Btw-stelsel. Toepassing · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

51 13 november 2014

Zoeken

Btw-stelsel. Toepassing

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/51-btw-stelsel-toepassing-christian-brotcorne-3fae

Nummer
51
Datum
13 november 2014

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

18 paragrafen

Kamer, Vragen en Antwoorden, 2014-2015, QRVA 54/005 d.d. 22.12.2014, blz. 152

Btw-stelsel. - Toepassing

VRAAG

In 2010 kocht een burger een nieuw onroerend goed. Voor de aankoop van het gebouw werd een verlaagd btwtarief van 6 procent toegepast op de eerste schijf van 50.000 euro. Op de aankoop van het bijbehorende terrein moest de betrokkene geen btw, maar wel registratierechten betalen.

In 2013 werd datzelfde goed verkocht onder het nieuwe btw-stelsel.

Op de aankoop van de bouwgrond werd er evenwel geen btw betaald, wel waren er registratierechten verschuldigd.

1. Moet de waarde van de bouwgrond derhalve niet worden afgetrokken van de maatstaf van heffing voor de btw?

2. Kan uw administratie meedelen of de toepassing van het verlaagde btw-tarief van 6 procent op de eerste schijf van 50.000 euro niet in aanmerking moet worden genomen voor de berekening?

ANTWOORD

(de minister van Financiën)

1. Overeenkomstig artikel 26 van het Btw-wetboek dient de maatstaf van heffing voor de levering van een gebouw en van het bijhorend terrein de waarde van het terrein te omvatten.

In dit verband dient overeenkomstig artikel 1, § 9, 2°, van datzelfde Wetboek en voor de toepassing van dat Wetboek onder bijhorend terrein te worden verstaan "het terrein waarvoor de toelating werd verkregen om er op te bouwen en dat door éénzelfde persoon wordt overgedragen tegelijk met het gebouw waartoe het behoort".

Het feit dat de verkoper het terrein zonder btw zou hebben verworven heeft geen invloed op hetgeen voorafgaat.

2. De toepassing van het verlaagd btw-tarief van 6% over een maximaal bedrag van 50.000 euro voor de aankoop van een nieuw gebouw heeft geen invloed op het btw-tarief dat van toepassing is op de wederverkoop van dat gebouw.

Daarentegen dient voor wat de in vorige schakels verrichte handelingen betreft te worden benadrukt dat één van de grondvoorwaarden voor de toepassing van het verlaagd btw-tarief van 6 % voorzien in de tijdelijke bepaling van artikel 1quinquies, § 2, van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 inzake btw-tarieven, is dat de handeling betrekking heeft op een gebouw dat uitsluitend of hoofdzakelijk gebruikt zal worden als vaste privéwoning door de verkrijger die er zonder uitstel zijn domicilie zal hebben.

Bovendien moet die voorwaarde vervuld blijven gedurende een periode die eindigt op 31 december van het vijfde jaar volgend op het jaar van de eerste ingebruikneming van het gebouw door de verkrijger.

Wanneer de verkrijger bijgevolg vóór het vervallen van die periode de woning verkoopt of er een zakelijk recht op vestigt, overdraagt of wederoverdraagt, zodat de voorwaarde inzake gebruik als vaste privé-woning niet langer gerespecteerd is, moet het belastingvoordeel in principe aan de Staat worden teruggestort (artikel 1quinquies, § 3, koninklijk besluit nr. 20).

Indien echter de verkoop van de woning of de vestiging, overdracht of wederoverdracht van het zakelijk recht erop plaatsvindt onder de voorwaarden van artikel 8 van het Btw-Wetboek geniet de toevallige belastingplichtige in principe recht op aftrek van de voorbelasting. Niettemin beschikt deze laatste in het geval van terugstorting van een belastingvoordeel niet over een factuur die het correcte btw-tarief van 21 % weergeeft, hetgeen één van de voorwaarden is om het recht op aftrek uit te oefenen.

Gelet op het principe van neutraliteit inzake belastingen wordt aanvaard dat de toevallige belastingplichtige het bij aankoop of oprichting van het gebouw genoten fiscaal voordeel van 15 % niet dient terug te storten en dat hij op basis van de factuur waarover hij beschikt de 6% btw die hij bij de aankoop of de oprichting van dat gebouw heeft voldaan in aftrek kan brengen.

Aangehaalde teksten

3
WBTW art. 261 voorkomen
WBTW art. 81 voorkomen