Bedrijfswagen. Gemengd gebruik · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

463 21 februari 2000

Zoeken

Bedrijfswagen. Gemengd gebruik

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/463-bedrijfswagen-gemengd-gebruik-clippele-bedrijfsvoertuig-31a8

Nummer
463
Datum
21 februari 2000

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

16 paragrafen

Vr. en Antw., Senaat, 1999-2000, nr. 2-20, blz. 924-925

Bedrijfswagen - Gemengd gebruik

VRAAG

Deze vraag gaat over de interpretatie van hoofdstuk VII van BTW-omzendbrief nr. 4 van 9 mei 1996 met betrekking tot het gebruiken van een tot het bedrijf behorend goed voor andere doeleinden dan deze van de economische activiteit, gelijkgesteld met een dienst verricht onder bezwarende titel krachtens artikel 19, § 1, van het BTW-Wetboek.

Dit hoofdstuk betreft het geval waarin een belastingplichtige een goed onder bezwarende titel ter beschikking stelt van een derde (bijvoorbeeld: een voertuig wordt ter beschikking gesteld van een personeelslid tegen betaling van een huurprijs).

In dat geval wordt overeenkomstig artikel 26 van het BTW-Wetboek volgens de normale regels belasting geheven op de som die bij deze gelegenheid in rekening is gebracht, zonder dat de beperking bedoeld in artikel 45, § 2, van hetzelfde wetboek geldt voor de belastingplichtige-verhuurder, als het zou gaan om een voertuig dat onder deze bepaling valt.

Wat gebeurt er wanneer het goed tegelijk gebruikt wordt voor de doeleinden van de "belastingplichtige-verhuurder" en voor de privé-doeleinden van de gebruiker, en de gebruiker als tegenprestatie voor de terbeschikkingstelling van dit goed voor privé-doeleinden de gebruikskosten van het goed geheel of gedeeltelijk op zich neemt?

Nemen we het voorbeeld van een wagen die wordt gebruikt door een handelsvertegenwoordiger in loondienst, zowel voor zijn beroepsactiviteit als voor privé-doeleinden. Als deze werknemer als privé-persoon de kosten van onderhoud en brandstof op zich neemt als tegenprestatie voor ten minste het privé-gebruik van het voertuig, moet de werkgever-belastingplichtige dan nog een (betaalde) factuur opstellen? Zo ja, moet hij op de gefactureerde som de BTW toepassen als de BTW van de onderhouds- en brandstoffacturen niet is afgetrokken?

Het spreekt vanzelf dat de werknemer de bewijzen van zijn deelname in de kosten van het voertuig bewaart.

ANTWOORD

Het geachte lid beoogt in zijn vraag de situatie waarbij een werkgever een autovoertuig ter beschikking stelt van een personeelslid, tegen de verplichting voor deze laatste om de onderhouds- en brandstofkosten van het voertuig geheel of gedeeltelijk ten laste te nemen. Er wordt verondersteld dat de prestaties en leveringen rechtstreeks aan het personeelslid worden verstrekt en het voorwerp uitmaken van facturen opgesteld op zijn naam door de leveranciers en dienstverrichters.

Volgend onderscheid is nodig.

Wanneer het personeelslid enkel het gedeelte van de onderhouds-en brandstofkosten dat betrekking heeft op het gebruik voor privé-doeleinden van het voertuig ten laste neemt, is de terbeschikkingstelling van het voertuig door de werkgever een handeling die met een dienst onder bezwarende titel wordt gelijkgesteld overeenkomstig artikel 19, § 1, van het BTW-Wetboek. Wanneer die dienst plaatsheeft in België, is de prestatie aan de BTW onderworpen tegen het tarief van 21 % over een maatstaf van heffing die berekend wordt op de wijze bepaald in het hoofdstuk VI, A, 1° en 2°, van de aanschrijving nr. 4 van 9 mei 1996, waarnaar het geachte lid verwijst.

Wanneer daarentegen is voorzien dat het personeelslid eveneens de onderhouds- en brandstofkosten met betrekking tot het gebruik voor beroepsdoeleinden van het voertuig ten laste neemt, die de werkgever in principe op zich moet nemen, wordt de terbeschikkingstelling van het voertuig aangemerkt als een dienst onder bezwarende titel, beoogd in artikel 18, § 1, tweede lid, 4°, van voornoemd wetboek. Wanneer deze dienst in België plaatsheeft is de prestatie aan de BTW onderworpen tegen het tarief van 21 %, over een maatstaf van heffing die overeenstemt met het gedeelte van de onderhouds- en brandstofkosten dat betrekking heeft op het gebruik voor beroepsdoeleinden van het voertuig en dat ten laste is genomen door het personeelslid, verhoogd desgevallend met een bedrag berekend op de wijze zoals voorzien in hoofdstuk VI, A, 1° of 2°, van de voornoemde aanschrijving.

De omstandigheid dat de belasting die werd geheven over de door het personeelslid ten laste genomen onderhouds- en brandstofkosten niet in aftrek mag worden gebracht, heeft geen invloed op de oplossingen zoals hiervoor uiteengezet.

De aandacht van het geachte lid wordt nog gevestigd op de omstandigheid dat, in de twee veronderstellingen, het voordeel van alle aard, dat overeenkomstig artikel 18, § 3, 9, van het koninklijk besluit ter uitvoering van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen wordt vastgesteld en dat als grondslag dient voor de in hoofdstuk VI, A, 1° en 2°, omschreven berekening, in principe zal verminderd worden met het bedrag van de kosten gedragen door het personeelslid, begunstigde van dat voordeel.

Aangehaalde teksten

3
WBTW art. 192 voorkomens
WBTW art. 261 voorkomen
WBTW art. 451 voorkomen