Mandaat · Parlementaire vragen

Naar de tekst
Juriel

459 2 maart 1993

Zoeken

MandaatBTW. Mandaat.

https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/459-mandaat-clippele-lastgeving-7b78

Nummer
459
Datum
2 maart 1993

Over het document

Verzameling
Parlementaire vragen
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

9 paragrafen

Vr. en Antw., Kamer, 1992-1993, nr. 55, blz. 4909-4910

BTW. - Mandaat.

VRAAG

Krachtens artikel 13, § 2, van het BTW-wetboek wordt "als commissionair aangemerkt eenieder die een op zijn naam gestelde factuur, debetnota of ander daarmee gelijkstaand stuk respectievelijk van de verkoper ontvangt of aan de koper uitreikt". In de administratieve praktijk echter wordt de lasthebber naar het schijnt niet gelijkgesteld met een commissionair, indien op onweerlegbare wijze uit de factuur zelf blijkt dat het een tussenpersoon betreft die handelt voor rekening van een lastgever wiens naam aangegeven staat.

Aan de hand van welke gegevens kan op onweerlegbare wijze worden geconcludeerd dat de lasthebber namens zijn lastgever handelt ?

ANTWOORD

Het geacht lid beoogt de tussenpersoon die niet in eigen naam of onder firma voor rekening van een lastgever handelt maar die, voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde, op grond van artikel 13 van het BTW-wetboek toch als commissionair en dus als koper-wederverkoper wordt aangemerkt omdat hij als tussenpersoon bij de inkoop van de verkoper, of als tussenpersoon bij de verkoop aan de koper, in enigerlei hoedanigheid, een op zijn naam gestelde factuur, debetnota of andere daarmee gelijkstaand stuk respectievelijk ontvangt of uitreikt.

Aan de voorwaarde inzake de opstelling van de stukken op naam van de tussenpersoon wordt uiteraard niet voldaan - en de voorwaarden bedoeld in voornoemd artikel 13 zijn niet vervuld - wanneer uit een stuk opgemaakt op naam van een dergelijke tussenpersoon duidelijk blijkt, voor zover dat uiteraard overeenstemt met de concrete gegevens van de tussen partijen gesloten overeenkomst, dat die tussenpersoon handelt in naam en voor rekening van een lastgever die duidelijk wordt geïdentificeerd op dat stuk, hetgeen uiteraard inhoudt dat de tussenpersoon enkel voor het verschuldigd bedrag van zijn eigen vergoeding in eigen naam een factuur, een debetnota of een ander daarmee gelijkstaand stuk uitreikt aan zijn lastgever. Wat overigens de vaststelling van het bestaan van bovengenoemde lastgeving betreft, alsmede van de identiteit van de lastgever is het in de regel vereist dat op het stuk de vermeldingen voorkomen bedoeld in artikel 5, § 1, 2° of 3° (naargelang de lastgever koper of verkoper is) van het koninklijk besluit nr. 1 van 29 december 1992, met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde; die vermeldingen zijn de naam of de maatschappelijke benaming van de lastgever, het adres van zijn administratieve of maatschappelijke zetel, zijn BTW-identificatienummer en, indien de lastgever verkoper is, zijn inschrijvingsnummer in het handels- of ambachtenregister, wanneer die inschrijving vereist is.

Het geacht lid denkt blijkbaar meer in het bijzonder aan de praktische maatregelen die werden uitgewerkt onder punt 3 van de ministeriële aanschrijving nr. 27 van 5 februari 1971, in het voordeel van de beheerder of de syndicus van een flatgebouw, die er niet van ontheven is zich als belastingplichtige te laten identificeren en die van leveranciers op zijn naam gestelde facturen ontvangt voor de goederen en diensten die hij bestelt voor rekening van de medeëigenaars. De administratie blijft bij haar standpunt dat, in dergelijke situatie, de toepassing van voornoemd artikel 13, en van artikel 20 van het BTW-wetboek dat geldt voor de tussenpersonen inzake diensten, buiten beschouwing mag worden gelaten onder de voorwaarden vastgelegd onder punt 3 van de genoemde aanschrijving; hieromtrent wordt voorgeschreven dat de door de leveranciers opgestelde facturen, betreffende de voor rekening van de medeëigenaars geleverde goederen en verrichte diensten, uitdrukkelijk moeten vermelden dat, enerzijds, die leveringen verricht zijn voor rekening van de medeëigenaars en dat, anderzijds, de beheerder of de syndicus handelt als lasthebber van die medeëigenaars; daarentegen moeten de naam, en, in voorkomend geval het BTW-identificatienummer van de verscheidene medeëigenaars niet noodzakelijk worden vermeld wanneer de desbetreffende factuur het gebouw op beknopte wijze aanduidt.

Aangehaalde teksten

2
WBTW art. 132 voorkomens
WBTW art. 201 voorkomen