Opeisbaarheid van nalatigheidsinteresten. Teruggaaf van belastingkredieten · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

518 22 juli 1996

Zoeken

Opeisbaarheid van nalatigheidsinteresten. Teruggaaf van belastingkredietenOpeisbaarheid van nalatigheidsinteresten. Teruggaaf van belastingkredieten.

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/518-opeisbaarheid-nalatigheidsinteresten-teruggaaf-belastingkredieten-michel-3ff9

Nummer
518
Datum
22 juli 1996

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

15 paragrafen

Vr. en Antw., Kamer, 1995-1996, nr. 48, blz. 6632-6634

BTW-Revue nr. 124, blz. 1001

Opeisbaarheid van nalatigheidsinteresten - Teruggaaf van belastingkredieten.

VRAAG

1. Vanaf welk ogenblik heeft een in België gevestigde BTW-plichtige die maandelijkse of trimestriële BTW-aangiften doet, recht op verwijlinteresten wanneer hij in een trimestriële aangifte de terugbetaling van een belastingkrediet vraagt ?

2. Vanaf welk ogenblik heeft een in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschap gevestigde en niet bij de BTW in België geregistreerde BTW-plichtige recht op verwijlinteresten wanneer hij de terugbetaling van de BTW vraagt op grond van de door de achtste BTW-richtlijn bepaalde procedure ?

3. Bestaat er een discriminatie tussen in België gevestigde BTW-plichtigen en BTW-plichtigen die in andere lidstaten van de Europese Unie zijn gevestigd ?

ANTWOORD

De opeisbaarheid van nalatigheidsinteresten in geval van teruggaaf van belastingkredieten in hoofde van belastingplichtigen die hetzij gevestigd en geïdentificeerd zijn in België, hetzij gevestigd zijn in een andere lidstaat en niet-geïdentificeerd in België, wordt thans door de hierna volgende bepalingen geregeld.

1. Door de gecombineerde toepassing van de artikelen 76, § 1, eerste lid, en 91, § 3, van het BTW-wetboek is ten aanzien van een belastingplichtige die in België is gevestigd, die in België een vaste inrichting heeft of die, overeenkomstig artikel 55 van het BTW-wetboek een aansprakelijke vertegenwoordiger heeft laten erkennen, een interest van 0,8 % per maand van rechtswege verschuldigd op de krachtens voornoemd artikel 76, § 1, eerste lid, terug te geven belastingkredieten, die niet zijn terugbetaald op 31 maart van het jaar dat volgt op het jaar waarin ze zijn ontstaan.

2. In geen enkele interest is voorzien ten aanzien van belastingplichtigen die in een andere lidstaat van de Europese Unie zijn gevestigd en in België niet voor BTW-doeleinden zijn geïdentificeerd wanneer de terugbetaling van de BTW die het voorwerp uitmaakt van hun aanvraag tot teruggaaf ingediend op grond van de 8e Richtlijn van de Raad nr. 79/1072/EEG van 6 december 1979, niet is gebeurd binnen de termijn van zes maanden bepaald in artikel 7 van die richtlijn.

In dat geval kan alleen de moratoire interest bedoeld in artikel 91, § 4, van het BTW-wetboek verschuldigd zijn tegen de rentevoet in burgerlijke zaken en met inachtname van de ter zake geldende regels.

Gelet op de ingebrekestelling van België door de Europese Commissie op 14 juli 1995, in deze aangelegenheid, heb ik de bedoeling om in het kader van een eerstvolgend wetsontwerp tot wijziging van het BTW-wetboek, artikel 91, § 3, van dat wetboek in die zin te wijzigen dat voor de aanvragen tot teruggaaf ingediend vanaf het van kracht worden van genoemde wijziging, een interest van rechtswege verschuldigd is door de Belgische Staat indien de terugbetaling bedoeld in de 8e Richtlijn niet is gebeurd binnen de termijn voorzien in artikel 7, 4e lid, van die richtlijn.

3. Rekening houdend met de beoogde wetswijziging, ben ik van mening dat er in de toekomst geen discriminatie meer zal bestaan tussen nationale belastingplichtigen en belastingplichtigen uit andere lidstaten.

Zo zal er in de twee hypothesen een nalatigheidsinterest worden toegekend vanaf het verstrijken van de termijn voorzien voor de betreffende terugbetaling.

Aangehaalde teksten

4
WBTW art. 913 voorkomens
WBTW art. 551 voorkomen
WBTW art. 761 voorkomen
Achtste richtlijn 79/1072 art. 71 voorkomen