag van 4,1 miljard toe te voegen dat in 1973 moest worden ingeschreven.

Anderzijds heeft de vorige Regering, bij de opstelling van de Rijksmiddelenbegroting voor het jaar 1973, uitdrukkelijk verklaard dat de opbrengst van de BTW voorzien voor 1973, twaalf maandontvangsten omvat, wat meebrengt dat, zoals voor 1972, een aanvullende storting zal moeten geschieden in december 1973; de opbrengst hiervan moet als compensatie dienen voor het verlies aan ontvangsten geleden in januari 1973 (zie verslag Demarets , stuk Kamer 4-I/1972-1973, nr. 4, van 21 november 1972).

De huidige Regering wordt aldus voor een voldongen feit gesteld waarop ze thans zeer moeilijk kan terugkomen wanneer ze de budgettaire gevolgen ervan wil vermijden (minder-opbrengst van meer dan 4 miljard per jaar). Ze zou inderdaad per jaar nog slechts over elf maandelijkse BTW-stortingen beschikken vanwege de voornoemde belastingplichtigen.

Welnu, ik moet vaststellen dat de toepassing van gezegde maatregel op klare en duidelijke regels steunt die overigens door de meerderheid van de belastingplichtigen goed werden aanvaard (op een totaal van 29.000 belastingplichtigen, hebben 2600 geen voorschot gestort). Een minderheid heeft geldmoeilijkheden ondervonden. Om alleen maar de belangrijkste gevallen aan te halen hebben van de belastingplichtigen die in december een voorschot hebben betaald, 409 recht op een terugbetaling begrepen tussen 50.000 en 100.000 fr., en 500 op een terugbetaling van méér dan 100.000 fr.

In werkelijkheid lijkt het zeer moeilijk een perfect criterium te vinden dat terzelfdertijd juist en eenvoudig is. Het dossier van de belastingplichtigen die door de keuze van het huidig criterium getroffen zijn wil ik echter niet afsluiten zonder de absolute zekerheid te hebben dat die keuze de beste is.

Daarom ook heb ik mijn administratie gelast de kwestie in zijn geheel opnieuw te onderzoeken.