Vr. en Antw., Kamer,1990, nr. 111 , blz. 9018
«Mini-ondernemingen» - Ondernemingen voor het aanleren van een beroep (EAP) - Vrijstellingen inzake onderwijs, beroepsopleiding of -herscholing - Belastingplicht
VRAAG
De door de BTW-administratie op 20 december 1989 genomen beslissing (nr. E.T. 60.276) Z. Revue nr, 89, blz. 89.
stelt dat mini-ondernemingen de door artikel 44, § 2, 4°, van het BTW-Wetboek voorgeschreven vrijstelling genieten. Daarenboven zouden verenigingen die dergelijke mini-ondernemingen of ondernemingen voor beroepsopleiding overkoepelen, dezelfde vrijstelling genieten.
Kan een V.Z.W. die erkend werd ingevolge het op 23 januari 1987 genomen besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap betreffende de erkenning van de ondernemingen voor beroepsopleiding, eveneens de in de voornoemde beslissing van 20 december 1989 vermelde vrijstelling genieten voor de in het kader van de opleidingsactiviteiten voortgebrachte goederen of diensten?
Quid met een V.Z.W. die reeds met haar beroepsopleidingsactiviteiten gestart is en een erkenningsaanvraag heeft ingediend waarover nog geen uitspraak werd gedaan?
ANTWOORD
De zogenaamde «mini-ondernemingen»bedoeld in de beslissing van 20 december 1989, nr. E.T. 60.276, zijn in feite simulaties van een eigen onderneming die in de schoot van sommige scholen van het secundair onderwijs worden opgericht en tot doel hebben de leerlingen vertrouwd te maken met de concrete aspecten van het bedrijfsleven.
Aangezien deze mini-ondernemingen elk schooljaar een wijziging ondergaan zowel op het stuk van de samenstelling als op dat van de aard van de activiteit die overigens relatief beperkt is en derhalve geen aanleiding geeft tot enige vorm van concurrentieverstoring, genieten zij de vrijstelling bedoeld in artikel 44, § 2, 4°, van het BTW-Wetboek en worden bijgevolg niet als BTW-belastingplichtige aangemerkt.
Wat de «entreprises d'apprentissage professionnel» «EAP» (ondernemingen voor het aanleren van een beroep) betreft, waarop het geacht Lid doelt, deze hebben evenmin de hoedanigheid van belastingplichtige voor de onderwijsprestaties die het aanleren van een beroep tot doel hebben en kunnen derhalve in de regel de BTW geheven van de uitgaven gedaan met het oog op het verrichten van die prestaties niet in aftrek brengen.
Wanneer de personen die in de schoot van een «EAP» een vormingsstage volgen, goederen vervaardigen of werken verrichten (metselen, schilderen, enzovoort) en geregeld die goederen worden verkocht en die werken worden gefactureerd door de «EAP» aan derden dermate dat die activiteit hoe dan ook in concurrentie komt met een commerciële of andere door een BTW-belastingplichtige geëxploiteerde zaak, dan bezit die «EAP» in de regel de hoedanigheid van BTW-belastingplichtige voor het verrichten van bovengenoemde handelingen.
De vraag of de door een «EAP» uitgeoefende activiteiten aanleiding geven tot concurrentieverstoringen is uiteraard een feitenkwestie die volgens de specifieke gegevens eigen aan de onderneming moet worden onderzocht. Daarbij is het evenwel niet nodig een onderscheid te maken naargelang de «EAP» al dan niet erkend is.
Wanneer een «EAP» tegelijk vrijgestelde handelingen met betrekking tot het aanleren van een beroep en belastbare handelingen verricht, dan heeft ze de hoedanigheid van gemengde belastingplichtige en kan ze de BTW geheven van haar uitgaven slechts aftrekken in de mate waarin zij ze gebruikt voor het verrichten van belastbare handelingen.
Indien het geacht Lid een welbepaald geval beoogt, ben ik bereid het door de bevoegde administratie te laten onderzoeken indien de naam en het adres van de betrokken «EAP» mij worden meegedeeld.