Vr. en Antw., Senaat
Fiscale boekhouding
VRAAG
Toepassing van het BTW-Wetboek inzake ondernemingen met een jaaromzet van minder dan 5 miljoen frank.
In aansluiting op het antwoord door de geachte Minister verstrekt op mijn parlementaire vraag nr. 16 van 7 februari jl. z. Revue, nr. 7, blz. 262 e.v., nr. 8, art. 61, § 1, B.T.W.- Wetboek.
, kreeg ik graag nog volgende toelichting inzake BTW betreffende ondernemingen - vennootschappen of fysieke personen - met een jaaromzet van minder dan 5 miljoen.
Is er een fiskale boete verschuldigd en kan bovendien een ambtelijke aanslag worden gevestigd indien deze belastingplichtigen geen financiële dagboeken hebben gehouden, en evenmin de uittreksels van de bank- en postrekeningen - gestaafd door de debet- en creditberichten - kunnen voorleggen om reden dat ze deze stukken niet hebben bewaard?
Wat de verplichting tot voorlegging betreft waartoe de belastingplichtigen krachtens artikel 61, § 1, BTW-Wetboek gehouden zijn, wens ik te vernemen hoe deze bepaling dient toegepast in het volgende geval:
De fakturen uitgereikt door een P.V.B.A. met een jaaromzet van minder dan 5 miljoen vermelden dat de betalingen moeten geschieden per overschrijving of storting op de post- of bankrekening geopend op naam van de zaakvoerder der vennootschap die niet belastingplichtig is.
ANTWOORD
De reglementering met betrekking tot de belasting over de toegevoegde waarde legt aan de belastingplichtigen waarvan de jaaromzet niet meer bedraagt dan vijf miljoen niet de verplichting op financiële dagboeken te houden. Bijgevolg wordt het ontbreken van dergelijke dagboeken niet bestraft door het BTW-Wetboek en laat de administratie niet toe over te gaan tot de ambtelijke aanslag bepaald door de artikelen 66 en 67 van gezegd wetboek.
De boete bepaald bij artikel 70, § 4, van het Wetboek is echter verschuldigd en een aanslag kan ambtshalve worden opgelegd wanneer een belastingplichtige, waarvan de jaaromzet niet meer bedraagt dan vijf miljoen, het dagboek van ontvangsten niet heeft gehouden dat opgelegd is door artikel 12, 3°, van het koninklijk besluit nr. 1, van 23 juli 1969, voor het inschrijven van de ontvangsten die voortkomen van de handelingen verricht met particulieren zonder uitreiking van facturen.
De rekeninguittreksels die afkomstig zijn van financiële instellingen (banken, kredietinstellingen, enz.) en de debet- en creditberichten die daarop betrekking hebben, zijn boekhoudkundige stukken. De bewaring van deze stukken en de voorlegging ervan ter inzage aan ambtenaren die belast zijn met de controle zijn door de artikelen 60, lid 2, en 61, § 1, lid 2, van het Wetboek aan alle belastingplichtigen opgelegd.
Indien deze dokumenten niet worden bewaard of indien ze op het verzoek van die ambtenaren niet ter inzage worden voorgelegd, is de boete bepaald bij artikel 70, § 4, van het Wetboek verschuldigd en kan de administratie ambtshalve een aanslag opleggen.
Anderzijds, wanneer de zaakvoerder van een personenvennootschap met beperkte aansprakelijkheid, in de uitoefening van zijn functie, de klanten van de vennootschap verzoekt het bedrag van de facturen die aan hen werden toegestuurd te betalen door overschrijving of storting op een op zijn naam geopende post- of bankrekening, moet men aannemen dat de uittreksels van deze rekening en de debet- en creditberichten die daarop betrekking hebben, boekhoudkundige dokumenten van de vennootschap zijn, waarvan de bewaring en de voorlegging ter inzage opgelegd zijn door het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.