Onroerende leasing · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

5208 1 februari 2005

Zoeken

Onroerende leasing

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/5208-onroerende-leasing-mondelinge-devlies-2bff

Nummer
5208
Datum
1 februari 2005

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

16 paragrafen

Beknopt Verslag, Kamercommissie Financiën, Com 479, blz. 1-2

Onroerende leasing

VRAAG

Het KB van 1992 met betrekking tot de toepassing van de BTW op de onroerende financieringshuur werd onlangs door de regering aangepast. Deze wijziging speelt vooral in het nadeel van de gemeenten.

CD&V heeft, naar Nederlands voorbeeld, voorgesteld een compensatiefonds op te richten. Een dergelijk fond staat de Europese eis van een begroting in evenwicht niet in de weg. Een andere mogelijkheid zou zijn gebruik te maken van het keuzerecht, zoals artikel 13 van de zesde BTW-richtlijn vermeldt.

Wat zijn de concrete gevolgen voor de aftrek en de BTW-heffing bij contracten afgesloten voor de inwerkingtreding van de aanpassing van het KB?

ANTWOORD

(van de heer Jamar, Staatssecretaris)

Ik zou de heer Reynders willen verontschuldigen. Aangezien hij de Griekse president ontvangt heeft hij mij gevraagd hem te vervangen.

Het KB van 10 januari 2005 wijzigt inderdaad artikel 1, 4° van het KB van 29 december 1992 en is in werking getreden op 27 januari 2005. Door de wijziging moet, bij het verstrijken van de wettelijk bepaalde periode van vijftien jaar, het totale bedrag van de periodieke huurprijzen die de leasingnemer moet betalen, het de leasinggever mogelijk maken het geïnvesteerd kapitaal integraal terug samen te stellen.

Op een vraag van de heer Leterme antwoordde de regering al op 3 maart 2000 dat, in het geval van onroerende leasing, de ratio legis geldt dat het bedrag van het geïnvesteerde kapitaal, met andere woorden de inputverrichtingen waarvan de geheven BTW in regel in aftrek wordt gebracht, vervat is in de tijdens de duur van het contract verschuldigde en belastbare huurtermijnen. Indien aan deze voorwaarde is voldaan, zijn de overeenkomsten van onroerende leasing, afgesloten voor de datum van de inwerkingtreding van het nieuwe KB, onderworpen aan de BTW.

Ik weet dat de heer Devlies in de Kamer en mevrouw de Bethune in de Senaat wetsvoorstellen hebben ingediend om een compensatiefonds op te richten. Het voorstel-de Bethune werd ondertussen al in de bevoegde senaatscommissie verworpen. Het standpunt dat de regering tijdens die besprekingen heeft ingenomen, geldt vanzelfsprekend ook ten aanzien van het voorstel-Devlies.

In beide Kamers werden ook wetsvoorstellen ingediend met betrekking tot de eventuele onderwerping van onroerende verhuur aan de BTW-. Tijdens de bespreking van een van die voorstellen werd op 13 juli 2004 gesteld dat bijkomend statistisch cijfermateriaal nodig is. De technische discussie kan bij de bespreking van die wetsvoorstellen - en dat is toevallig vandaag - worden voortgezet.

WEDERVRAAG (van de heer Devlies)

Wat gebeurt er met de overeenkomsten die op 27 januari 2005 niet aan de gestelde voorwaarden voldoen? Moet de BTW dan herzien worden?

WEDERANTWOORD (van Kabinetsmedewerker van de staatssecretaris)

In het antwoord van de staatssecretaris wordt duidelijk gezegd dat de ratio legis moet worden gevolgd. Dit is het standpunt dat door de regering onveranderd werd ingenomen bij gelijkaardige vragen.

Aangehaalde teksten

1