Maandelijkse voorschotten te storten door kwartaalaangevers · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

51 9 juli 1974

Zoeken

Maandelijkse voorschotten te storten door kwartaalaangevers

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/51-maandelijkse-voorschotten-storten-kwartaalaangevers-kuypers-b170

Nummer
51
Datum
9 juli 1974

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

23 paragrafen

Vr. en Antw., Kamer

Maandelijkse voorschotten te storten door kwartaalaangevers

VRAAG

Als BTW-belastingplichtige is een handelaar BTW verschuldigd, zoals elke gebruiker of verbruiker.

Als handelaar kan hij ook BTW innen van zijn klanten, en deze BTW voldoen aan de fiskus. Anderzijds, wanneer hij aankopen doet, hetzij van grondstoffen, hetzij van investeringen, dan moet hij deze BTW voldoen bij betaling der rekening.

Driemaandelijks moet hij een formulier invullen, waarop hij zijn bruto-inkomsten en uitgaven, de door hem geïnde BTW van zijn klanten en de door hem betaalde BTW aan zijn leveranciers moet invullen. Er wordt een verschil gemaakt, tussen de door hem geïnde BTW en de BTW welke hij reeds voldaan heeft door de door hem betaalde rekeningen aan zijn leveranciers. Het kan dus gebeuren dat hij meer verkocht heeft dan dat hij zelf heeft ingekocht. Dan is hij aan de Staat het bovengenoemd BTW-verschil verschuldigd. Anderzijds, wanneer hij meer inkopen doet als handelaar, dan is de Staat BTW aan hem verschuldigd.

De handelaar moet de eerste twee maanden die volgen op het eind van een kwartaal de zg. "voorschotten" betalen. Die som werd eenzijdig bepaald op telkens één derde van de verschuldigde BTW van het vorig kwartaal. Indien men bv. voor het laatste kwartaal van 1973 15.000 fr. BTW verschuldigd was, dan moet men in februari 1974 (uiterlijk de 20ste) 5000 fr. betalen, zonder enig formulier in te vullen en in maart 1974 betaalt men weer één derde. Op 20 april 1974 komt dan de eindafrekening. Deze moet gemaakt worden op een speciaal formulier. Hierop maakt men de som van de BTW die men bij zijn klanten heeft geïnd en men trekt hiervan de sommen af van de "voorschotten" plus de door de handelaar betaalde BTW op aankopen. Het verschil kan dus ten voordele van de Staat zijn of ten voordele van de handelaar.

Is het ten voordele van de Staat, dan moet de handelaar uiterlijk de 20ste de verschuldigde som betalen of hij wordt beboet en is interesten verschuldigd.

Is het echter ten voordele van de handelaar, dan blijft de som in de staatskas (zonder boete of interesten!) en wordt ze in rekening gebracht bij een volgend kwartaal. Ondertussen geniet de Staat van dit geld. De Staat is aan de handelaar dus nog een som verschuldigd die hij slechts op het einde van het tweede kwartaal in het voorbeeld in rekening brengt. Maar in mei 1974, moet hij toch nog een "voorschot" betalen, evenals in juni 1974.

Nu kan het echter nogmaals gebeuren dat hij meer aankopen doet met BTW dan de BTW die hij zal innen door zijn verkopen, en dat hij bijgevolg weeral een tegoed zal hebben bij de Staat.

Voeg daarbij nog de "voorschotten" en het tegoed van het vorig kwartaal, dan kan dit een aardig bedrag worden! Hierop krijgt hij geen interesten en kan hij geen boeten aanrekenen aan de Staat.

Nu is het wel zo dat voor degenen die gehouden zijn kwartaalaangiften in te dienen dit bedrag wordt terugbetaald van zodra 25.000 fr. wordt bereikt, en voor diegenen die maandaangiften moeten indienen van zodra 60.000 fr. wordt bereikt.

Voor sommige kleine zelfstandige BTW-belastingplichtigen kan dit toch discriminerend zijn!

Zou het bv. niet mogelijk zijn dat via het computersysteem een interest wordt verkregen van zodra het tegoed bv. 5000 fr. bedraagt?

Graag vernamen we van de heer Minister welke maatregelen hij zal treffen om aan deze discriminatie een einde te stellen.

ANTWOORD

Inzake BTW geldt als regel dat het belastingcredit van een maandelijkse of driemaandelijkse aangifte naar de volgende aangifteperiode (s) wordt overgedragen (BTW-Wetboek, art. 78).

Het bij het einde van het kalenderjaar aanwezige belastingcredit dient evenwel binnen drie maanden te worden teruggegeven. Na die termijn is de Staat een interest van 0,50% per maand verschuldigd (BTW-Wetboek, art. 91, § 3).

Na de indiening van de laatste aangifte van een kalenderkwartaal kan het belastingcredit daarenboven worden teruggegeven indien het 25.000 fr. bereikt voor een kwartaalbelastingplichtige, en indien het 60.000 fr. bereikt voor een andere belastingplichtige.

Er zij op gewezen dat iedere teruggaaf steeds binnen drie maanden werd uitbetaald, zodanig dat de door artikel 91, § 3, van het Wetboek bedoelde interest, tot heden nog nooit door de Staat werd uitgekeerd.

Het is niet mogelijk de aanbeveling van de achtbare Leden te volgen en aan de belastingplichtigen een interest toe te kennen telkenmale ze een belastingcredit zouden hebben van bijvoorbeeld 5000 fr. Zulk een maatregel zou zowel voor de belastingplichtige als voor de administratie onoverkomelijke moeilijkheden veroorzaken, hetzij bij de vaststelling van de datum te rekenen waarvan interesten zouden verschuldigd zijn, datum die uit zichzelf afhankelijk is van de indieningsdatum van de aangifte, hetzij bij de vaststelling van de basis voor het berekenen van de interesten omdat er steeds rekening mee zou moeten gehouden worden dat het belastingcredit aan te rekenen zou zijn op inmiddels als BTW verschuldigd geworden sommen, enz.

Ten slotte mag men niet uit het oog verliezen dat het BTW-credit voortspruit uit de mogelijkheid die de aankoper heeft, om de aan hem gefactureerde belasting in aftrek te brengen.

Deze belasting immers mag worden afgetrokken zelfs vooraleer zij betaald werd aan de leverancier, zodat uiteindelijk de verkoper en niet de koper de werkelijke rechthebber zou moeten zijn.

Aangehaalde teksten

1
WBTW art. 911 voorkomen