BTW-plichtige beroepsgroepen · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

506 16 november 2000

Zoeken

BTW-plichtige beroepsgroepen

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/506-btw-plichtige-beroepsgroepen-drion-belastingplichtige-2927

Nummer
506
Datum
16 november 2000

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

18 paragrafen

Vr. en Antw., Kamer, 2000-2001, nr. 76, blz. 8579-8580

BTW-Revue, nr. 151, blz. 491

BTW-plichtige beroepsgroepen

VRAAG

Sommige beoefenaars van vrije beroepen zijn BTW-plichtig, andere niet.

1. Op welke criteria stoelt dat onderscheid?

2. Geldt dat onderscheid ook binnen de paramedische beroepen en de opleidingssector?

3. Voor sommige van die activiteiten hoeven maar af en toe aankopen gedaan te worden. Personen die de BTW kunnen aftrekken van grote uitgaande aankoopfacturen zijn derhalve bevoordeeld.

Kan er geen regeling gevonden worden om die ongelijkheid, en onrechtvaardigheid, op te vangen?

ANTWOORD

1 en 2. Krachtens artikel 4, § 1, van het BTW-Wetboek is belastingplichtige eenieder die in de uitoefening van een economische activiteit geregeld en zelfstandig, met of zonder winstoogmerk, hoofdzakelijk of aanvullend, leveringen van goederen of diensten verricht die in dit wetboek zijn omschreven, ongeacht op welke plaats de economische activiteit wordt uitgeoefend.

Zodra ze voldoen aan de hogeromschreven voorwaarden, zijn de beoefenaars van vrije beroepen BTW-belastingplichtigen.

Artikel 44 van het voormeld wetboek vestigt evenwel een zeker aantal vrijstellingen. De belastingplichtige die, in de uitoefening van zijn economische activiteit, handelingen verricht die beoogd zijn door deze bepaling, dient geen BTW in rekening te brengen en heeft, voor deze werkzaamheid, de hoedanigheid van belastingplichtige zonder recht op aftrek.

De vrijstellingen bedoeld in artikel 44 van het BTW-Wetboek komen voornamelijk voort uit de omzetting in de Belgische wetgeving van artikel 13 van de zesde richtlijn 77/388/EEG van de Raad, van 17 mei 1977.

Ze baseren zich, al naargelang het geval, op de hoedanigheid van de dienstverrichter (artikel 44, § 1), op sociale of culturele redenen (artikel 44, § 2) of nog op de aard van de verrichte handelingen (artikel 44, § 3, van het wetboek dat met name de verhuringen en leveringen van onroerende goederen, de handelingen van verzekering alsook het merendeel van de bank- en financiële verrichtingen beoogt).

De BTW-handleiding bespreekt in hoofdstuk X (blz. 697-746) de draagwijdte van de vrijstellingen bedoeld in artikel 44 van het wetboek. Ik nodig het geachte lid uit om, meer in het bijzonder, de nrs. 315 en 321 van deze handleiding, die de vrijstellingen voorzien ten gunste van de paramedische verrichtingen en het onderwijs behandelen, te raadplegen.

3. Het antwoord op deze vraag is negatief. Het geachte lid verliest het eigenlijke mechanisme van de belasting over de toegevoegde waarde uit het oog. Door de gelijkstelling die zij in overweging neemt, zou dit mechanisme onvermijdelijk worden ontwricht.

Ik herinner haar er namelijk aan dat het bedrag van de belastingen dat een belastingplichtige met recht op aftrek mag aftrekken, hem in rekening werd gebracht door zijn leverancier of dienstverrichter. Het is dus normaal dat hoe geringer het bedrag van de betaalde belasting is, hoe kleiner het bedrag van de aftrek is waarop de belastingplichtige aanspraak kan maken.

Aangehaalde teksten

3